Boekbespreking

1991-01-18
  • Jaargang 35
  • nummer 2
J. Meulink, Enschede

Voor het preken de kerk uit?
Pleidooi en handreiking voor het verbeeldend preken met kinderen en volwassenen samen.
Wim Jansen. Uitg. Boekencentrum Den Haag. 1989. prijs 23,90. 128 blz.

"De kerkdienst moet een thuis zijn voor iedereen, voor ziek en gezond, voor rijk en arm, voor kind en volwassene."
Aldus Jansen in de inleiding in dit boek. We zijn er echter al achtergekomen, zo constateert hij, dat de kerkdienst niet bepaald kind-vriendelijk was (is). Daar is echter, volgens hem, al veel ten goede veranderd, met name het liturgisch gedeelte buiten de preek om. Wat de preek betreft, wisten we geen andere oplossing dan de kinderen af te zonderen van de gemeente, met in het beste geval een gesprekje of verhaal over de preek ...
De schr. wil echter aantonen, dat je de preek wel zo veranderen kunt, dat ook kinderen zich daardoor aangesproken weten, zonder dat de ouders het gevoel krijgen dat er niet meer met hen gerekend wordt. Hoe kun je de preek kind-vriendel ijk inkleden?
Op deze vragen tracht Jansen een antwoord te geven.
In het 1e gedeelte, geeft hij een verkenning van de in de loop der jaren ontstane situatie en overweging van de bijbels-theologische gedachten, die aan de practische uitwerking ten grondslag liggen.
In deel 2 volgt de practische uitwerking: welke risico's lopen we?, methodiek en vormen, voorbeeldpreken en ideeën.
Jansen pleit ervoor, dat de kinderen (en dan denkt hij van kinderen van 4-12 jaar) vanaf het begin tot het eind aanwezig zullen zijn. Hij is er daarom allerminst gelukkig mee, dat men naar andere oplossingen gezocht heeft.
In de Ned. Herv. Kerk is men via de zondagschool gekomen tot kinderdiensten.
De Geref. Kerken waren niet minder 'grote mensenkerk' , maar men hield de kinderen er gewoon bij. Toen men in de jaren 50/60 ontdekte, dat de preek onmogelijk was voor kinderen, ging men over tot de zgn. kindernevendienst.
De schrijver heeft ernstig bezwaar tegen de kindernevendienst, want daarmee wordt voetstoots aangenomen, dat preken een aangelegenheid voor volwassenen is. De voorganger behoeft helemaal geen moeite meer te doen om te spreken in een voor kinderen verstaanbare taal. Daardoor wordt de vervreemding in de hand gewerkt.
Preek en kindernevendienst functioneren in de praktijk vaak geïsoleerd van elkaar.
Een kind mag in het midden staan. Hij verwijst daarvoor naar de plaats van het kind in de joodse geloofsgemeenschap in het Oude Testament. Daar stoten we al gauw op het thema van het vragende kind. Tijdens de Seder van Pasen, die met alle generaties gevierd wordt, vraagt de jongste: "Waarom is deze nacht anders dan alle nachten?" Ook bij het oprichten van gedenktekenen staat het vragende kind centraal. Het Oude Testament geeft tal van voorbeelden van dat vragende kind.
De preek, zo meent hij, is het terrein waar het kind zeker in het midden geplaatst dient te worden.
De gemeente is een thuis voor klein en groot. Wanneer tijdens de preek kind en volwassene uiteengaan in kindernevendienst en 'preek voor grote mensen' dan wordt de gemeenschap verbroken.
Jansen begrijpt, dat de preekdienst dan ook veel meer op de kinderen toegespitst moet zijn. Daarvoor is o.m.
nodig, dat kinderen in de dienst iets te doen hebben, iets te zeggen hebben, iets te zien hebben en iets te lachen hebben. Het Woord in de preek mag ook niet louter verbaal en begripsmatig zijn, maar het mag concreet worden verbeeld, zodat de preek tot een visueel gebeuren mag worden, waarin ruimte is voor symbolen en spel.
De schrijver laat door een aantal praetische voorbeelden zien, hoe dat zal dienen plaats te vinden.
Het boek van Jansen kan ons goede diensten bewijzen, met name om de kerkdiensten beter toegankelijk te maken voor kinderen. Ik ben het ook met hem eens, dat de kerkdienst in beginsel een bijeenkomst moet zijn voor heel de gemeente. Maar de vraag is toch bij mij gerezen, of hij niet naar het onmogelijke streeft. Jansen heeft het over het kind, maar ziet hij niet over het hoofd, dat het kind niet bestaat?
Je kunt alle kinderen niet over één kam scheren. Wat betreft de kinderen van 12 jaar en ouder lijkt het me verstandig geen aparte bijeenkomsten te organiseren. Maar ook met jongeren ouder dan 12 jaar moet in de preek gerekend worden. Voor hen is de doorsnee preek niet erg pakkend.
Mijn vader beweerde vroeger, dat hij trachtte te preken voor kinderen van 12 jaar. Dan was er een kans dat de ouderlingen de preek ook zouden begrijpen. Ik laat in het midden of het altijd gelukte, maar hij probeerde het tenminste. Het is ook jammer, dat ouderen zich hierin ook vaak moeilijk bij jongeren kunnen aanpassen. Ik herinner mij, dat ds. Vonk in Enschede eens een kostelijke preek hield, die hij erg eenvoudig gehouden had. De reactie van een ouderling was: dat was geen preek, want zelfs een kind kon het begrijpen. Hij had niet beseft hoe moeilijk het is een dergelijke preek te houden.
In feite is het, naar mijn opvatting, niet mogelijk altijd preken te houden, die geschikt zijn voor mensen van 4 tot 80 jaar. Men kan dat wel als ideaal stellen, maar het lijkt me niet een haalbare zaak.
Ik geloof ook niet, dat de preken zoals Jansen zich voorstelt, de allerkleinste kinderen bereiken zal.
Zijn geschrift kan echter goede diensten bewijzen als handreiking voor het vraagstuk preek en kinderen.


M. de Jonge, Voorburg

De kerkorde
H. Bouma, De kerkorde, regel voor vrede in de kerk

Het gaat in dit boekje van 70 bladz. over de regering van de kerk, een toelichting op de kerkorde, zoals die voorkomt in het kerkboek van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt). "Ook in de kerk moet de ongebondenheid van de mensen worden bedwongen, zodat ook in haar alles betamelijk en in goede orde geschiedt" (5). God wil vrede en deze brengt ook orde mee.
Vrede vergt dat men met elkaar in de pas blijft bij de dienst van de Here.
Dáár is een vaste orde voor nodig (6).

De kerk (en de schrijver bedoelt daarmee vrijwel steeds de plaatselijke gemeente) duidt hij met 'Gods nieuwe verbondsvolk'; hij laat zien hoe de hoge positie van de gemeente in de Schriften onder verschillende namen voorkomt: lichaam van Christus, kudde van de goede Herder, huis van Christus en van God, een geestelijk huis, geregeerd door God. Deze geeft haar ambtsdragers. Daarover maakt ds.
Bouma goede, schriftuurlijke opmerkingen.
Maar dan gaat hij verder en zegt dat de ambtsdragers voor de regering van de gemeente kerkordelijke regels ontvangen, of ze nu bezig zijn in kerkeraadswerk of wel in meerdere vergaderingen. (11).

We komen met het nagaan van wat de regeertaak inhoudt in de buurt van het boekje van prof. Deddens, besproken in het nummer van 6 juli jl. en merken dan direct duidelijke verschillen tussen de twee publicaties:
• prof. Deddens is vooral pastoraal bezig, laat de taken van de ambtsdragers zien vanuit de Schriften, zoals de bevestigingsformulieren daarin voorgaan;
• ds. Bouma zet werkterrein en taken (in hoofdzaak) organisatorisch uiteen, laat zien dat en welke regels de kerkorde stelt.
Deze kerkorde nu is - zegt laatstgenoemde - 'in gemeenschappelijk overleg vastgesteld en in eensgezindheid aanvaard.
Daarom (en ik cursiveer) moeten de kerken zich er in de practijk van het kerkelijk leven aan houden en zich dienovereenkomstig gedragen, d.i. bij overtreding van de regels in actie komen (9). Kijkend in onze richting komen de volgende woorden uit zijn pen: "Het 'Korintisch kwaad' van het individualisme, ook van ambtsindividualisme of van kerkeraadsindividualisme mag in de kerken geen ingang vinden. Deze regel geldt vandaag nog" (39). Even verder komt het kwaad van het independentisme ter sprake, evenzeer af te wijzen. "De eenmaal ingestelde kerkorde moet zo worden gehandhaafd, dat daardoor het lichaam van de kerk in stand blijft" (70).

Je bemerkt hier niet alleen een andere 'toon' dan die door prof. Deddens is aangeslagen, ook een heel ander levensklimaat dan uitkomt in ons 'Accoord van kerkelijk samenleven'. De daarin opgenomen 'Verklaring' ademt een andere geest dan het geschrift van ds. Bouma.
Nu is het zonder meer duidelijk dat hij - met ons - in de regering der kerk naar Boven ziet, naar onze verhoogde Heiland. Die stelt ook regels, maar dan toch van een andere aard.
Hij heeft zijn apostel Paulus in de brief aan de Galaten doen schrijven over de vruchteloosheid van de wet en de vrijheid van het Evangelie (zie 4:1-11 en 5:1-12). Hij legt geen nadruk op de letter van de regels, doch op het strijden van de goede strijd (1 Tim. 3:15 en 6:12). Hij zegt dat we geen kinderen meer zijn en dat we in de kracht van de Heilige Geest in de (kerkelijke) wereld staande kunnen blijven.

Bij alle waardering voor het vele goede dat het boekje geeft, blijft veel reserve. Laten we beducht zijn voor een functioneren van een kerkorde als pijler en grondslag van de Waarheid.

Het boekje is uitgekomen als nr. 8 van de serie 'Woord en wereld' bij de gelijknamige uitgeverij, postbus 195, 3850 AD te Ermelo en kost f 13,95. Bij een abonnement op de gehele serie geldt een gereduceerde prijs van f 10,-. Het kan ook via de boekhandel besteld worden.

Bijzonder hinderlijk is dat een inhoudsopgave ontbreekt, waarmee je je kunt oriënteren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief