Reactie

1992-06-19
  • Jaargang 36
  • nummer 13

Reactie op ds. De Lange
De kern van wat ds. De Lange schrijft is, dat de mannen uit Handelingen 6 diakenen zijn en dat het woord 'oudste' een verzamelbegrip is voor opzieners en diakenen. Dit laatste betekent voor hem, dat diakenen dus ambtsdragers en dus mannen moeten zijn. Ik vind dit wel een boeiende gedachte, maar mijn bezwaar is dat je op deze manier zoveel moet veronderstellen om het ambt van diaken rond te krijgen.
Het krijgt een heel smalle basis.
Je moet veronderstellen dat de mannen van Hand. 6 diakenen zijn, al heten ze niet zo. Je moet veronderstellen dat het woord oudste een verzamelbegrip is, terwijl dat er niet bij staat. En je moet de envelop van Paulus' brief aan de Filippenzen met een loupe uitvergroten om aan die ene uitdrukking 'opzieners en diakenen' allerlei conclusies te verbinden. En dat allemaal terwille van 'het ambt', dat in de Bijbel niet voorkomt.
In werkelijkheid komt het diaconaat in de Bijbel op vanuit de gemeente, gevoed door Jezus' eigen woorden en daden. Het hoort inderdaad wezenlijk bij de dienst van Woord en gebed, maar dan als een kostelijke vrucht ervan, die bij mannen én vrouwen gevonden wordt. De schriftuurlijke basis ervoor blijkt dan veel breder te zijn dan in redeneringen over.de ambtelijke status. In het artikel waar ds. De Lange. op reageert verwees ik al naar een lezing van mij hierover, die nog gepubliceerd moet worden. Maar ik heb al zoveel ruimte van 'Opbouw' gekregen, dat ik bescheiden afwacht wanneer hier ruimte voor is.

Reactie op ds. en mevr. dans. Janssens
Wat de reactie van ds. en mevr. Mark en Ua Janssens betreft: ik geef toe, dat ik destijds theologie gestudeerd heb. Maar ik heb er geen ogenblik aan gedacht dat het met zo'n verleden "niet zo netjes" zou zijn om over het studierapport te schrijven. Het laatste wat ik wil is wel om de discussie van de mondige gemeente naar de theologen te trekken. Eerlijk gezegd eerder het omgekeerde. Ik zag om me heen, dat de discussie dreigde te verzanden in een veelheid van exegetische en theologische vragen en hoopte het schip weer vlot te trekken.
Daar had ik ook die samenvatting op een vingernagel voor nodig. Natuurlijk is dat een versimpeling. Het is met opzet prikkelend geformuleerd, want ik had even een speldeprik nodig om het idee door te prikken, dat we met onoplosbare exegetische problemen te maken hebben. Die problemen zijn er wel maar heus, daar zit het 'm niet op vast. De bewuste tekst was me overigens wel door het rapport zelf aangereikt, dat stelt: "Dit is in feite het enige schriftgedeelte dat zich rechtstreeks lijkt uit te spreken over leiding geven van zusters in de kerk" (pag. 79).
De rest van de brief is een poging, volgens het recept van Eindhoven, om een bijbelse lijn verder door te trekken dan de Bijbel doet. Dat is riskant, maar het kàn wel - op voorwaarde dat je niet tegen een uitdrukkelijk woord Gods in gaat. En, in alle eerlijkheid, ik zie niet in hoe je onder die voorwaarde de lijn zover kunt doortrekken dat vrouwelijke ouderlingen in beeld komen. Waar dat wél geprobeerd is, zeggen ze inmiddels op àlle gebied: "wij weten meer dan Paulus" en "minder heibel zonder Bijbel". Voor alle duidelijkheid: ik zie heel goed dat de beide briefschrijvers, blijkens hun slotzin, die kant niet op willen. Maar ik zie niet zo goed hoe ze dat vol willen houden, zonder de zwijgteksten te schrappen.
Een nawoord op een ingezonden moet kort zijn en daarom laat ik het hierbij.
hoewel meer te"zeggen zou zijn. Mijn welgemeende dank aan de briefschrijvers!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief