Spel en identiteit
1991-01-18
In vroeger tijden bestonden er geen kinderen zoals we die nu kunnen zien: kinderen waren kleine volwassenen, gekleed als volwassenen. Hoewel minder sterk en zonder macht waren ze meewerkend en daarom ook belangrijk deel van het gezin en met het gezin deel van de kerk en de samenleving.- Jaargang 35
- nummer 2
Ieders plaats geordend binnen de structuur van instituties. Zelfs de dorpsgek had daarin een duidelijke plaats. De normen kwamen van bovenaf en waren voor de meesten buiten discussie.
Als we identiteit mogen zien als het complex van relaties die een mens met zijn omgeving heeft en de op de duur vastgevormde manieren om in die relaties te leven, dan mogen we veronderstellen dat identiteit voor de meeste kinderen die tijd geen probleem was.
Identiteit is niet iets wat iemand heeft op zichzelf. Identiteit is wàt iemand is in de relaties met zijn omgeving. Sommige mensen vragen zich voortdurend af hoe de mensen wel over hen denken en zijn bijna geheel afhankelijk van het oordeel van de mensen in hun omgeving. Anderen zijn zo zeker van hun vastgegroeide manieren van omgaan met de mensen om hen heen, dat ze zich verbeelden niet afhankelijk te zijn van anderen. De eersten hebben een wankele identiteit, de laatsten voelen zich sterk.
In een samenleving waar jongeren niet een vanzelfsprekende plaats hebben in hun omgeving hebben de jongeren ook geen vanzelfsprekende identiteit.
Voor een christen zou kerk en identiteit vast met elkaar verbonden moeten zijn. Je bent als christen deel van het lichaam van Christus, de kerk.
Triest genoeg blijken, in toenemende mate, velen een kloof te ervaren tussen hun identiteit en de kerk. Met als gevolg dat zij bij het opgroeien, de kerk de rug toekeren. Anderen voelen zich erbij hangen en weer anderen zoeken de gemeenschap der heiligen te beleven in minder 'officiële' groeperingen.
Weer anderen stellen zich buiten de kerk en voelen zich lid van de 'onzichtbare' kerk.
Blijkbaar klopt er iets niet bij de ingroei, de hechting van onze kinderen, ondanks alle pogingen die de kerk onderneemt. Wat speelt nu een rol, dat het jongeren niet lukt goed in te spelen?
Verschillende werelden
Onze samenleving, maar zeker ook ons opvoedingssysteem is er voor een groot deel de oorzaak van dat het voor kinderen moeilijk is zich steeds gehecht, zich verbonden, te voelen.
De 'soevereiniteit in eigen kring' van het gezin, de school, de kerk, de maatschappelijke instituties en de staat plaatsen het kind steeds in aparte wereldjes. In de wereldjes die volwassenen belangrijk vinden spelen zij een essentiële rol. De volwassenen maken de dienst uit in het gezin, de school en de kerk, zij bepalen wie daarin een rol mag spelen en hoe het spel gespeeld moet worden, welke regels en normen er gelden. De rol van de kinderen daarin is een zeer ondergeschikte.
Daarnaast kent de hedendaagse opvoeding kinderen een groeiende zelfstandigheid toe, met een grotere ruimte die zijzelf kunnen vullen.
Vanaf ongeveer het negende jaar is voor kinderen de behoefte om zich te hechten aan de leeftijdsgenoten in spelactiviteiten de meest belangrijke betrokkenheid met de wereld. Deze hechting aan groepen bepaalt in hoge mate hun identiteit. Het is een soeverein wereldje van kinderen zelf, waarin zij zelf het spel en de spelregels bepalen. Bemoeien ouders zich ermee dan kan dat tot stiekem gedrag leiden, kinderen gaan dan een beetje verder van de ouders vandaan. Als kinderen ouders gelijk geven kan het zijn dat ze in de groep niet meer getolereerd worden of ze plaatsen zich er zelf buiten. Bemoeien vreemden zich ermee, dan gebeurt het niet zelden dat kinderen hen duidelijk vertellen dat zij niets met hen te maken hebben, of erger.
Vanzelfsprekend nemen kinderen normen en waarden mee van de volwassenen.
Hoe gezonder de opvoeding des te gezonder is het spelen van de kinderen. Het ligt er wel aan wat we onder gezond verstaan. Nogal wat is voor volwassenen wereldgelijkvormig en te mijden, terwijl kinderen daar anders over denken. Daarbij komt dat kinderen de behoefte hebben te experimenteren met normen en waarden.
Een principiële keuze
De volwassenen staan voor de keus: opgroeiende kinderen in de nu door de volwassenen gedomineerde kerk toe te laten en mee te laten spelen op hun manier met de bij hun leeftijd passende rollen óf de kinderen over te laten aan hun eigen wereld en aan 'de wereld' die met straat, disco, soos en kroeg wel de ruimte geeft aan de behoefte van de kinderen op hun wijze aansluiting bij leeftijdgenoten te beleven.
De tweede keuze betekent voor de kinderen een dubbel leven, waarbij het leven met de volwassenen weinig antwoord geeft op, en weinig ruimte laat voor de behoeften van de kinderen, en het spel samen met de volwassenen steeds minder aantrekking heeft.
Daarbij moet worden bedacht, wat ook te zien valt, dat de eigen wereld bij het ouder worden van de kinderen niet zomaar, en in teveel gevallen in het geheel niet, met de wereld van de volwassenen samenvloeit.
Achter de keuze van de ouderen schuilt een zeer principieel verschil van denken.
Volwassen christenen hebben behoefte aan aansluiting met de medechristenen, het beleven van de gemeenschap der heiligen in de kerk. In de loop der jaren is daaruit de orde van dienst gegroeid, volkomen verantwoord naar het oordeel van verbaal verstandelijke volwassenen. Afgezien van de vele volwassenen die zich daar koud en alleen bij voelen, begrijpen we dat kinderen daarin niet best passen en verzorgen voor hen nevendiensten, maar plaatsen hen daarmee wel buiten de eredienst, buitenspel. Terwijl voor hen het spelen voor Gods aangezicht van veel groter toekomstbelang is dan voor de volwassenen. Daar waar de ouderen 'zijn', moeten de kinderen nog komen.
Als een baby geboren wordt draait het gezinsleven om de baby; zo zou het leven van de gemeenschap der heiligen moeten draaien om het fysiek, gevoelsmatig, sociaal en religieus thuis voelen van de kinderen.
Onze Vader heeft de mens geschapen met deze behoeften en de ouderen moeten zorgen dat deze behoeften een aansluiting vinden in een verantwoorde omgeving. Niet in een aparte wereld, zeker niet helemaal buiten de kerkelijke gemeenschapsbeleving.
Het essentiële van het gevoel is dat je je samen voelt, het essentiële van het sociale is dat je spontaan samen met anderen bezig kan zijn. Verplicht samen voelen, verplicht sociaal doen bestaat niet, het is dan slechts schijn.
Jongeren zoeken elkaar, motiveren elkaar of kunnen door ouderen gemotiveerd worden tot spontaan bezig zijn.
Een koor dat ongemotiveerd, met lange gezichten en afgezakte schouders een lied zingt heeft voor de leden geen gevoelswaarde, geen sociale maar ook geen religieuze waarde.
Belevingswereld van jongeren
Waarom zingen vele jongeren, als ze nog zingen, wél de top 10, maar geen kerkelijk lied? Het past niet binnen de ontwikkelde jongerencultuur. Wat ze ooit gezongen hebben op school waren verplichte nummers die de belevingswereld van de volwassenen weerspiegelen. Hun identiteit bepaald door het samen-zijn met leeftijdgenoten in hun eigen wereldje, staat op het spoor van de top 10 en niet op het spoor van het kerklied. Voor andere keuzemogelijkheid zijn ze nooit gesteld: Of je betrokken weten op, en behoefte beantwoord te krijgen bij je leeftijdgenoten van de top 10, of erbuiten vallen.
Het gevoel er bij te horen
Daar waar de volwassenen geen antwoord geven op behoeften, vormen jongeren hun eigen groepen die antwoord geven op hun lichamelijke, gevoelsmatige, verbale behoeften.
Daarin gelden normen die ze afkijken van hun wijde omgeving en waar ze op hun eigen wijze mee omgaan.
Er zijn in deze groepjes jongens die in de rangorde bovenaan staan, deze zorgen ervoor dat de normen gehandhaafd worden. De jongens die zich daar best bij thuis voelen doen actief mee. Jongeren die zich er niet bij thuisvoelen of door de anderen niet geaccepteerd worden hangen er wat bij.
Het gevoel ergens bij te horen is voor ieder kind belangrijk. Kinderen hebben daar veel voor over. Ze zijn geneigd normen van ouders over boord te zetten om toch maar bij een groep te mogen behoren. Veel keus aan groepen hebben kinderen veelal niet, ze zijn afhankelijk van beschikbare groepen of jongens waarmee ze zelf een groepje kunnen vormen. Bijhangers kunnen andere jongeren, of een andere groep zoeken waar ze wel een plaats krijgen, of erbij blijven hangen zonder zich erg gelukkig te voelen.
Ouders denken wel dat het voldoende is om lief en goed te zijn voor hun kinderen, hen te verplichten naar een school, de kerk en jeugdvereniging te gaan, en dat daarmee hun taak is afgelopen.
Dat het overige maar aan de kinderen zelf moet worden overgelaten, hen hoogstens verbiedend ergens naar toe te gaan of laat thuis te komen.
Omdat het behoren bij spontane groepen zo wezenlijk is voor kinderen vanaf negen jaar, en hun identiteit daardoor sterk wordt bepaald, en omdat de ouders zo graag zien dat in toenemende mate hechting aan de kerkelijke gemeenschap ontstaat, zouden de ouderen in hun organisaties ruimte moeten bieden waarbinnen 'kinderen van de kerk' spontaan, gemotiveerd actief kunnen zijn. Niet een stel maar allen. Eo voor zover het niet lukt om kinderen te motiveren moeten we ervan uitgaan dat we niet aansluiten op de in die kinderen levende behoeften, of dat we de jeugd niet in voldoende mate hebben geleerd in liefde met elkaar te leven.
Identiteit groeit
Waarom kiezen velen van ons christelijk onderwijs? Niet omdat er christelijk rekenen bestaat, niet omdat de vlag van de school op zich van belang is, maar omdat kinderen moeten worden gemotiveerd samen in liefde tot God en de groepsgenoten te leven en hun talenten in het leven als christen te gebruiken.
Er bestaat ook geen gereformeerd dansen, rock of drankgebruik; kinderen zullen moeten leren dat gezamenlijke lichaamsbeleving, dansend en zingend, zinvol tot de identiteit van het christen-zijn bijdraagt. Maar leren betekent, als bij rekenen: fouten maken, slechte prestaties, vallen en opstaan, ruimte om te oefenen en te schuifelen op manieren die wij ouderen op z'n zachtst gezegd 'vreemd' vinden. De ouderen zullen moeten vertrouwen op hetgeen vroeger door de opvoeding in het kind aan beheersing is gegroeid. En als de ouderen de kinderen vóór het negende jaar geholpen hebben zich te beheersen, mógen ze ook op God de Vader vertrouwen.
De wijze waarop de gereformeerden activiteiten organiseren verschilt niet zoveel van de manier van kinderen.
Wij kunnen op 'volwassener manier' onze behoeften beantwoord krijgen, of doen bepaalde behoeften tekort waarmee we soms onze gezondheid schaden, Goed nadenkend is al hetgeen voor ons geldt met betrekking tot groepsvorming en de behoefte erbij te behoren, ons in een kerk en vereniging thuis te voelen, even sterk op de jongeren van toepassing. Het zou ons ertoe moeten brengen meer 'open' te staan voor de behoeften van de jo~geren, zeker in onze eredienst.
Misschien groeit er dan spelend wel eens een andere gereformeerde identiteit en een andere, een eigentijdse kerk.