Dominees in dienst
1991-02-01
Een keer of zes bent u deelgenoot geweest van een stukje uit het leven van een krijgsmachtpredikant.- Jaargang 35
- nummer 3
leder van ons werkt in een andere omgeving en zo heeft ieders werk ook weer andere accenten en kanten.
In alle verschillen is er ook een overeenkomst: je gaat om met mensen, die aan je zorgen zijn toevertrouwd.
Soms gaan ontmoetingen tot op de vragen naar de zin van het leven, een andere keer zelfs tot op de vraag naar God.
Regelmatig ontmoet je verloren zonen en dochters van de kerk.
Mensen, die om welke reden dan ook niet meer in de kerk kwamen en ontheemd raakten.
De een omdat de taal van de kerk hem niet meer aansprak, de ander omdat er voor hem geen plaats meer was, omdat hij toch wat afweek van het gewone patroon.
Deze mensen zitten niet altijd te wachten op een dominee of aalmoezenier.
Maar als het dan toch tot een gesprek komt over deze dingen kan het opluchten dit verhaal kwijt te kunnen.
Je zou geestelijke verzorging in dit licht kunnen noemen: pastoraat in de voortuin van de kerk. Ik besef dat dit een weinig optimistisch gekleurd is, veelal zijn de mensen, die aan je zorg zijn toevertrouwd een paar straten verder weg dan de voortuin.
Beroepsmatig randkerkelijk
Voldoende reden om predikanten af te staan voor dit werk? Kerkeraden zitten er niet altijd om te springen om zo hun dominee kwijt te raken. Zeker niet als deze het 'goed doet' in de gemeente.
Per slot is het niet voor de zending.
Geen verwijt in die richting, maar een eenvoudig constateren.
Misschien dat er vanuit de geestelijke verzorging te weinig aan voorlichting is gedaan in de richting van de kerken.
Maar misschien nog meer omdat we in de kerken niet zo goed raad weten met dominees in dienst.
Over het algemeen is het werk, dat zij doen, anders dan de arbeid in de pastorie, in het midden van de gemeente.
In het werk van een geestelijk verzorger zit een andere beweging dan de richting die het werk van een gemeentepredikant kenmerkt. Een gemeentepredikant gaat m.i. vanuit het hart van het evangelie naar buiten toe. Hij start bij de bijbel en probeert het bijbelwoord bij mensen te krijgen, die daar van huis uit in meerdere of mindere mate ook affiniteit mee hebben. Hij leeft in het centrum van de kerk en werkt van daaruit naar buiten toe.
Een krijgsmachtpredikant staat in het grensgebied van kerk en samenlevingen en probeert met de mensen die buiten de kerk staan een weg te zoeken naar het hart van het evangelie, een weg naar God.
Daarbij wordt de zoeker niet bijvoorbaat veroordeeld, omdat hij zich buiten de kerk bevindt, of omdat hij afgedwaald is.
Geestelijke verzorging is dan ook iets anders dan evangelisatie.
KerkeUjk gezien
Toen ik uit de pastorie de krijgsmacht inging, kwam ik terecht in een totaal andere wereld. En ik denk dat dit met een ieder van ons zo is gegaan.
Ineens sta je net als ieder ander midden in de harde maatschappij.
Vanzelfsprekendheden van de gemeente zijn er niet meer.
En door de kontakten met de mensen word je gedwongen opnieuw je meningen te toetsen, om eerlijk te zijn tegenover het evangelie en ten opzichte van de mensen, die aan je zorgen zijn toevertrouwd.
Je kunt als geestelijk verzorger immers niet leven met een dubbele werkelijkheid.
Naar twee kanten toe moet je je kunnen verantwoorden. Misschien wel meer dan een ander.
Je wordt onder andere beoordeeld op wie je bent als mens onder de mensen en op zo'n moment kun je niet volstaan met een beroep op de bijbel.
In dit overgangsproces van gemeentepredikant naar krijgsmachtpredikant ben ik ook bezig geweest met de vraag, hoe de geestelijke verzorging in de krijgsmacht een plaats kan krijgen in de kerken.
Daarbij werd ik herinnerd aan het bevestigingsformulier voor diakenen, zoals dat in de Chr. Geref. kerken gebruikt wordt.
Daar komen twee zinsneden in voor die me nog steeds aanspreken bij het nadenken over ons werk: " ... (de diakenen) mogen de liefde van Christus zichtbaar maken door in noden en moeiten van onderscheiden aard met raad en daad steun te verlenen...
In de gebrokenheid van de menselijke verhoudingen staan zij in dienst van Christus, die de arme zal redden die om hulp roept, de ellendige en wie geen helper heeft".
Geldt dit alleen binnen de kerk?
Het lijkt me niet. Maar het is misschien wel even wennen als een dominee wat dichter bij een diaken zou staan dan bij een ouderling. In ieder geval kan ik veel van wat de geestelijke verzorging in de krijgsmacht doet herkennen in deze woorden. De krijgsmachtpredikant draagt ook iets van het ambt diaken.
Tegelijk wil ik hiermee antwoord geven op een vraag die meer dan eens gesteld is: bent u nog dominee?
Krijgsmachtpredikanten zijn inderdaad voluit dominee. En het voorvoegsel 'emeritus' moet daarbij weggelaten worden. Wij zijn niet 'uitgediend', maar volop actief als predikant en wel vanuit de gemeente, die ons voor dit werk heeft afgestaan.
Onze jongens
Intussen wordt misschien ook duidelijk wat u wellicht allang wist: die dominees zitten er niet alleen voor 'onze jongens'.
En als er dan een van onze jongens in dienst komt is de kans groot, dat hij niet zo vaak een geestelijk verzorger ontmoet.
Want er is veel te doen.
Wat de Landmacht betreft is er een groot aantal dienstplichtigen. Voor veel jongens is dit de eerste stap buiten de deur van het ouderlijk huis of de bekende sociale omgeving.
Deze stap is niet vrijwillig, laat staan op een moment dat goed uitkomt.
De dienstplichtigen slapen met meerderen op een kamer, in ieder geval tijdens de opleiding, zodat de mogelijkheid tot privacy minimaal is.
Daar moet je tegen kunnen en niet iedereen kan dit.
Ze worden voor het eerst geconfronteerd met vuurwapens en moeten leren schieten.
Je kunt het gebruik van vuurwapens bijna dagelijks op tevee zien, maar als je voor het eerst zelf met zo'n ding moet omgaan dan grijpt dat veel dieper in dan je dacht. Binnen de krijgsmacht is de geestelijk verzorger vrijwel de enige die op een andere dan technische manier spreekt over wapens, en niet alleen met de jongens uit de kerk.
Na de opleiding verschijnt voor zeer velen het 'spook' van de verveling.
Wachten, alleen maar wachten en bezig zijn met niets, of met werkzaamheden die voor je gevoel zinloos zijn, of die je binnen een uur klaar kunt hebben, terwijl je er een dag over moet doen.
Problemen, die kunnen ontstaan door de verveling of door het 'balen' van de dienst, zijn overmatig alcoholgebruik of ook gokverslaving. Meer dan eens ontmoet je jongens, die zo hun ellende proberen te vergeten.
Als geestelijk verzorger wacht je niet tot mensen die problemen hebben bij je komen. Vrijwel als enige zoek je de mensen op met hun problemen en begin je erover te praten als iedereen ze doodzwijgt. Juist ook hierin komt uit dat geestelijke verzorging geen andere vorm van maatschappelijke hulp is maar een vorm van pastoraat, van herder zijn.
Bij veel jongens zijn er problemen in verband met de situatie thuis. Ouders die bezig zijn met een echtscheiding.
Omdat er ziekte is, of teveel werk in het bedrijfje van vader, dat het nu zonder hem moet stellen. Of gewoon omdat er thuis bonje is doordat een broer of zus afwijkt van het gezinspatroon.
Redenen waarom ze het gevoel hebben thuis te moeten zijn in plaats van ergens in dienst. Zo'n verhaal willen ze ergens kwijt, bij iemand die luistert en er niet bij voorbaat vanuit gaat dat de boel geflest wordt.
Soms ook zijn er geweldige spanningen in een groep, tussen de mensen onderling, of in relatie tot het kader.
Meer dan eens is een geestelijk verzorger, vaak samen met een arts of iemand van de maatschappelijke dienst, degene die tussen de mensen in gaat staan om ze bij elkaar te krijgen.
Militaire dienst heeft altijd iets onvrijwilligs.
Hoe gek het ook klinkt ook voor de vrijwilligers of beroeps.
Ineens kunnen deze laatsten daarmee geconfronteerd worden. Naast de 'gewone werkverhoudingen' heb je ook te maken met de bevelsstructuur van de krijgsmacht.
Dat merk je bijvoorbeeld als je een baas krijgt die je niet ligt, of wat erger is, die incompetent is. Meestal bots je dan tegen de bevelsstructuur op waarmee zo'n baas zijn gelijk afdwingt.
Een ander onvrijwillig moment kan een overplaatsing zijn. Door het nieuwe personeelsbeleid zou dit tot het verleden gaan behoren. Maar ik vrees dat door de reductie van de krijgsmacht velen dit nog wel zullen ervaren.
Want niet altijd komt een overplaatsing op een goed moment.
En niet altijd moet er verhuisd worden naar een plaats of een omgeving die men zelf gekozen zou hebben.
Gezinnen van militairen zijn vaak ontworteld, door de overplaatsingen. Ze aarden overal, maar horen als het er op aankomt nergens thuis.
Meer dan eens worden niet alle verhuisboxen uitgepakt. Enerzijds duurt het steeds minder lang om zich in een nieuw huis thuis te voelen, anderzijds neemt de neiging om (veel) contacten te maken af. Geen wonder dat ze in de kerkelijke gemeente zich vaak ook wat aan de zijlijn opstellen.
Juist voor hen zijn geestelijke verzorgers mensen die horen tot hun eigen omgeving. Met name voor de leden van de diverse protestantse kerken, bijvoorbeeld als ze in de Bondsrepubliek zijn gelegerd, maar ook hier in Nederland.
De overheid en de kerken
Onvrijwilligheid kleurt het bestaan in de krijgsmacht. Het roept vragen en problemen op, die er in de burgermaatschappij in mindere mate zijn of waren.
Want ook daar verandert het een en ander.
Voor de overheid is deze onvrijwilligheid nog altijd een van de redenen om het tot haar taak te rekenen dat er geestelijke verzorging is.
Een andere is wat wel de ethische paradox wordt genoemd. Als militair zet je je in voor vrede, maar je doet dat met een geweldsmiddel. Je oefent om trefzeker te kunnen doden om leven te bewaren. Dit roept vragen op en de behoefte aan bezinning. Niet alleen bij dienstplichtigen. Vele uren hebben geestelijke verzorgers bijvoorbeeld in de tijd van de discussies rond de kernwapens met de beroeps hierover gesproken.
Aan de zendende instanties, de Kerken en het Humanistisch Verbond de opdracht om de geestelijke verzorging inhoudelijk te vullen.
De overheid is in dezen niet meer dan een 'facilitair bedrijf'. Politiek is deze zaak momenteel in discussie.
Er is een behoeftepeiling geweest onder de militairen. Op grond hiervan en van nog een tweetal criteria wordt straks bekeken of er een herverdeling moet komen voor het aantal plaatsen voor de geestelijke verzorging. Daarnaast speelt de vraag of de totale geestelijke verzorging op de huidige sterkte moet blijven.
En wel in verband met de gewijzigde oost-westverhouding.
Het is een van die plaatsen waar kerk en staat met elkaar te maken hebben en zelfs samen een stuk verantwoordelijkheid dragen.
De mate waarin de staat en dus de politiek de geestelijke verzorging serieus neemt en zal nemen voor een deel bepaald worden door de houding van de kerken ten opzichte van dit werk.
Elke protestantse kerk heeft een commissie of deputaatschap, dat namens die kerk zorg draagt voor de geestelijke verzorging.
AI die 'commissies' zijn vertegenwoordigd in het CIO-M, een gespreksplatform, dat geldt als zendende instantie.
Hier komt de inhoudelijke kant van het werk aan de orde. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over de samenwerking met de rooms katholieke geestelijke verzorging, de bijscholing van krijgsmachtpredikanten, als ook over de wet op de persoonsregistratie, die het werk van de geestelijke verzorging er niet gemakkelijker op maakt.
Overigens zie ik met waardering wat onze commissie doet bijvoorbeeld door de vertegenwoordiging in het CIO-M, in het contact met onze kerken, als gesprekspartner van ons, of in haar pogen om nieuwe predikanten te werven.
Potentiële oorlogsorganisatie
Er zouden nog veel zaken aan de orde kunnen komen, bijvoorbeeld het oecumenische setting karakter van de geestelijke verzorging, of de samenwerking op het onderdeel met de maatschappelijke-, de medische- en de personeelsdienst in de zogenaamde Sociale Coördinatie Commissie.
Ik wil dat laten rusten.
Eén punt lijkt me wel van belang, dit: de krijgsmacht is een potentiële oorlogsorganisatie.
Hoe de Golfoorlog zich verder ontwikkelt kan ik op het moment dat dit geschreven wordt, niet weten.
Maar de inzet van marineschepen in de Golf, de uitzending van de squadrons met Patriotraketten naar Turkije, en het veldhospitaal voor de geallieerde strijdkrachten maakt duidelijk, dat de krijgsmacht ineens van 'gewoon een ander bedrijf' kan veranderen in dienst van de overheid, of in opdracht van de overheid in internationaal verband, in een middel dat dood en verderf zaait, maar ook oogst.
Als het zover komt gaat het om mensen, waar je op dat moment als geestelijk verzorger bij zult moeten zijn, om hen te bemoedigen en als het nodig is ook te troosten. Dan moet je die mensen kennen, hun manier van denken en spreken en de organisatie waarin ze opereren. Wie op dat moment als geestelijk verzorger zijn weg nog moet zoeken in een hem totaal onbekende organisatie zal mensen slechts met moeite kunnen helpen. Belangrijk is dat de mensen ook jou kennen, als geestelijk verzorger, willen ze vertrouwen geven.
Op het moment dat de krijgsmacht een oorlogsorganisatie wordt, staan de vragen van het leven in een heel scherp en smal perspectief.
Dat werd me duidelijk toen een Amerikaan op Ypenburg aan me vroeg, doelend op de bijbel: "Chap, wat zou jij lezen als je naar de oorlog moest gaan?"
Als de dood heel dicht bij het leven staat, gaat het alleen nog maar om dingen die echt belangrijk zijn.
Dan zal zeker moeten blijken dat je, als vertegenwoordiger van de kerk en haar boodschap, echt iets te bieden hebt. Als mens onder mensen en niet minder als iemand die gelooft in het evangelie van Jezus Christus en het daarom ook als verkondiging in de mond neemt.