Tussen kerk en keuken

1991-01-18
  • Jaargang 35
  • nummer 2
Zangboete
In onze gemeente worden psalmen en lofliederen vaak in een rap tempo gezongen. Ongetwijfeld heeft het grote aantal jonge kinderen daar iets mee te maken en ook het feit dat onze organisten van opschieten weten.
Voor gasten is het soms even aanpassen en soms zie je wel eens iemand met een verhoogde kleur amechtig voor zich uit blazen, maar ach de stoeIen zitten goed en er is tijd genoeg om bij te komen.

Voor ons is het, als we in een andere kerk komen, ook wel even opletten dat we niet van start gaan op de ons vertrouwde manier. Tijdens een familiebezoek in Zeeland, waar we samen met zwager en schoonzusje naar hun kerk gingen, zetten we argeloos in en merkten aan het eind van de regel dat de gemeente aan het derde woord begon.

Nu weten ze daar in Zeeland wel weg mee. Ze laten zich niet opjagen en zingen onverdroten verder en daar hebben ze groot gelijk in.

Toen ik dan ook in de kerstvakantie een boek las: 'Ons Zeeuwsch verleden', geschreven door A.M. Wessels, heb ik me, met een gevoel van herkenning, bijzonder geamuseerd.

De volgende anekdote wil ik u niet onthouden: Omstreeks 1750, toen in de vaderlandse kerken de psalmen van Datheen werden gezongen en men bezig was aan een nieuwe berijming, werd er hier en daar wonderlijk gezongen.
Josua van Ieperen, de predikant van Vere, heeft in zijn boek 'Historie van het kerkgezang' over: de noten uitrekken, kauwen en de noten doen dwarrelen.
En vooral ... langzaam. Men nam de tijd.

Om dit tegen te gaan stelde men voor om de eerste en de laatste noot van een regel lang aan te houden en de rest kort. (Probeert u het maar eens ...
een heel vreemd effect) In verschillende kerken vond deze methode een warm onthaal en de burgemeester van Axel, die dit hoorde, vond het ook wel iets voor zijn stad.
Gemeentezang was een zaak waar de vroedschap zich nijver mee bemoeide en de kerke raad was vlug voor het plan gewonnen. De voorzanger, want in die tijd had men nog geen orgel, werd ingelicht en gesommeerd zich stipt aan de nieuwe manier van zingen te houden.
De Axelse predikant kondigde een paar weken van te voren aan welke psalmen er zouden worden gezongen, dan konden de gemeenteleden van te voren thuis wat oefenen. 't Zou best gaan in Axel, was het oordeel van Dominee en kerkeraad.
Maar ze hadden het mis. Een kern in de gemeente trok zich van de korte zangwijze niets aan en toen de dominee vol verwachting de eerste psalm had opgegeven, maakte men zich breed en zong langzaam en plezierig slepend.
De voorzanger, die in de helft van de tijd aan het eind gekomen was, moest transpirerend en ongelukkig de strijd opgeven. Het geheel klonk niet bepaald stichtelijk. De predikant kon niet beginnen voor de gemeente de laatste galm had gegeven en hij was razend.

Onmiddellijk na de zondag kwamen vroedschap, predikant en kerkeraad bij elkaar en de zondag daarop kwam van de kansel de boodschap, dat de kerkleden niet gevraagd maar bevolen werd korter te zingen.
Wie dit niet deed en later klaar was dan de voorzanger, moest voor zijn zanglust boeten met twintig gulden en bij herhaling, met een dubbele boete.

Om de zaak goed aan te pakken, werden er tussen de kerkbanken gerechtsdienaars opgesteld, om op te letten en dadelijk bij de hand te zijn. De dienstbode van de predikant zou van haar plaats af, de onwillige schapen van de kudde in het oog houden.
"Als dit niet helpt, helpt niets", dachten predikant en magistraten. De dominee gaf op psalm 119:3 'Ach ...
Schonk Gij mij de hulp van Uwe Geest. ...
Helaas, terwijl een deel van de gemeente - de bedreiging met boete had gehOlpen - klaar was met het vers, klonk het tergend langzaam door de kerk: Wanneer ik steeds opmerkend waar geweest/ hoe Uw geboon mij tot Uw liefde wekken ...

Onmiddellijk klonk het dreigend van de kansel: "Kaatje, wie is het die daar nazingt..." en nadat Kaatje op luide toon de naam van de overtreder had genoemd, vonniste de leraar dadelijk: "Dat kost je twintig gulden boete man, zonder pardon! Wacht je voor de volgende maal".
De Baljuw kende geen genade en de Axelse zanger moest zijn tientje per regel betalen.

Zo'n boete zou iets voor onze gemeente zijn. Arme gasten. Ze zouden het afleggen en nog twintig gulden toe moeten geven ook. Maar onze penningmeester zou er vast zijn zegen wel aan geven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief