Ik had dorst ...

1992-06-05
  • Jaargang 36
  • nummer 12
We waren die week behoorlijk onder de indruk geraakt van de gebeurtenissen in Sarajevo.
Het ontspannen beeld dat sommige Nederlandse kranten van ons geschetst hadden, werd toch aardig overhoop gehaald. Het was nu niet meer iets van een paar kilometer verder, meer de beschietingen gebeurden bij ons om de hoek. Meer dan ooit beseften we dat gewone huizen, gewone mensen de gevolgen ondergingen van deze vreemde oorlog.
Op een middag zagen we ze aan komen rijden in open vrachtwagens en ze stopten bij ons voor de deur.
Vluchtelingen uit de buurt die hun huis, hun leefomgeving verwoest hadden zien worden.

Er was een zekere gewenning opgetreden.
Je wist wat er in de stad en i11 het land gaande was, maar je moest het - net als het thuisfront - nog vooral van de televisie hebben. Dat we de satellietschotel om RTL4 te ontvangen zo zouden waarderen, had ik niet kunnen denken. We belden af en toe naar huis en konden uitleggen dat het met ons in het 'Rainbow'-hotel (een paar jaar geleden gebouwd als luxe bejaardentehuis, maar al die tijd leeggestaan; de bijnaam was te danken aan de felle kleurencombinaties) goed ging.
Maar in die week, in de loop van april, kwamen we midden in de beschietingen te zitten. Natuurlijk wáren we er .
allemaal van overtuigd dat ons gebouw geen echt doelwit was, maar je zag nogal wat om je heen gebeuren en er kon best iets fout gaan. Tussen de mitrailleursalvo's door waren zware explosies te horen. Drie jongens kwamen op het grasveld vlakbij onder vuur te liggen, een ruit sneuvelde door een verdwaalde kogel, twee gewonde burgers werden ons gebouw binnengedragen.
De schrik zat er bij ons in.
Een dag later was het helemaal raak.
Terwijl het dreunde van de explosies, scheerden een paar Migs met oorverdovend lawaai laag over onze wijk.
Granaten sloegen dichtbij in, soms binnen een paar honderd meter. Om het gevaar van wegspringende glasscherven zo klein mogelijk te houden, werden de ruiten met tape afgeplakt.
Toch is me die dagen vooral de vreemde combinatie bijgebleven, dat naast de risico's en de erge dingen die we om ons heen zagen gebeuren, de stemming binnen nogal eens aan de luchtige kant was. Alsof het ons niet echt aanging. Voor een deel had dat te maken met het idee dat de VNvredesmacht hier toch neutraal tussenin zat en geen partij was in het conflict.
Wie zou er belang bij hebben de blauwe baretten lastig te vallen, werd gedacht. Daarnaast, geloof ik, was die luchtige manier van reageren voor sommigen iets van camouflage. Je meet je een houding aan, in een situatie die je niet echt kunt overzien. Je wilt in geen geval als bang aangemerkt worden. En dit gedrag wordt door anderen herkend en overgenomen.
We spraken daar ook met elkaar over.
Als je op een balkon naar de beschietingen staat te kijken, wat denk je dan?
Wat zeg je dan? Je hoeft niet constant met een diep-ernstig gezicht rond te lopen, maar kun je met schertsende opmerkingen nog wel ruimte overhou- ~ den voor andere gedachten? En wat zou een gepaste houding zijn, als je beseft dat er in je hotel ook mensen rondlopen die hun huis en familie in Sarajevo hebben. Het trof me een keer dat, terwijl ik niets snapte van het gesproken commentaar van Televisie Sarajevo, een paar hotel medewerkers hoofdschuddend zaten te luisteren en duidelijk aangedaan waren.

Jerrycans
Dat waren de ervaringen die in die week onze gedachten vulden. Tegen die achtergrond kwam er op vrijdagmiddag een nieuwe ervaring bij. Rond een uur of drie kwamen er een paar oude vrachtwagens met open laadbak aan, vol met vluchtelingen. Het plaatje dat je wel kent van de televisie en krantenfoto's, werd voor je eigen deur levensecht. Enkelen spraken een woord Duits en het werd ons duidelijk dat het om moslims ging die zwaar te lijden hadden gehad van de laatste beschietingen. Ze hadden nauwelijks bagage bij zich, een enkele tas soms.
Vrouwen met betraande gezichten, kinderen, mannen, ze stapten allemaal uit en hoopten op verdere hulp. Er werd op de stoep overleg gevoerd.
UNPROFOR kon niet zonder meer voor verdere hulpverlening zorgen, daar had de organisatie hier geen mandaat voor. Wel kon besloten worden tot een escorte naar een hulpverleningsinstantie in het centrum van de stad, en van daaruit kon andere hulp worden aangeboden. Intussen waren de meeste mensen in het gras gaan zitten.
Omdat het nogal warm waszoals zo vaak hier - haalde iemand een paar jerrycans en werden glazen water uitgereikt.
Dat simpele gebaar zette me wel aan het denken. Enerzijds leek het beschamend eenvoudig, vergeleken bij de redelijke luxe die wij in het hotel genoten.
Hadden we niet veel meer kunnen doen? Moeten doen? Anderzijds: ik moest heel letterlijk aan die woorden van Jezus denken: "Wie een enkel glas koel water geeft aan één van deze geringe mensen omdat het een leerling van Mij is, zo iemand zal zeker beloond worden" (Matteüs 10:42) en "Ik had dorst en u gaf Mij te drinken...' Al wat u gedaan hebt voor één van mijn broeders hier, al was het de onbelangrijkste, hebt u voor Mij gedaan!" (Matteüs 25:35,40).

Dorstigen
Jezus moet beslist meer bedoeld hebben dan een algemeen 'goed zijn voor de armen'. Anders zou je over de woorden "leerling van Mij" en "één van mijn broeders" heenlezen. Hij wil onze daden binnen zijn kring halen.
Dat we ze zien in relatie tot Hem en in navolging van Hem.
Verdreven moslims in Sarajevo. Ik kon ze niet eens verstaan en ze kwamen uit een voor mij minder vertrouwde cultuur. Hun godsdienstige overtuiging is beslist niet de mijne. Ik voor mij geloof dat de woorden van Jezus - ook de hierboven aangehaalde - ons dringen zelf tot de kring van Hem te gaan behoren. Maar deze moslims kwamen op onze stoep terecht en we konden, mochten er niet omheen. Het betekende een appèl dat op mij, als christen, werd gedaan. AI was het maar dat we gedwongen werden over hun ellendige posities na te denken, want het weinige dat concreet voor hen op die vrijdagmiddag werd gedaan, stond niet in verhouding tot onze veiligheid en luxe.
De zondag daarop kozen Riny Vervaart, de aalmoezenier, en ik deze gebeurtenis als thema voor onze dienst: Water voor de dorstigen. Bij alles wat we hadden meegemaakt gingen we ons klein voelen. Machteloos ook. Wat kon je nou persoonlijk betekenen voor de bevolking hier, als het land verscheurd wordt door verdachtmaking, vervolging en vernieling.
Als de grote politici er al niet uit konden komen, wat zouden wij dan nog beginnen. Maar ons wordt niet gevraagd in je eentje de grote oplossing te bedenken. Wel dat je begaan bent met de mensen om je heen. Niet koud te blijven onder de verwarring en de hulpeloosheid waar je mee te maken krijgt. In de ogen van God kan het kleine beetje dat je voor een enkeling doet, veel zijn. Zo veel, dat daarbij zelfs de grote beslissingen vallen.
Een deftige kerkzaal hadden we niet.
Wilden we ook niet. Voorin zetten we een jerrycan neer met wat glazen erbij. Dat was duidlijk genoeg.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief