Identiteit en verantwoordelijkheid

1991-02-15
  • Jaargang 35
  • nummer 4
Onlangs schreef drs. H. de Jong in ons blad dat het voor jongeren van belang isdat we het als kerken ook eens over onszelf hebben.
Wie zijn die nederlands gereformeerde kerken eigenlijk?(1)

Ik ben het van harte eens met deze opmerking van ds. De Jong. Datgene wat hij heeft geschreven zou ik graag nog wat toe willen spitsen ten aanzien van de geloofsopvoeding. Wanneer opvoeders (en meestal zijn dat in eerste instantie de ouders) de kerkgemeenschap als een vrijblijvende gemeenschap zien, zal dat zijn weerslag niet missen op de kinderen.

Geestelijke supermarkt
Ds. W. Smouter heeft er bij verschillende gelegenheden op gewezen dat mensen in deze tijd neigen naar een soort 'geestelijke supermarkt'(2), Allerlei aparte winkeltjes met verschillende religieuze koopwaar: een snutie-mystiek, koorzang, een predikant die het zo modieus weet te zeggen. De geestelijke koopjesjagers zijn overal te vinden, zijn waar iets bijzonders lijkt te zijn. Sommige kerken puilen uit. Het kost ze echter bijzonder veel moeite om de financiële touwtjes bij elkaar te knopen. Over de vraag of er ambtsdragers te vinden zijn hebben we het maar helemaal niet. De vrijblijvendheid van de geestelijke supermarkt vormt een bedreiging voor het funktioneren van de kerkelijke gemeente. In extreme vorm zien we dit bij de Amerikaanse televisie-kerken: je kunt zelfs gewoon thuis blijven.

Vrijblijvendheid of verantwoordelijkheid?
Enige tijd geleden werd in 'Opbouw' geschreven over de 'vaderloze kultuur'(3).
Een verschijnsel dat hiermee verbonden is, is dat het mensen relatief veel moeite kost om zich te binden.
We zien dat bv. bij het steeds uitstellen van een beroepskeuze en bij het aangaan van vaste relaties. Wanneer we naar de individuele situatie kijken, kunnen daar allerlei redenen voor zijn.
Tegelijk zien we echter ook in de samenleving als geheel dat het mensen meer moeite kost om keuzen te maken.
Ook de kerk heeft te maken met het feit dat mensen zich niet zo gemakkelijk binden. We zien dat bv. als mensen verhuizen (men zwerft een tijd voordat men zich ergens aansluit), maar ook bij het op zich nemen van verantwoordelijkheden binnen de gemeente.
Bij het volwassen-worden hoort dat jongeren om zich heen kijken. Ze denken na over wat er in de wereld en in de kerken 'te koop' is. Het verschijnsel wordt verontrustend wanneer jongeren zich niet meer durven te binden. Nóg verontrustender is het als ook ouderen geen verantwoordelijkheden meer op zich nemen.

Ouderen als voorbeeld
Er zijn veel gemeenten waar het moeilijk is om mensen voor de kerke raad of voor bepaalde aktiviteiten en kommissies te vinden. Daar kunnen allerlei redenen aan ten grondslag liggen.
Sommigen kunnen de spanning van de kerkeraad niet aan, voor anderen is het dagelijks werk nauwelijks te kombineren met kerkelijke aktiviteiten, weer anderen zijn bang dat hun gezin in het gedrang komt (de zgn. 'kleine kerk' raakt bekneld door de 'grote kerk'(4). Het gaat me er hier niet om, deze individuele redenen ter diskussie te stellen. Wel wil ik in relatie tot de geloofsopvoeding wijzen op het gevaar dat ontstaat wanneer het gewoon wordt dat in vakatures nauwelijks meer voorzien kan worden.
Uit allerlei onderzoek over geloofsopvoeding komt naar voren dat jongeren ouderen als voorbeeld nodig hebben aan wie ze zich kunnen spiegelen(5), Wanneer het in de gemeente gewoon wordt dat er geen mensen gevonden kunnen worden die bepaalde verantwoordelijkheden op zich willen nemen, dan roept dat bij jongeren gemakkelijk de indruk op, dat de kerk kennelijk niet de moeite waard is om je voor in te zetten. De een na de ander bedankt immers voor het beroep dat op hem of haar wordt gedaan?
Om een praktijkvoorbeeld te noemen: een kerke raad in een gemeente (buiten ons eigen kerkverband) bestaat momenteel alleen nog uit mensen van boven de 60 jaar. Alle jongere gemeenteleden zeggen 'nee' tegen het beroep dat op hen wordt gedaan. Het beeld dat de opgroeiende jeugd in die gemeente heeft is dat je pas hoeft na te denken over een aktieve bijdrage aan de kerk als je in de VUT zit. Het moderne vrijblijvende levensgevoel krijgt daarmee gemakkelijker vat op het funktioneren van de christelijke gemeente: je hoeft je immers niet aktief in te zetten, het kan ook zonder.

Stam of individu?
Prof. Ter Horst schrijft in een van zijn boeken dat het kind vroeger - als hem gevraagd werd "Waar ben je van" antwoordde met: "Ik ben van Ter Horst". De stam, het geheel, was het eigenlijke. Nu wordt er gevraagd: "Wie ben jij?" Het antwoord begint aan de andere kant: "Ik ben Wim". De stam doet er niet meer toe(6).
Misschien is het ook wel zo als de vraag wordt gesteld van welke gemeente iemand lid is... Maar een gemeente die alleen maar bestaat uit losse stenen zonder enige binding wordt een bouwval.
Het is fijn als christenen uit verschillende kerken met elkaar samenwerken.
Het is goed om buiten de grenzen van de eigen kerkelijke gemeenschap te kijken. Die openheid naar buiten toe mag echter niet ontaarden in een zich niet meer verbonden kunnen voelen aan een bepaalde gemeente.
Een kerkelijke gemeenschap heeft mensen nodig die die gemeenschap kunnen dragen. Dat dragen veronderstelt verantwoordelijkheid. Het lidmaatschap van een kerk is geen kwestie van vrijblijvendheid; het schept verplichtingen: van financiële en van praktische aard.

Leren door meedoen
In de gemeente zijn ook jonge leden nodig die verantwoordelijkheden op zich durven te nemen. Daarvoor is een aantal voorwaarden noodzakelijk:

- Het is nodig dat er ouderen zijn die jongeren laten zien en léren wat het betekent om je voor de kerk in te zetten.
Jongeren moeten zich kunnen spiegelen.
- Het is ook van belang dat jongeren de ruimte krijgen voor kreativiteit, om 'te oefenen', om verantwoordelijkheden op zich te nemen. Je leert het beste door mee te doen(7). Lang niet alles zal gladjes verlopen: leren gebeurt immers met vallen en opstaan?
Dat is geen reden om die ruimte weer in te trekken.
- Wanneer jongeren bepaalde verantwoordelijkheden op zich nemen, dan vooronderstelt dat een keuze. Dat betekent ook dat je niet 'zomaar' lid bent van een kerk die 'toevallig' en ook nog 'ergens' staat.
Daarmee zijn we weer terug bij de vraag: wie zijn we eigenlijk? Jongeren hebben het nodig dat we onszelf als kerkelijke gemeenschap die vraag stellen.

Noten:

1 'Opbouw', 21 december 1990
2 'Opbouw', 2 december 1988
3 'Opbouw', 22 april 1988
4 'Soteria', december 1990, pagina 55
5 'Soteria', september 1989, pagina 15 (Richards)
6 Prof.dr. W. ter Horst: Christelijke Geloofsopvoeding: een handreiking (Kok, Kampen, (1989), pagina 27
7 Vgl. ook (5), alsmede verscheidene bijdragen in: Drs. W.C. ter Horst e.a.: 'Wat geven wij de jongeren mee?' (De Vuurbaak, Barneveld, 1990)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief