Israël en de profetie (2)

1991-01-04
  • Jaargang 35
  • nummer 1
4. Wie Israël zegent ...
Christus is het centrum van de profetie, zo schreef ik de vorige keer. In dat licht moet u er eens over nadenken wat het betekent als er voortdurend herhaald wordt: "wie Israël zegent, die wordt gezegend". Persoonlijk geloof ik inderdaad, dat God graag ziet dat we het veelgeplaagde Israël helpen waar mogelijk. Maar de manier van omgaan met de Schrift moeten we toch wel kritisch overdenken. De spreuk gaat uiteraard terug op de belofte aan Abraham in Genesis 12:3.
Daar staat: "Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden".
Deze belofte wordt herhaald in Genesis 27:29 en Numeri 24:9. Maar, hoe vatten we deze profetie op? Ik hoor en zie deze belofte geregeld vereenvoudigd tot: wie goed is voor Israël, wordt gezegend. En die spreuk dient dan om de aankoop van badschuim en speelgoed uit Israël te stimuleren.
Ik overdrijf niet; een- en andermaal heb ik deze toepassing rechtstreeks en dwingend zien maken.

En echt, deze uitleg kan niet. Vlak na de geciteerde belofte uit Genesis 12:3 lezen we de nadere belofte ,, Aan Uw zaad zal ik dit land geven” (Gen. 12:7, S.V.). Bij die belofte merkt Paulus op: ,,Hij zegt niet: en aan mijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus” (Gal. 3:16). Nu is dit wel een erg scherpe verklaring van de apostel, maar zijn bedoeling is duidelijk: De Abraham – belofte wijst naar Christus. Zo en niet anders is ook het woord over de zeggen op te vatten. Onze houding tegenover Christus is beslissend voor zegen of vloek. Wanneer ik steeds hoor zeggen ,, Wie Israël liefheeft, die wordt gezegen”, dan voel ik de neiging om, enigszins geërgerd te antwoorden ,,Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranatha!” (1 Cor. 16:22). Ik houd me wel in, maar protesteer toch echt als de belofte buiten Christus om op de aanschaf van shampoo wordt toegepast.

5. Kan Christus morgen terugkomen?
Het tweede keurmerk om de uitleg van de profetie te toetsen is: "Kan Christus morgen terugkomen?" Het zojuist aangehaalde woord van Paulus, 'Maranatha', brengt ons hierop. AI staat de betekenis niet in detail vast, we mogen hier toch in elk geval het intense verlangen van de gemeente naar haar Heer in herkennen. "Amen, kom, Here Jezus" (Openb. 22:20)'.
Iedere bladzij van het Nieuwe Testament leert ons om reikhalzend uit te zien naar die grote dag, de dag der dagen, waarop de Here Jezus terugkomt.
"Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur". "Gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren komt als een dief in de nacht". Kortom, het behoort onder ons gewoon vast te staan, dat we dagelijks uit moeten zien naar de komst van onze Koning.

Maar soms hoor je zo in detail uitleggen wat er allemaal vóór die komst moet gebeuren, dat je je afvraagt: hoe kan dan de verwachting van zijn komst nog levend blijven? Zo kennen we het verhaal, dat de Moskee op de tempelberg moet instorten om plaats te maken voor de nieuwe tempel, waar de offers weer gebracht zullen worden.
Men wijst dan wel vol opwinding op het feit dat er al scheuren zitten in de fundering vandie moskee. Zodat het er wel eens gauw van zou kunnen komen. Maar morgen is dat toch nog niet voltooid.
Op de genoemde Israël-conferentie heb ik dr. M.J. Paul deze eenvoudige vraag ook gesteld: denkt u, dat onze Here Jezus morgen terug kan komen?
Het onthutste me, dat hij deze vraag zonder omwegen met 'nee' beantwoordde. Nee, dat is niet mogelijk want er moet nog van alles gebeuren vóór die tijd. Later heb ik hem er telefonisch nog over gesproken en toen liet dr. Paul me weten, dat Christus eventueel wel al over een jaar zou kunnen terugkomen, gezien de vaart waarmee de geschiedenis zich de laatste tijd ontrolt. Ik kan deze concessie nauwelijks als een geruststelling zien.
Ook de verklaring, dat het onverwachte van Christus' komst zou kunnen betekenen dat we elk moment dood kunnen blijven. overtuigt niet. Het is toch wel uiterst kras als we de wederkomst van Christus gaan 'vergeestelijken' om aan een 'letterlijke’ vervulling van de Israël-profetie vast te houden!
Het beslissende punt is echter, dat de gelovige verwachting van de christenen zo ván de wederkomst vandaan getrokken wordt náár de politieke ontwikkelingen in Israël. En dat is fout.


6. De glorie van Israël
We schreven over de tweedeling die gemaakt wordt tussen vervulde en onvervulde profetieën. We kwamen deze tweedeling meermalen als volgt tegen: de profetieën over de Messias zijn vervuld; die over de glorie van Israël zijn nog onvervuld.
Maar wat een vreemde tegens,telling is dat! Ik zou niet weten wat de glorie van Israël moest zijn als het niet de Messias was. Ook hier wordt onze aandacht weer ten onrechte van Christus' eer naar politieke glorie getrokken.
Simeon had hier nog een betere kijk op. Hij had zijn leven eraan gewijd, de vertroosting van Israël te verwachten.
En toen hij het kindje Jezus in zijn oude handen droeg, zei hij glashelder: "mijn oqen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël" (Lucas 2:30-32). Datzelfde kind, dat licht tot openbaring voor de heidenén zou betekenen" was en is ook in eigen persoon de glorie· van Israël. Het is een geweldige eer voor Israël, dat God hèn verkoos als het volk dat - door de Messias - voor alle volken tot·een zegen zou zijn.
Welke glorie zullen we ànders voor, hen verwachten? Het feit, dat de Israëli's sinaasappels laten groeien op voorheen dorre grond? Of het feit, dat ze zwaardere bommen hebben dan wie ook in de regio?

7. Profetie tot in de details
"Bij de eerste komst van Christus zijn de profetieën in detail en letterlijk vervuld; daarom mogen we aannemen, dat er bij zijn wederkomst ook van een letterlijke vervulling sprake zal zijn" - zo wordt ons voorgehouden.
Dit is echter maar zeer ten dele waar. Er zijn wel bepaalde details uit de profetie heel letterlijk uitgekomen bij Christus' eerste komst, maar je kon vooraf niet weten, welke details dat zouden zijn. Het was bij wijze van teken, van herkenningsteken, dat Jezus op bepaalde punten heel letterlijk' aansloot bij de profeten. Maar toch was dat pas achteraf herkenbaar.
Een treffend voorbeeld daarvan is te vinden bij de intocht in Jeruzalem.
Daarover lezen we in Johannes 12:14 en 15: "En Jezus vond een jonge ezel en Hij ging erop zitten, 'gelijk geschreven is: Wees niet bevreesd, dochter Sions, zie, uw Koning komt, gezeten op het veulen van een ezel". Dat is voorwaar een heel duidelijke vervuIling in detail.van wat in Zacharia 9 werd voorzegd. Toch staat er achteraan: "Dit begrepen zijn discipelen aanvankelijk niet, maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden".
Vanwaar dat late. begrip? Wel, dat zal komen doordat er zoveel andere details uit dezelfde profetie waren, die niet leken uit te komen. In Zacharia 9:10, vlak achter de woorden over 't ezeltje, staat namelijk ook: "Dan zal Ik de wagens uit Efraïm en de paarden uit Jeruzalem teniet doen, ook de strijd boog wordt teniet gedaan; en hij zal de volken vrede verkondigen, en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde".
Hier zit natuurlijk juist het helkele . punt, dat er van dit gericht en deze heerschappij maar heel weinig te zien was. Begrijpelijk, dat de discipelen de profetie pas achteraf herkenden, vanuit de verheerlijking. Wat 'letterlijk' uitkomt en wat niet, dat viel nog nooit van tevoren uit te maken.
En precies dat is, wat de uitleggers van nu proberen. Op de eerder genoemde conferentie gaf ds. L.W.G. Blokhuis een boeiende uitleg in detail van Zacharia 14, waarbij hij op grond van deze profetie aankondigde, dat Jeruzalem opnieuw zal worden veroverd en geschonden, maar dat God daarna zal ingrijpen met een aardbeving en dat de natuur dan ruim voldoende water zal hebben door de rivieren die vanuit Jeruzalem zullen stromen.
Ik wuif deze uitleg zeker niet weg, maar signaleer wel dat we absoluut niet weten of dit ook maar bij benadering Gods bedoeling is. Om een voorbeeld te noemen: ds. Blokhuis voorziet, dat het huidige chróri'ische watertekort in Israël opgelost zal worden doorde levende wateren, die uit Jeruzalem zullen vlieten (Zach. 14:8). Maar dit levende water vanuit Jeruzalem is een bekend beeld in de profetie en onze Heiland past dit als volgt toe: "Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien" (Joh. 7:38).
Johannes voegt daar dan als uitleg aan toe: "Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden". En heeft de Here deze stromen van 'kracht, stromend van levend water niet metterdaad doen vlieten vanuit Jeruzalem, naar Oost en West? U en ik leven er nog altijd van.

Met dit voorbeeld wil ik duidelijk maken: wij hebben geen kalender van de eindtijd. Welke details uit de profetie er nog letterlijk een vervulling krijgen, weten we niet. Als er nog eens, letterlijk water uit Jeruzalem stroomt, zal ik aan de uitleg van ds. Blokhuis nog eens terugdenken. Maar voor nu komt het erop aan, dat onze hoop en verwachting gericht is op de wederkomst van Christus. In de tussentijd zien we de grote dingen, die God doet. In de herademing die Hij de verdrukte kerk in Oost-Europa schenkt. In de stromen van Geest-kracht, 'waarmee Hij wereldwijd nog altijd mensen raakt. En, inderdaad, ook in de terugkeer van vele Joden naar Israël, waar Gods oude volk door zijn lankmoedigheid töch nog een eigen plaats kreeg onder de zon.
We kunnen er zeker van zijn, dat de Here graag ziet dat we het goede zoeken voor Israël. Bijvoorbeeld door flinke ondersteuning te geven aan de opvang van Russische Joden. Maar het moet niet onder tafel raken, dat Christus de vervulling van de profetie is, en dat we bovenal zijn wederkomst verwachten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief