De zuiverheid van de leer (2)

1991-02-15
  • Jaargang 35
  • nummer 4
In het vorig artikel heb ik de opwekking laten horen om ons bij de opbouw van het kerkelijk leven niet te veel te laten leiden door allerlei negatieve ervaringen in de jaren 1967/70.
Uit de verschillende reacties kies ik er nu twee.

Er waren predikanten, die het gereformeerd belijden van harte waren toegedaan, die onder de beschuldiging van afwijking of probleemstelling van de drie formulieren, door schorsing of buiten-verband-stelling, uit de kerk, die hun lief was, zijn gezet. Zo'n beschuldiging komt hard aan.
De man die dit is overkomen neemt zich voor om in al zijn arbeid duidelijk te maken dat de beschuldigingen aan zijn adres ten onrechte waren.
Maakt hij vervolgens mee dat er hier en daar onzorgvuldig met belijdenis en kerkorde wordt omgegaan dan kan de schrik hem om het hart slaan en komt er verontrusting.
Anderen die de strijd om de Open Brief en het nieuwe kerkrecht met alle verwikkelingen zat zijn geworden, herademen in vrijheid en zeggen: dit nooit weer!
Vervolgens veroorloven zij zich vrijheden ten aanzien van het kerkverband, die anderen de haren ten berge doen rijzen. Wanneer we dan niet zorgvuldig met elkaar omgaan in de ware christelijke vrijheid, staat de polarisatie voor de deur.
Nu zijn we in de kring van de gereformeerde gezindte er zo langzamerhand wel·van overtuigd dat er kerkscheuringen genoeg zijn geweest en het de hoogste tijd is om samen met allen, die één zijn in geloof en belijden, een weg uit de verstrooiing te zoeken.
Voor onze kerken geldt daarbij dat we moeten beseffen dat niet de belijdenis of de kerkorde oorzaak zijn van de verdeeldheid. Indertijd waren er broeders die in ons akkoord voor kerkelijk samenleven een bepaling wilden zien opgenomen om herhaling van de moeiten in 1944 en 1967 te voorkomen.
Nu is er door de commissie, die de tekst van het akkoord heeft verzorgd, getracht lering te trekken uit het verleden, maar het is onmogelijk, op één of andere wijze te garanderen dat kerken altijd op christelijke wijze met belijdenis en K.O. omgaan. De moeilijkheden in 1967 werden niet veroorzaakt door de kerkorde, maar door het feit dat die op kritieke momenten niet gehandhaafd werd.
De kerk op aarde bestaat uit zondaren, die allen de neiging tot zelfhandhaving in zich hebben en daarom zijn bindingen nodig, waaruit blijkt dat we ons aan het Woord van God willen onderwerpen.
In het contactorgaan van de Gereformeerde gezindte ontmoeten we niet alleen afgevaardigden uit de diverse gereformeerde kerken maar ook broeders van de confessionele vereniging en van de gereformeerde bond in de Hervormde Kerk.
Het is een verruiming dat ook deze afgevaardigden meedenken en meespreken over de eenheid van Christus' Kerk.
In de samensprekingen met de Christ. Geref. Kerken hebben we ervaren dat de blikrichting beperkt blijft en eigenaardigheden in de beide kerken te veel accent krijgen. Dat risico is er ook voor de samensprekingen die de vrijgemaakte kerken zijn aangegaan.
Aan de wieg van de Confessionele Vereniging stond Groen van Prinsterer en al ruim 125 jaar is het streven de Hervormde Kerk terug te brengen naar de drie formulieren van enigheid. Er is dus een ruime ervaring in het streven om kerkherstel. Zelf weten de broeders dat er niet veel perspectieven zijn op een herstel van de binding aan de belijdenis, maar zij hebben toch stand gehouden, ook nadat zovelen de weg van Afscheiding en Doleantie zijn gegaan.
De invloed van de vrijzinnigen is sterk afgenomen en in heel wat hervormde kerken is een schriftuurlijke prediking.
In de moeilijke jaren 1967 e.v. heb ik veel medeleven van 'hervormde zijde ontvangen en meermalen is het thema van de weg uit de verstrooiing naar de eenheid ter sprake gekomen. In de gesprekken viel mij op dat de hervormde collega's huiverig waren voor de leertucht bij de gereformeerden en erg gesteld waren op het vrije gesprek waarin hardop gedacht mag worden bij omstreden punten.
Het optreden van synoden van gereformeerde kerken in 1944, in 1967 en in 1970 wekte bij anderen niet bepaald jaloersheid. Omdat de eenheid van Christus' kerk een eenheid is van geloof en belijden is overeenstemming over de binding een eerste vereiste en we doen goed ook naar anderen te luisteren.
Wanneer we als kleine kerkgemeenschap te veel met onszelf bezig zijn en solistisch handelen op zoek naar de ideale kerk, wordt het benauwd en wordt de verdeeldheid groter.
In tijden waarin het individualisme hand over hand toeneemt moet de kerk te meer een gemeenschap zijn, waarin de één niet over de ander heenloopt en doordramt.
"Jaagt naar vrede met allen... ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods, dat er geen bittere wortel opschiet en verwarring sticht" leert ons de Schrift.
Terug naar de situatie van onze kerken wil ik er op wijzen dat er in de jaren 1960/70 niet tegen windmolens is gevochten. Er zijn verblijdende tekenen van toenadering van de kant van de vrijgemaakten.
Hier en daar zijn bij afscheid of intrede in onze kerken afgevaardigden van de vrijgemaakte kerk aanwezig.
Velen in deze kerken geloven te goeder trouw dat het in 1967 ging om de zuiverheid van de leer en de binding aan de belijdenis. Bij nadere kennismaking kunnen deze broeders en zusters zelf constateren dat er bij ons geen leervrijheid is en de belijdenis niet in het museum is gezet.
Toch is er verschil wanneer het gaat om de binding aan de belijdenis en daarbij gaan onze kerken in het spoor dat bij de Vrijmaking is ingeslagen.
In de eerste jaren lag in ons kerkelijk leven de nadruk op de vrijheid van de plaatselijke kerken, om naar art. 31 van de Dordtse Kerkorde besluiten van meerdere vergaderingen, die zij strijdig achtten met Schrift, belijdenis en k.o., niet voor vast en bondig te houden.
Prof. P. Deddens leerde dat de kerken een ratificatie-recht hadden en synode-besluiten in feite alleen bindend waren wanneer de kerken ze hadden aangenomen.
Prof. n. Schilder achtte dit ratificatierecht bewezen. Onze kerken werden in die dagen aangeduid als Gereformeerde Kerken onderhoudende art. 31 van de K.O: Inzake de binding aan de belijdenis werd een ruim standpunt ingenomen zoals bleek uit een brochure van Prof. P. Deddens over de positie van de diaken in de kerkeraad.
De Ned. Geloofsbelijdenis leert in Art. 30 dat de diakenen bl] de raad van de kerk behoren, maar Prot. Deddens stelde dat dit niet juist was, want de diakenen behoorden niet tot de kerkeraad.
Voor het kerkelijk leven is dit niet van belang ontbloot, maar er kwamen geen bezwaarschriften en er werd niet gesproken van een aanval op de belijdenis.
Voorts is bekend dat in de jaren van de vrijmaking onder leidinggevende figuren een lijst circuleerde met correcties op de belijdenis-geschriften.
Zelf heb ik die lijst niet onder ogen gehad, want ik kwam toen pas kijken, maar betrouwbare getuigen hebben mij dit later verteld. Gelukkig vond er geen correctie plaats!
In het Ned. Dagblad las ik dat op het Schilder-symposium in Kampen door een hoogleraar uit Canada is opgemerkt dat er bij Prof. Schilder een soepelheid was t.a.v. de belijdenis die in het referaat, door dr. W.G. de Vries terzake gehouden, niet vermeld was.
Genoeg om aan te tonen dat de vrijgemaakten aanvankelijk niet zo nauw waren in hun lendenen.
Zo omstreeks 1960 kwam er verandering; lag aanvankelijk de nadruk op de vrijheid van de kerken naar art. 31 K.O. nu werd het accent gelegd op de binding aan de belijdenis en de besluiten van de synoden.
Dit gebeurde 'met open vizier', zoals blijkt uit een artikel van Prof. J. Kamphuis waarin wordt gezegd: "Het is een eis van eerlijkheid vast te stellen dat art. 31 niet van ratificeren spreekt, maar van "voor vast en bondig houden".
Het is niet bekrachtigen in de zin van rechtskracht verlenen, rechtskrachtig maken, ratificeren, maar voor rechtsgeldig, rechtskrachtig houden"
(Kerkelijke besluitvaardigheid pg. 58, geciteerd door W.G. de Vries, de Vrijmaking in het vuur pg. 117).
De kerken in Noord-Holland hebben in 1970 ervaren wat de gevolgen waren van deze nieuwe opvatting van art. 31 K.O., want zij werden niet ontvangen op de synode, omdat zij omstreden besluiten niet voor vast en bondig hadden gehouden. Ook ten aanzien van de belijdenis werd de binding aangescherpt en naarstig gezocht naar overtreders.
Het ondertekeningsformulier voor predikanten werd actueel en als we woordvoerders uit die dagen mochten geloven waren we aan alle formuleringen tot in punten en komma's in de belijdenis gebonden.
In zijn boek 'Prediking en Uitverkiezing' is Prof. C. Veenhof op de hem eigen wijze breed ingegaan op de zaak die ons bezig houdt. Hij citeert uitvoerig Calvijn, de Cock, Kuyper en Bavinck, die evenals K. Schilder een soepele binding voorstonden.
Veel opschudding verwekte de verschijning van het boek van ds. B. Telder: 'Sterven en dan' in 1960.
Hoewel deze predikant al ruim 10 jaar geleden is heengegaan naar zijn Heer en ook in de vrijgemaakte kerken 'aanhangers' had, wordt zijn 'leer' nog steeds genoemd als bewijs voor het feit dat er in onze kerken geen tucht wordt geoefend.
Een volgende keer hoop ik aandacht te geven aan het verschil van benadering van deze zaak in de vrijgemaakte en in de Nederl. Geref. kerken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief