De pastorie

1991-03-01
  • Jaargang 35
  • nummer 5
Prof.Dr. W.H. Velema heeft een boekje geschreven over de pastorie. Wat is eigenlijk een pastorie? Een adres waar iedereen op ieder moment kan binnen vallen? Of een gewoon huis, zoals alle andere huizen? De pastorie - huis van de gemeente? Het vraagteken is veelzeggend. Het verwijst naar een dilemma waar in dit boekje aandacht aan wordt besteed.

Predikantsvrouwen
Het boekje is ontstaan uit een lezing voor predikantsvrouwen. Een groot gedeelte van de tekst gaat dan ook over de vrouw van de predikant. Velema benadrukt dat haar leven niet los is te denken van de roeping die de predikant heeft ontvangen en op wil volgen (32). Wel merkt hij op dat ook de vrouw van bv. een arts of een boer door het huwelijk vaak intensief betrokken is bij het werk van haar man.
In een lijstje komen 'knelpunten' naar voren, zoals deze door echtgenoten van predikanten werden ervaren (16).
Een ander lijstje onderscheidt een aantal 'typen' predikantsvrouwen. Het maken van dergelijke typologieën is een hachelijke zaak. Ik heb deze opsomming met enige aarzeling gelezen en ik heb er ook achteraf mijn twijfels over (Velema relativeert deze lijst zelf aan het eind van het boekje). Misschien was dit gedeelte interessant als punt van zelfonderzoek bij die lezing voor predikantsvrouwen. Zelf kreeg ik het gevoel dat ik een tekst zat te lezen die niet voor mijn ogen bedoeld was.

Werkdruk
De NCRV zond op 15 februari 1991een programma uit waarin aandacht werd gevraagd voor de positie van predikantsvrouwen.
Er waren schrijnende voorbeelden van stukgelopen relaties.
Gelukkig eindigde het programma met een bemoedigend gesprek met een echtpaar dat de weg naar elkaar had teruggevonden.
De spanningen die veel echtgenoten van predikanten aangeven hangt vaak samen met de werkdruk van de predikant.
Velema schrijft dat het erop kan lijken dat er 'een ander in het spel is'.
Die ander is dan niet één persoon, maar de gemeente, die als derde partner (en dus als rivaal) in het huwelijk beleefd kan worden (33). Werkdruk kan op een heel verschillende manier tot uiting komen. "Gemiddeld werkt een predikant 58 uur per week. Er zijn er die het dubbele aantal uren maken" (13).
Ik denk dat naast het aantal uren vooral de psychische druk belastend is: het gevoel dat het werk nooit af is.
Van een preek of een catechisatie kun je op een bepaald moment zeggen dat 'het er weer op zit'. Maar er zijn zoveel andere taken: wat heeft er dan voorrang? Vooral het pastoraat lijkt een bodemloze put. Soms voelt een predikant zich schuldig als hij een dag vrij heeft: er ligt immers nog zoveel werk te wachten?

Veranderende wereld
Vrijwel iedereen lijkt het erover eens te zijn dat het ambt van predikant in onze tijd zwaarder is dan vroeger. In het derde hoofdstuk geeft de auteur enkele redenen aan die de werkdruk vergroot hebben. Hij noemt de demokratisering, de secularisatie, de gekompliceerdheid van de hedendaagse samenleving, relatieproblemen in de gemeente, de verwachting die de gemeente koestert van de predikant. De eerste drie onderwerpen zijn bijzonder komplex, maar ze worden in net iets meer dan 2 pagina's tekst besproken.
Daardoor staan er in dit gedeelte (te) ongenuanceerde uitspraken.
De relatieproblemen vragen in deze tijd veel aandacht van pastor en kerkeraad.
Dat ligt m.i. niet alleen aan het feit dat spanningen in aantal toenemen, maar de problemen worden ook minder in de kring van de familie 'opgelost' (families wonen immers veel meer verspreid). Daardoor komt er meer op het bordje van predikant of kerkeraad terecht. "Een predikant kan geen kontakten onderhouden zonder in die relatieproblemen betrokken te worden" (23). Terecht merkt de auteur op dat de predikant in de eerste plaats pastor moet zijn (en dus geen psycholoog of maatschappelijk werker, al valt het onderscheid niet altijd scherp te trekken). Naast de belasting in tijd speelt bij deze problematiek vooral de psychische belasting. De predikant heeft zijn ambtsgeheim en worstelt daardoor vaak alleen met de problemen.
Bovendien verlangt men in een konflikt ook al snel van hem om partij te kiezen. In dit boekje komt vooral tot uiting hoe deze spanningen van invloed kunnen zijn op het gezinsleven van de predikant.

Wat verwacht men van de predikant?
Velema schrijft dat de verwachtingen die men heeft van de predikant kunnen leiden tot een identiteitscrisis van de pastor en zijn vrouw. Het ligt in de aard van het boekje dat vooral wordt ingegaan op de invloed van het werk op de gezinssituatie. Hierin ligt de belangrijkste beperking van deze publikatie: de eigenlijke doelgroep is smal en betreft slechts het gezin van de predikant.
Ten aanzien van de leden van de gemeente wil ik enkele aanvullende opmerkingen plaatsen. Ik heb de indruk dat er geen beroep is waar men zoveel van verwacht als van het ambt van predikant. Zonder er een specifieke opleiding voor te hebben gehad moet hij een goed therapeutisch inzicht hebben, konflikten hanteren, vergaderingen leiden, verhalen voor de kinderen vertellen, goed onderwijs geven aan allerlei leeftijdsgroepen. En dan zwijg ik nog maar over de eisen die er aan prediking en pastoraat (altijd beschikbaar zijn) worden gesteld.
Ik vraag me ook af of gemeenteleden en kerkeraden zich wel voldoende realiseren welke invloed spanningen en partijvorming binnen de gemeente op het werk van de predikant kunnen hebben. Het gaat in een gemeente niet om een zakelijke relatie. Wanneer broeders en zusters van elkaar vervreemden, raakt dat mensen in hun hart.
Allerlei gemeenteleden stellen allerlei (soms tegenstrijdige) eisen aan de predikant. De andere kant is: welke eisen stelt de predikant aan zichzelf?
Kent hij zijn grenzen? Vindt hij van zichzelf dat hij alles perfekt moet kunnen en altijd beschikbaar moet zijn?

Kommer en kwel in de pastorie?
Een gevaar van de huidige publikaties over predikantsgezinnen is wel dat men te negatief gaat denken over het ambt van predikant. Men zou bijna gaan denken dat het celibaat het enige alternatief is... Als alles goed gaat, wordt dit als vanzelfsprekend ervaren.
Als het niet goed gaat komt er een moment waarop een bepaald onderwerp de aandacht gaat trekken. Maar het zou een verkeerde interpretatie zijn wanneer er naar aanleiding van allerlei publikaties nu gedacht zou worden dat een predikantsgezin louter kommer en kwel ontmoet. Ook is het natuurlijk niet de bedoeling om het gezin van de predikant als een kasplantje te gaan benaderen.
Velema richt de schijnwerper op de positie van de echtgenote van de predikant.
Komt zij niet tekort door het vele werk dat op de schouders van haar man rust? Welke rol moet zij vervullen? Kan ze een zelfstandige baan kiezen? Wat is de plaats van de kinderen?
Hoewel in dit boekje veel spanningen aan de orde komen, noemt Velema ook de 'vreugden van het ambt' en predikantsechtparen die vanuit de pastorie de gemeente willen dienen (19,66). Wie over dat ambt 'van binnen uit' nog iets wil lezen moet de laatste 'Opbouw' van vorig jaar maar eens ter hand nemen. Ds. J.H. Veefkind schreef toen op bijzonder treffende wijze over de 'Herder op den velde'.

Zorg voor de predikant en zijn gezin
Kerkeraad en gemeente zijn verantwoordelijk voor het levensonderhoud van de predikant. Een ander aspekt (dat niet altijd voldoende naar voren wordt gebracht) is de vraag hoe de gemeente zorg kan dragen voor het 'leefklimaat' in de pastorie. Welke 'arbeidsomstandigheden' zijn nodig om het werk vol te kunnen houden? De predikant en zijn gezin vormen daarmee onderwerp van pastorale zorg.
"Het is ook voor de leden van de kerkeraad en van de gemeente belangrijk om iets van de spanningen aan te voelen" (18). De oproep van de Hebreeënbrief kan hier aan de orde gesteld worden. "Kunnen de predikant en zijn vrouw hun werk met vreugde doen?" De toevoeging in de tekst is veelzeggend: "en dus niet al zuchtende, want dat zou U geen nut doen" (Hebr. 13:17b).
Ik vind het jammer dat Velema zijn boekje niet heeft uitgebreid met een praktische bijdrage over de relatie tussen gemeente en predikant (al staan er wel adviezen in de tekst en kunnen andere er indirekt uit afgeleid worden). Hoe kan de gemeente (of kerkeraad) inspelen op het gezinsleven van de predikant? Het is (ook) in het belang van de gemeente als duidelijk is wat men van de predikant kan verwachten, als men rekening houdt met zijn grenzen en die van zijn gezin, wanneer men hem en zijn vrouw de gelegenheid geeft om kontakten te onderhouden met kollega's en vrienden, hem en zijn gezin genoeg vrije tijd gunt, hen de ruimte geeft om hun talenten te ontplooien.
AI schrijvende bemerk ik dat ik vooral over de predikant schrijf, terwijl in het boekje van Velema het aksent ligt op de vrouw van de predikant. Deze verschuiving geeft ook de verwevenheid aan. Ik ben dankbaar voor het vele goede dat God door het werk van predikanten aan onze kerken geeft. Tegelijkertijd besef ik dat predikantsvrouwen daarin een niet te onderschatten "eigen bijdrage leveren aan een stuk gemeenschappelijk werk" (45). Veel van dat werk gebeurt vanuit de thuisbasis, de pastorie. "Niet het huis waarover de gemeente zomaar kan beschikken. De bewoners hebben hun eigen rechten. Toch is er wel een relatie.
Hoe de relatie wordt gevuld, is afhankelijk van het gezin van de predikant.
Daarom is de ene pastorie de andere niet" (67) schrijft Velema in het slothoofdstuk. De gemeente moet het predikantsechtpaar hun thuisbasis gunnen. Zodat zij hun werk in dienst van God en Zijn gemeente vol kunnen houden. .

Naar aanleiding van: Dr. W.H. Velema: De pastorie - huis van de gemeente? Uitgave: KokIVoorhoeve, Kampen, 1990. 70 pagina's, f 14,50.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief