De zuiverheid van de leer (3, slot)
1991-03-01
Wanneer het tot een gesprek komt met vrijgemaakte broeders en zusters over de zuiverheid van de leer in onze kerken wordt altijd verwezen naar de opvattingen van wijlen ds. B. Telder zoals die te vinden zijn in het boek 'Sterven en dan'. Het is niet mijn bedoeling in het kader van deze artikelen breed in te gaan op de gedachten, die in dit boek te vinden zijn, maar ik kan er niet helemaal omheen.- Jaargang 35
- nummer 5
In het leven van Gods kinderen is door het woord van God een twee-voudige verwachting gewekt.
Ons is beloofd dat op de dag van Christus wederkomst het grote wonder van de wederopstanding van het vlees zal plaats vinden. Lichaam en ziel van hen die in Christus ontslapen zijn worden dan weer verenigd en de eeuwige zaligheid zal hun deel zijn.
Dit zou ik de grote verwachting willen noemen.
Met deze verwachting, beleden in Zondag 22 van de Heid. Cat. heeft ds. Telder in zijn boek geen moeite, integendeel, hij vestigt daarop alle aandacht.
Nu spreekt Zondag 22, in een bijzin, ook van een andere verwachting met de woorden: "dat niet alleen van stonden aan mijn ziel tot Christus haar Hoofd zal worden opgenomen".
Met dit onderdeel heeft de schrijver wel moeite, want hij gelooft niet in een scheiding van ziel en lichaam, waarbij het lichaam in de aarde sterft en de ziel naar Christus gaat. De doden rusten in de aarde tot de komst van Christus om dan in onverderfelijkheid op te staan, zo leert hij.
In het informatie-boekje van onze kerken van 1974citeert wijlen Prof. C. Veenhof een brief over deze zaak van de hand van ds. T. waarvan ik een deel overneem.
Nadat ds. T. heeft verklaard dat hij de drie formulieren van enigheid van harte onderschrijft en nog altijd staat voor zijn handtekening onder het formulier voor dienaren van het Woord verklaart hij: "dat ik ook geen bedenkingen heb tegen wat de Catechismus naar Gods Woord in antw. 57 bedoelt uit te spreken, te weten dat er een voortbestaan is na de dood; "dat deze dood Gods kinderen niet kan scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus onze Here; dat naar de woorden van Pred. 12:7 bij het sterven van de mens het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschapen heeft; dat zij deswege bij hun sterven hun geest in Gods handen mogen aanbevelen en aan de Here Jezus, die een Heer is van levenden en doden, mogen toevertrouwen; dat van de gelovigen, ook als zij gestorven zijn, geldt dat hun leven verborgen is in God; dat de gestorvenen niet eerst nog een zielereiniging moeten ondergaan in een zogenaamd vagevuur, en: dat allen, die in de graven zijn, de stem van de Zoon des mensen zullen horen en dan zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding ten leven, wie het kwade gedaan hebben tot de opstanding ten oordeel.
Dit alles is rechtstreeks op Gods Woord gegrond en wordt door mij van harte geloofd, geleerd en beleden."
Tegen deze woorden, die grotendeels rechtstreeks aan de Schrift ontleend zijn, valt weinig in te brengen.
Wel moet worden opgemerkt dat de Schrift op ettelijke plaatsen meer zegt over de doden die in den Here sterven; zij worden zalig genoemd en zijn bij hun Heer.
Opvallend is dat in de verklaring geen spoor van moderne theologie is te vinden en de schrijver nauwe aansluiting zoekt bij het Woord van God met een neiging naar biblicisme. Persoonlijk heb ik wat moeite met de verzekering van ds. T. dat hij alle artikelen en stukken van de leer in de drie formulieren van enigheid onderschrijft.
Het wil mij voorkomen dat hij op het punt van de twee-voudige verwachting niet spreekt naar ons belijden in Zondag 22.
Het is niet zo, dat deze 'leer' over de tussentoestand door onze kerken is aanvaard. Ik zal niet ontkennen dat er broeders en zusters zijn die de opvattingen over 'sterven en dan' delen, maar die zijn er ook in de vrijgemaakte kerken.
In de jaren van de kerkelijke strijd heb ik mij nauwelijks met deze zaak bezig gehouden, want ik.stond elders aan het front, maar ik heb begrepen dat de kerken in de classis Noord Brabant-
Limburg destijds deze leer niet hebben aanvaard, maar de afwijking niet van dien aard vonden dat tegen de betr. emeritus een tucht-procedure in gang moest worden gezet.
Er is gezocht naar een uitnemender weg om een predikant met een afwijkend gevoelen voor de kerk te behouden.
Voor nadere informatie hierover kan ik verwijzen naar een publicatie over de scheuring in de vrijgemaakte kerken, die naar we hopen in de loop van dit jaar verschijnt.
De onsterfelijkheid van de ziel
Wat bracht ds. Telder tot zijn publikatie over een erg teer onderwerp. Het was niet alleen de wijze waarop in het overwegend Roomse Brabant over het 'hemelen' werd gesproken. In de jaren 1930/1944deden zich in de ongedeelde Gereformeerde Kerken in ons land meningsverschillen voor, die aanleiding waren voor de synoden om een aantalleeruitspraken te doen. Het meest bekend is de uitspraak over het 'houden voor wedergeboren', die in de vrijmaking zo'n belangrijke rol heeft gekregen.
Eén van de verschillen had betrekking op de onsterfelijkheid van de ziel van de mens. In de gangbare mening van eeuwen werd de mens beschouwd als bestaande uit twee delen: een lichaam en een ziel. Van de ziel werd aangenomen dat zij onsterfelijk was, want bij het sterven ging die naar de hemel, terwijl het lichaam in de aarde stierf.
De ziel was het betere deel van de mens; het lichaam was minder in ere.
De reformator Calvijn heeft zich uitvoerig met deze twee-deling van de mens bezig gehouden, zoals we aan het slot zullen zien.
Het was de onder ons zo bekende A. Janse, die met name in het boekje: 'De mens als levende zie/' op verrassende wijze aantoonde dat de bijbel geen twee-deling van de mens kent, maar spreekt van de éne mens, die uit Gods scheppende handen voortkwam als een levende ziel.
Herinnerd werd aan het feit dat A. Kuyper al bezwaren had tegen de term 'onsterfelijke ziel', omdat de Schrift ons leert dat God alleen onsterfelijkheid heeft.
In de dertiger jaren is het schriftuurlijk spreken over de mens als een verrijking ervaren en de voorgangers uit die dagen K. Schilder, S.G. de Graaf, O.Th. Volfenhoven wilden van geen onsterfelijkheid van de ziel weten; die term kwam niet uit de bijbel maar uit de Griekse filosofie.
Nu waren veel oprechte christenen vertrouwd met de uitdrukking onsterfelijke ziel. Er waren onder hen die schrokken van de 'nieuwe leer' over de ziel en dachten dat deze inhield dat er geen voortbestaan na dit leven was en dat A. Janse c.s. zo iets leerden als 'dood is dood'.
In de soms onverkwikkelijke discussies in die dagen is dit wel gesuggereerd en ook na de vrijmaking hebben we broeders en zusters op dit punt moeten geruststellen.
Ruim vijftig jaar later beleefde ik een soort herhaling hiervan. Op de synode in Zuid Afrika in 1985 werd van vrijgemaakte zijde de leer van ds. T. aan de orde gesteld bij de pogingen de correspondentie met onze kerken te verhinderen.
De broeders in dat verre land begrepen er aanvankelijk weinig van en informeerden bij ons heel voorzichtig of er in onze kerken werd geleerd dat er geen voortbestaan van de doden is. Ik heb de broeders op dit punt kunnen geruststellen en inmiddels is er in Z.Afrika door Prof. B. v.d. Wal een uitstekend boek over het werk van A. Janse gepubliceerd.
Ds. T. meende in het spoor van A. Janse te gaan en wilde ook bij het sterven van de gelovigen vasthouden aan de eenheid van de mens. Hij is daarin verder gegaan dan zijn leermeester die de krachtdadige scheiding van lichaam en ziel bij de dood vanwege de zonde, aanvaardde en geen moeite had met het 'van stonden aan' van de catechismus.
Een beestachtige dwaling?
Geeft een predikant blijk van een afwijkend gevoelen op een onderdeel van het belijden en gebeurt dit met een beroep op de Schrift dan zal daarover een billijk oordeel geveld moeten worden, want zo gaan we met elkaar om in Christus' kerk. Hier raken we aan het verschil in het geding met de vrijgemaakte kerken.
Vorig jaar verscheen het boek: de Vrijmaking in het vuur' van de hand van dr. W.G. de Vries. De schrijver was praeses van de laatstgehouden synode en naar ik begrepen heb deputaat voor samensprekingen.
In het genoemde boek komt de zaak die ons bezig houdt herhaalde malen ter sprake. Op pg. 94 lezen we: 'Over de doorvretende leer van ds. Telder, ds. Vonk en ds. Blokhuis over 'dood is dood' hebben we het onze al gezegd.
Hier treffen we de suggestie uit de strijd in de dertiger jaren weer aan en de argeloze lezer zal denken: Is het zó erg bij die nederlands gereformeerden en herinnert zich de opschudding in de Hervormde Kerk jaren geleden toen een dominee de leus 'dood is dood' aanhief.
Ik kan niet aannemen dat dr. de V. zo weinig kennis van zaken heeft dat hij niet weet dat geen van de genoemde predikanten leert dat er geen leven na dit leven is.
Waarom gebruikt hij dan deze uitdrukking?
Maar dit is het enige niet. Het is mij al eens opgevallen dat genoemde schrijver in de Reformatie sprak van een beestachtige dwaling bij ds. Telder en dit oordeel zou van niemand minder dan van Joh. Calvijn afkomstig zijn.
Het leek mij een 'slip of the pen', maar op pg. 22 a.w. wordt Calvijn geciteerd die in heftige reactie zou gezegd hebben over de Dopers: "Hun conclusie dat de ziel van de mens vergaat met het lichaam is niet alleen een beestachtigheid, maar ook een schaamteloze vrijpostigheid" en volgens de V.
gaat ds. T. nog verder dan de oude doperse leer. Helaas citeert de schrijver hier uit de tweede hand door te verwijzen naar dr. W. Balke. Het is alsof de Vries er niet genoeg van kan krijgen, want op pg. 62 spreekt hij weer over de beestachtige dwaling.
'Dood is dood' en een beestachtige dwaling; het is me nog al wat. Nu is het bekend dat in de tijd van de grote reformatie in gespierde taal gestreden is en Calvijn stond daarin ook zijn mannetje. Een bloemlezing zullen we u besparen.
Het is a-historisch om een term uit de 16e eeuw te plukken en die in de 20e eeuw een ander op het lijf te prikken.
Toch blijft er iets van hangen en daarom gaan we er op in. Eén van de eerste geschriften van Calvijn na zijn bekering handelde over de zieleslaap en droeg als titel: 'PSYCHOPANNYCHIA'.
De kopie had Calvijn tevoren aan de hervormers Capito en Bucer laten lezen en die waren er niet gelukkig mee en raadden hem aanvankelijk aan niet tot publikatie over te gaan, omdat men op dat moment geen behoefte had aan een felle strijd over de zieleslaap, te meer daar er nog al wat onzekerheden waren b.v. ten aanzien van M. Luther.
Bij lezing van het in 1534uitgegeven boek valt op dat niet duidelijk is tegen wie Calvijn zich precies richt. Hij schrijft over mannen die hun bedenksels op losse bladen luchtten, die hem nog niet onder de ogen zijn gekomen en hij behelpt zich met aantekeningen van een vriend ontvangen. Aan het slot van het boek wijst hij de 'catabaptisten' aan als auteurs van dit 'beruchte leerstuk'.
We stemmen dr. de Vries toe dat Calvijn de leer van de zieleslaap, zoals die zich destijds voordeed, scherp bestreed met een keur van schriftplaatsen.
Over een 'beestachtige' dwaling lees ik in dit boek niet. Het is moeilijk vast te stellen of wat ds. T. schreef valt onder het harde oordeel dat de Vries citeert.
Wel valt op dat Calvijn, evenals later in de Institutie bij herhaling spreekt van de onsterfelijkheid van de ziel. Ook vinden we bij hem de tweedeling van de mens in ziel en lichaam, waarbij de ziel het betere deel is van de mens en in navolging van Plato het lichaam een kerker wordt genoemd. Ook valt op dat Calvijn afwisselend van ziel en geest spreekt. Voor de leerlingen van K. Schilder is interessant dat op pg. 13 van de uitgave van de 'De Geref. Bibliotheek' 1969'wordt gezegd: "Ik hoor dat sommigen van hen (de aanhangers van de bestreden dwaling v.d. K.) zó praten dat zij zeggen dat het beeld Gods betrekking heeft op de heerschappij die de mens gegeven is" en even verder "maar één ding wil ik staande houden, dat het beeld zelf buiten het vlees ligt". Wanneer we dit lezen komt de vraag op of Calvijn nu wel de juiste leidsman is bij de zaak die ons bezig houdt.
Aan het slot op pg. 80 lezen we: "Als zij verstaan dat de geest, dat is de ziel, door de dood tot God terugkeert, en dat de adem, dat is de kracht van beweging, van de mens wegwijkt, zal ik daar niets tegen inbrengen. Als zij beweren dat de ziel te niet gaat, kom ik daar krachtig tegen op."
De lezing van het boek van Calvijn over de zieleslaap heeft mij er niet van overtuigd dat dr. de Vries zich voor het predicaat beestachtige dwaling terecht beroept op de reformator; zie de verklaring van ds. T. Bij nader onderzoek heb ik de uitdrukking gevonden in de Institutie van Calvijn, Boek 1/1, hfdst. 25, waar we lezen: "Aangezien ik over de eerste dwaasheid reeds iets aangeroerd heb, toen ik sprak over de schepping van de mens, zal het me genoeg zijn de lezer wederom er op te wijzen, een hoe beestachtige dwaling het is om de ziel, die naar Gods beeld geschapen is, een verdwijnende ademtocht te maken, die slechts in dit vergankelijk leven het lichaam doet groeien en de tempel des Heiligen Geestes te vernietigen, en eindelijk dat deel van ons, waarin de Goddelijkheid het meest schittert, en waarin de tekenen der onsterfelijkheid kenbaar zijn, van deze gave te beroven zodat de toestand van het lichaam beter en uitnemender is dan die der ziel.
Geheel anders leert de Schrift, die het lichaam vergelijkt met een hut, waaruit wij verhuizen wanneer we sterven, want zij schat ons naar dat deel, dat ons onderscheidt van de onredelijke dieren".
Ik meen te begrijpen waarom Calvijn het woordt beestachtig gebruikt,omdat hij dwaalleraars op het oog heeft, die geen onderscheid maken tussen het sterven van mensen en van dieren.
Overigens kan ik me niet voorstellen dat onze vrijgemaakte broeders en zusters zullen instemmen met wat Calvijn hier zegt over het deel van ons, waarin de Goddelijkheid het meest schittert, en ik wil dr. De Vries er niet van verdenken dat hij dwaling met dwaling bestrijdt.
Nu zou ik op mijn beurt Calvijn kunnen citeren wanneer hij zegt dat niet alle stukken van de leer even zwaar zijn, maar dan blijven we aan de gang en zouden we kunnen verzanden in een citatenspel. ..
Waar het mij om gaat is aan te tonen het grote verschil van benadering van het gevoelen van ds. T. tussen Prof.
Veenhof en dr. W.G. de Vries.
Veenhof schrijft bij de verklaring van ds. T.: "ik vraag met het oog op dit alles alleen: Kan ds. Telder t.a.v. wat in antw. 57 van de Heidelb. Cat. geleerd wordt een ketter worden genoemd?
Or. de Vries maakt de zaak veel erger dan hij is door te spreken van dood is dood-leer en te werken met een citaat dat niet past op de bestreden leer.
Onze kerken hebben gekozen voor handhaving van het belijden in de opstelling van Prof. Veenhof en daarin voor een uitnemender weg.
Wanneer dr. de Vries in zijn boek de tolk is van de vrijgemaakte kerken, zal daar nog heel wat moeten veranderen wil er een herstel van de gemeenschap komen. Zolang we ons gelijk drijven vinden we geen vrede.
Tenslotte: het handhaven van de zuiverheid van de leer mag alleen plaats vinden in oprechtheid en zachtmoedigheid naar uitwijzen van het evangelie van ons behoud.