De zuiverheid van de leer

1991-02-01
  • Jaargang 35
  • nummer 3
Vorige maal zagen we dat in de gesprekken met onze zusterkerken in Zuid Afrika door hen de handhaving van de zuiverheid van de leer in onze kerken aan de orde is gesteld. Het is zonder nader betoog duidelijk dat de leer van levensbelang is in Christus' kerk.
"Neem tot voorbeeld de gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in het geloof en de liefde die in Christus Jezus is. Bewaardoor de heilige Geest, die in ons woont, het goede dat u is toevertrouwd", lezen we in 1 Tim. 1:13/4.

Uit de geschiedenis van de kerk blijkt dat deze woorden van Paulus een blijvende actualiteit hebben. In verschillende brieven is de apostel zelf in het geweer tegen de leer van de Judaïsten, die zich verzetten tegen de boodschap van Gods vrije genade in Christus.
Het kan in de strijd om de ware leer hard toegaan, zoals blijkt uit de woorden van de apostel in Galaten 5:12: "zij moesten zich maar laten snijden, die u verontrusten". In de brieven aan de zeven gemeenten in Klein Azië roept de verhoogde Heiland eveneens op om alle dwaalleer te verwerpen met name die van de Nicolaïeten en zegt Hij dat Hij hun werken haat.
(Openb. 2 vers 6) Het moet ons niet verwonderen dat er in alle tijden verzet is tegen het evangelie, want het is de Joden een aanstoot en de Grieken een ergernis.

In de kerk van de eerste eeuwen zien we dat de vermaning van onze Heiland is ter harte genomen en er gezocht wordt naar de beveiliging van de leer van de Schriften.
Eerst nodig was daarbij dat duidelijk werd welke boeken en brieven van het Nieuwe Testament, naast het Oude Testament als kanoniek werden aanvaard.
Maar aangezien "elke ketter zijn letter heeft" moest er ook klaarheid komen over de leer van de Schriften en dit had ten gevolg dat die leer uitdrukking vond in belijdenisgeschriften.
Er is in de loop van de eeuwen heel wat gestreden over de leer van de kerk.
Het is niet moeilijk daarin een aantal ontsporingen aan te wijzen, niet alleen in de jaren 1944/45 en 1967.
Het is daarom niet zo verwonderlijk dat de leus 'Niet de leer, maar de Heer' werd aangeheven en anderen het 'christelijk leven' voorrang wilden geven, maar dit nlfemt niet weg dat we geroepen zijn de goede strijd om de waarheid van Gods ontferming en genade te blijven strijden. Daarbij moeten we lering trekken uit de ongelukken die we hebben meegemaakt en die soms diep hebben ingegrepen, zo diep dat de wonden nog niet genezen zijn.

Onze kerken hebben als gereformeerde kerken in ons land, de inhoud van ons geloof, uitgedrukt in de drie formulieren van enigheid, aanvaard.
In de pré-ambule van ons kerkelijk accoord is dit duidelijk uitgesproken.
Deze belijdenis hebben we samen met allen in ons land die zich gereformeerd noemen.
De dienaren van het Woord in de kerken zijn geroepen om in hun prediking zich te houden aan de leer die we gezamenlijk hebben aangenomen.
De geschiedenis van de gereformeerde kerken in ons land laat zien dat aanvankelijk een mondelinge instemming met de belijdenis voor dienaren voldoende werd geacht, maar al in 1571vroeg de synode van Embden een schriftelijke verklaring.
Na de strijd van Remonstranten en Contra Remonstranten achtte de synode van Dordrecht het nodig een ondertekeningsformulier voor alle kerken op te stellen.
In dit formulier verklaren de dienaren van het Woord dat zij gevoelen en geloven dat alle artikelen en stukken van de leer in alles met Gods Woord overeenkomen en beloven zij wanneer zij enig bedenken of ander gevoelen krijgen, dit niet te drijven, maar daarover met de kerkeraad, classis of synode te spreken en bereid te zijn zich aan een examen te onderwerpen.
Uit deze summiere weergave van het formulier is duidelijk dat door de synode nadrukkelijk gebonden is aan de leer in de drie formulieren van enigheid.
Overigens waarschuwde diezelfde synode tegen verdachtmaking van rechtzinnige leraars.

Er is in de 19e eeuw in ons land een lange strijd gevoerd rond de binding aan de belijdenis, omdat er practisch leervrijheid was en we weten hoe de kerken van de Afscheiding en de Doleantie de binding aan de Schrift en de belijdenis hebben hersteld.
Nu is er niet alleen buiten onze kerken, maar ook onder ons onzekerheid over het functioneren van het ondertekeningsformulier.
Ds. De Jong vermoedt dat we dit uit een zekere verlegenheid hebben ingeslikt en is daar niet treurig om. In een 'bevindelijk' betoog verhaalt hij ons van zijn moeite er mee in de strijd van de jaren 1964 e.v.
Voordat ik ook eens 'bevindelijk' ga spreken moet ik een aanvulling geven op wat ds. De Jong schrijft over de proponentsformule, die door de landelijke vergadering van Wezep in 1978/9 is opgesteld.
In Opbouw van 7 december pg 439 wordt de formule niet in haar geheel weergegeven, alleen het tweede deel.
Het lijkt me verstandig ook het eerste deel door te geven: "Wij ... verklaren: dat wij de Heilige Schrift aanvaarden als het onfeilbare, geïnspireerde Woord van God en als enige regel voor geloof en leven ".

Het is opmerkelijk hoe ervaringen kunnen verschillen. Indertijd diende op de classis Haarlem het voorstel van de kerk van Beverwijk om ds. Van der Kwast op de e.v. classisvergadering niet te ontvangen vanwege zijn ondertekening van de Open Brief.
In mijn verweer heb ik een beroep gedaan op het ondertekeningsformulier en mij bereid verklaard een examen te ondergaan, opdat duidelijk zou worden of de beschuldigingen van afwijking en probleemstelling van de belijdenis terecht waren.
Het formulier is er ook om rechtzinnige leraars te beschermen. Het is niet tot een examen gekomen en de afgevaardigden van Beverwijk verlieten de classisvergadering waar ik was toegelaten, omdat die door mijn aanwezigheid niet meer gereformeerd was!
Zo kan de één het spaans benauwd hebben, terwijl een ander bescherming zoekt bij hetzelfde formulier. Dit formulier is overigens niet verdwenen.

Ds. De Jong heeft gelijk wanneer hij schrijft dat in art. 17 van ons akkoord, dat de ondertekening van de drie formulieren voorschrijft, niet naar de bekende formule verwijst, maar hieruit moet niet te veel worden geconcludeerd, want ditzelfde artikel regelt de ondertekening van de formulieren voor proponenten en daarvoor is een formule vastgesteld in Wezep, die niet in art. 17 wordt vermeld.
Daarbij komt dat art. 17 van ons akkoord terug gaat op art. 53 van de Dordtse K.O. waarin ook de ondertekening van de belijdenis wordt voorgeschreven zonder verwijzing naar de bekende formule.
Het gebruik van het ondertekeningsformulier is niet in de tekst van de K.O.
vastgelegd, maar dat is ook niet nodig.
Na de buiten-verbandstelling heb ik in de regio's Amsterdam, Karnpen en Harderwijk de formule getekend. Ook ken ik een gemeente waarin ouderlingen en diakenen deze formule tekenen en dat lijkt me iets te veel van het goede. Het formulier functioneert dus.

Het is moeilijk een zaak te beoordelen en daarbij afstand te nemen van eigen ervaringen. De beveiliging van de zuiverheid van de leer is een goede zaak; het gaat om heil en zaligheid.
Daarbij moeten we proberen boven de ervaringen in de jaren 1967e.v. uit te komen en de strijd om de zuiverheid van de leer vooral niet vereenzelvigen met wat in die jaren is geschied.
In Zuid Afrika constateerden de broeders bij ons een overreactie en zij kunnen daarin wel eens gelijk hebben.
Daarbij komt dan nog dat de binding aan de leer in de drie formulieren niet alleen onze kerken aangaat. maar ook anderen en met name de broeders en zusters in de Hervormde kerk die met Groen van Prinsterer over een ondubbelzinnige en onbekrompen binding spreken.

Een volgende keer hopen we nog iets nader op de zaak in te gaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief