Mens, wat klaag je toch ... Klaag over je zonde!

1991-01-04
  • Jaargang 35
  • nummer 1
1. Wat zit zij toch eenzaam neer,
die stad zo volkrljk - weleer;
als een weduwe, treurig en klein,
geen volk hoort nog tot haar domein: .
werd ze ooit geëerd als vorstin -
nu is ze niet meer dan slavin.

2. Wat zit ze daar huilend neer
in de nacht; er is niemand meer
die haar troost, haar mint en begeert;
trouw van vrienden?, hulp? - ieder keert
zich verachtelijk af; ze treurt nachten lang,
huilt en klaagt tot ze niet meer kan.

3. Wat ziet Juda er troosteloos uit;
klein, ontvolkt, resten volk als een buit
atçevcero en gedoemd om te wonen
tussen vreemden die smaden en honen;
lopend Voor 't leven, snakkend naar lucht
werd Juda door vijanden achterhaald op de vlucht.

4. Op naar Jeruzalem, op naar het feest!
dat is verleden, dat is geweest;
de straten verlaten, de wegen leeg,
bij de poort niet het vrolijke mensenbeweeg;
zuchtende priesters, droetgeestige vrouwen,
bitter is heel deze stad aan het rouwen.

5. Onmachtig is Sion en zonder verweer,
lachend zien vijanden op haar neer;
maar achter hén God Die de gruwelen zond
omdat Juda zich trouwloos onttrok aan 't Verbond:
zelfs heeft Hij daarom niet willen verhinderen
dat deerniswekkende kwellen van kinderen.

6. Op Sion lag de glans van haar Heer,
maar weg is die schoonheld en die eer;
en die haar als vorsten leidden
zoeken als noneerende herten naar weiden;
onmachtig en zonder kracht
Voor de vervolger en zijn macht.

7. Verarmd en ellendig in 't heden
denkt Jeruzalem aan 't grootsteverleden,
toen het rijk was en vol van schatten
teveel haast om ze te bevatten;
met leedvermaak zagen vijanden aan
dat 't met haar weelde en trots was gedaan.

8. Jeruzalems zonden, wat waren ze zwaar...
of ze onrein is, zo mijdt men haar;
die vroeger geëerd was, welvarend en
rijkstaat nu ontkleed en armzalig te kijk;
nooit zal ze zelf aan zo'n aanblik wennen,
ze wil zichzelf niet eens meer kennen.

9. Getekend is ze door ontucht en kwaad;
zichtbare sporen ... nu is het te laat;
ze is gevallen, ontstellend diep
en niemand gaf troost toen ze daarom
riep; o Here, zie het, zie het toch aan
wat die onverlaat mij heeft gedaan.

10. Vol hebzucht strekt de vijand zijn hand,
naar kostbaarheden in stad en land;
nog erger: Jeruzalem ziet machteloos aan
hoe vijandige voeten in het helligdom gaan;
"zij horen-daar niet", had God bepaald,
maar geen rover die ietsom Gods woorden maalt.

11. Elk zucht en smeekt in diepe nood:
waar is voedsel?, waar is brood?;
van alle kanten komt men ze brengen
kostbare dingen om het leven te lengen;
wat is er van mij geworden, Heer?
weg is mijn aanzien, weg is mijn eer.

12. U die voorbllqaat, raakt het u niet?
zag u oolt, ooit zo'n verscheurend verdriet?
zag u een smart, zo diep, zo groot,
zag u ooit zoveel droefheid en nood?
Gods hand greep ons vast en Hij sloeg met de roede,
in de tijd dat Hij tegen ons ziedde van woede,

13. Het vuur dat Hij stuurde naar onze landen -
tot in mijn beenderen voel ik het branden;
verschrikt deinsde ik terug op mijn pad,
omdat Hij een valstrik gespannen had;
ik was verstard en kon mij niet wenden,
een lange dag was ik ziek van ellende.

14. Ik ben gestruikeld en lig machteloos neer,
mijn kracht is gebroken; ik heb geen verweer; "".
van mijri zonden heeft Hij een touw gewonden,
heeft daarmee een zwaar juk op mijn nek gebonden;
voor mijn vijanden ben ik een weerloze buit,
mijn hand heeft geen kracht en mijn stem geen geluid.

15. God stond in 't midden - Hij liet ze verslaan,
de machtige mannen die om mij staan;
in een orgie, een feest, ging de vijand tekeer,
verdelgde jongeren, stak ze neer;
onder zijn voeten heeft God Juda vertrapt,
als een boer die vernietigend in de druivenpers stapt. '

16. Om al deze dingen breekt mijn hart,
eindeloos huil ik om zoveel smart;
en de trooster, die komt en verdriet doet bedaren,
is ver, is zover, is niet te ontwaren;
mijn zonen zijn stil en sprakeloos,
zo machtig die vijand, zo gruwzaam en boos...

17. Wie komt mij te hulp in mijn verdriet?
geen trooster die mijn ellende ziet;
niemand komt om mijn leed te verzachten,
van buren is enkel haat te verwachten;
als een melaatse wordt Sion ieder gemeden,
ongetroost en alleen, door ieder bestreden.

18. Maar God is rechtvaardig in zijn daden,
ik was opstandig, met schulden beladen;
volken, hoor mijn wanhopig geklaag,
zie hoe ik rouw, hoe ik smeek, hoe ik klaag;
voor mijn ogen is de gruwel gebeurd,
mijn kinderen - ruw zijn ze weggesleurd.

19. Minnaars, steeds zwierf je om mij heen,
nu ben je zo hard en zo koud als een steen;
ook bijstand van oudsten is geweken,
in de stad zijn zij van ontbering bezweken;'
ook zij hebben niet van verlossing geweten:
zij stierven, graaiend naar resten van eten.

20.O Here, er huist toch zo'n angst in mijn hart,
ik ben zo onrustig en zo verward;
brutaal ben ik tegen U ingegaan,
en nu is m'n hart zo verschrikt en ontdaan;
ga ik de straat op - dan dreigt daar het zwaard,
thuis loert de pest, wat ben ik nog waard?

21. Mijn zuchten en klagen dringt tot hen door, ..
maar niemand troost, heeft een luisterend oor:
mijn vijanden weten dat het U was die sloeg,
zij juichen, voor hen is het nimmer genoeg;
U kondigt gericht aan en voert het uit,
dat zij worden als ik: Uw schuldige buit.

22. Heer, zie hun boosheid, doe hen aan
wat U mij ook hebt aangedaan;
wat deden zij kwaad! geef hun de straf
die U in Uw woede ook aan mij ga;
ik zucht en klaag nu ik verkwijn,
mijn hart is ziek en het doet zo’n pijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief