Schrift en natuur

1991-02-01
  • Jaargang 35
  • nummer 3
Als u ons vorig artikel hebt gelezenhet was natuurlijk voor Driekoningen bedoeld - zijn er stellig wat vraagtekens bij u blijven hangen. Bijvoorbeeld: de schriftgeleerden van Jerusalem, die Micha citeerden, kregen de Vredevorst niet te zien - omdat ze de Schriften zo goed kenden? En: de wijzen uit Babel, die hun kennis uit de sterren hadden gelezen, hebben het Kindeke wél gezien - toch niet omdat ze astrologen waren?

Zo simpel ligt het natuurlijk niet. Laten we trachten de antwoorden te vinden.
Om het kort te formuleren: de schriftgeleerden geloofden wat Micha voorzegd had, maar ze handelden er niet naar. De Wijzen wisten wat de sterren vertelden, geloofden bovendien wat de Schrift hun verder zei, en handelden hiernaar. Zo werden ze tot hun doel gebracht. Want geloven is een heel ding - maar geloven en handelen is beter. Zo is het toch?

Geloven
AI vroeg leerden we dat er veel soorten geloof bestaan: een tijdgeloof, een wondergeloof, veel bijgeloven en zo voort. Zelfs een zaligmakend geloof!
Ook dat is het beste niet, zo leerden we nader, want zaligmaken doet alleen onze Heiland; het geloof is slechts de hand, die de zaligheid aanneemt.

Onze vaderen zeiden: "geloven is zeker weten, wat God ons beloofd heeft". En ze zeiden ook: dat wij God de Heere kennen uit de Schrift en uit de natuur, art. 2 NGB.

Welk soort geloof hadden de schriftgeleerden nu? Die kenden de eeuwenoude wijsheid van hun voorgangers, welke Micha uit het hoofd citeerden, wisten dat Micha een tijdgenoot van Jesaja was geweest en dat hij enkele verdwaalde zinnen over de Messias had opgetekend. Maar deze kennis bleef verstandelijke theorie, waarmee niet gewerkt werd: bij de landvoogd ontboden gaven zij immers prompt het juiste antwoord, maar gingen toen over tot de orde van de dag.

En welk soort geloof hadden de Wijzen dan wel? Die kenden de eeuwenoude wijsheid van de Chaldese astrologen: dat de sterren niet liegen. Zoals wij vertrouwen dat na de komende nacht een nieuwe dag aanbreekt; dat onweerswolken zwaar weer aankondigen.
Bij dat weten en vertrouwen is de reserve inbegrepen: dat het onweer kan voorbijgaan en dat de nieuwe dag eenmaal niet een gewone werk- of rustdag, maar de dag van de Mensenzoon zal zijn. Zo wisten de Wijzen uit de sterren dat er een koningskind was geboren in Israël. Maar hun kennis, uit de sterren afgeleid, was onvolkomen.
Want wat "het uitspansel ook verkondigt"
en wat "hun woordloze prediking ook over de ganse aarde" leert - "de wet des Heeren is volmaakt", zegt psalm 19.

Zo was de kennis van de Wijzen wel terecht, maar slechts 'ten dele'. Ze verstonden de taal der sterren, maar kwamen er niet uit zonder Micha, zonder de sprekende God. Maar hun vertrouwen was beschamend voor de schriftgeleerden: ze maakten de tocht van plm. 1200 km langs de bronnen van de Eufraat, door het bergland van Irak en Syrië, dan zuidwaarts naar Jerusalem. En terug.

Maar de schriftgeleerden namen de moeite niet, mee te gaan naar Bethlehem.
Als ze een tikkeltje meer 'spiritueel' waren geweest, iets meer open gestaan hadden voor de God die wonderen werkt... ze zouden gedeeld hebben in de zeer grote vreugde van de Wijzen uit het oosten!

De wijzen kregen dus geen premie op hun astrologie, maar wel werd hun door de natuur, door de schepping, door de grote Schepper aller dingen, de weg naar Bethlehem gewezen.

Want de sterren spreken
Job - we zeiden het al - sprak van sterrebeelden, die men alleen vindt wanneer men bekend is met de astronomie (de naamgeving van sterren) en de astrologie (de leer van de betekenis der sterren). In 9: 9 zegt Job tegen Bildad: "God maakt de Beer en de Orion, de Pleiaden en de Kamers van het Zuiden". En in 38: 32,33 vraagt God retorisch aan Job: "doet gij de tekens van de Dierenriem te rechter tijd opgaan, en bestuurt gij de Beer en zijn jongen? Kent gij de inzettingen des hemels, bepaalt gij zijn heerschappij over de aarde?"

Die astrologie (het verstaan van de taal der sterren) is al heel oud. In zijn huidige vorm dateert deze van 2800 jaar geleden, maar vrijwel alle oude beschavingen kenden de Dierenriem: de gordel van 12 tekens, elk van 30 graden langs de hemelboog, langs de weg die de zon in zijn omwenteling passeert. Die tekens zijn niet met het blote oog of met een kijker aan de hemel te herkennen; slechts enkele sterren geven een vage aanduiding, zoals u met wat goede wil uit enkele in W-vorm geplaatste sterren een weegschaal zou kunnen opmaken. (Maar dat teken behoort eigenlijk niet eens tot de oorspronkelijke Dierenriem, is er later in opgenomen.)

Als Job leefde voor Abraham, of althans tijdens de aartsvaders, was dat al veel langer dan 2800 jaar geleden.
Onder Israël leefde de overtuiging, dat de 12 'banieren' of tekens voor de 12 stammen (zie Num. 1 en 2) parallel liepen met de tekens van de Dierenriem; we laten dat even in het midden, maar merken op dat aan Juda het symbool van de leeuw werd toebedeeld, zowel in de zegen van Jacob als in de profeten. Oude Joodse Schriftgeleerden (Philo JudaeiJs in de 1e eeuwen Aben Ezra in de 12e eeuw) gingen hier eveneens van uit: de twaalf stammen zijn getekend door de tekens van de Dierenriem.

Dat de kennis van sterren en hun betekenis voor het beheersen van de aarde oud is, blijkt uit Genesis, waar over hun heerschappij gesproken wordt; uit het feit dat in Numeri 2 (:3, 10, 18,25) het kompas bekend was; uit het boek Henoch, dat de omlooptijd van de zon tot in gedeelten van dagen kende.

Waar zit dan de zonde?
Die zonde zetelt in mensenharten, uiteraard; niet in de sprekende sterren.
Het is de bekende zonde, dat de mens het schepsel in de plaats van de Schepper als god aanbidt. In dat aanbidden, zich onderwerpen, restloos vereren, schuilt de zonde, die de heilige God jaloers maakt, zodat Hij die zonde bezoekt tot in het derde en vierde geslacht van de zondaars, die de schepping misbruiken.

Stellig, ook de Schrift kan misbruikt worden; denk maar aan de verzoeking in de woestijn, waar de Satan probeerde de Heiland met huichelachtig gebruik van Schriftwoorden te onderwerpen.
Maar verreweg het grootst is het misbruik van de schepping: zowel in de afgodische verering van sommige Milieu-profeten, als in de vernielende vervuiling van achteloze 'cultuurdragers'.
En ellendig is het, wanneer de mens zich onderwerpt aan het gezag der sterren, om aan Gods gezag te ontkomen; als de mens zijn geluk verwacht van een waarzeggend steentje, een pendelt je, zijn dobbelstenen, amuletten, teneinde zegen af te dwingen. Streng verbiedt de Schrift het raadplegen van doden. En duivels is het om met bezwering demonen in dienst te nemen, teneinde onheil te berokkenen en wandaden uit te halen.

Deze dingen komen voor. We moeten nooit zeggen dat spoken niet bestaan; dat bezwering inbeelding en suggestie is; dat gedachten niet kunnen doden; dat dobbelen onschuldig zou zijn; dat toeval niet bestaat; dat spiritisme alleen voor ingewijden bestaat; onze christelijke inzet is nu juist tegen heel dit heidendom, dat van God vervloekt is.

Zondigen met astrologie
Wanneer de sterren spreken, Gods plan met deze wereld uitbeelden, is de verleiding groot, hier misbruik van te maken. Is kennis macht? Dan kan de astroloog, die voorwetenschap bezit, zijn medemens klein houden en zich zelf rijk maken. De vele tijdschriften die maand horoscopen bieden, bewijzen het dat hun lezers hierom zitten te springen. Of ze betrouwbaar zijn of niet, producten van grote vakkennis betekenen of gewoon boerenbedrog, talloze lezers hangen hun ziel en zaligheid hier aan op. Op die manier verliezen tallozen hun geloof aan de Heere, die de aarde schiep om mensen zalig te maken - en worden een willoos prooi van demonische magie.

Wij zijn niet geroepen de Wijzen uit het Oosten te oordelen. Zij oordelen ons.
Niemand zegt dat deze Wijzen van hun kennis ook magie hebben gemaakt - al was dat in Babel meer en meer gebruikelijk.
Maar déze Wijzen zijn door de Heer van hemel en aarde fors beloond: ze hebben zich verheugd met grote vreugde, en vernamen geen dreiging over de zonde tegen het derde gebod.

Maar die dreiging geldt wel ons, wanneer we het avontuur van het wandelen-aan-Gods-hand inruilen tegen de (meestal) onbetrouwbare voorzeggingen, die binnen ons bereik worden gebracht. Let maar eens op wat de Heere zegt tegen magiërs, die op hun kennis vertrouwden en anderen deden vertrouwen: in Jesaja 47: 10-13.Zulke 'wijzen' werden in hun eigen arglistigheid gevangen, zei Job (5: 13).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief