Het verbond en Israël
1991-03-15
De Golf-oorlog houdt de gemoederen sterk bezig. We hebben allemaal het besef dat er geweldig belangrijke dingen op het spel staan en dat er aan de fundamenten van onze westerse beschaving geschud wordt. Wat gaat een opnieuw zelfbewust geworden Islam ons aandoen? Of wat doen wij hun aan? Welke zonden der vaderen gaan aan ons bezocht worden? In het Midden-Oosten, waar aller ogen naar toe gericht zijn, ligt ook Israël. Het had onze belangstelling al sterk, maar dat verhevigt zich nu niet weinig. Veel christenen kijken vandaag in hoop en verwachting Israëls kant uit. De vraag uit het Nieuwe Testament schijnt hun op de lippen te branden: "Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? (zie Handelingen 1:6). Die christenen die voor Israël onder koning Christus nog een grote toekomst voorzien, maken wel bijzonder spannende tijden door. "Die christenen die ..."? Horen wij daar dan niet bij?- Jaargang 35
- nummer 6
Zeker niet algemeen en dat heeft zijn reden.
In het Nederlands Dagblad las ik onlangs over een Christelijke Gereformeerde predikant die zich publiek afvroeg hoe het komt dat het onderwerp 'Israël' zich bij de Vrijgemaakten maar in een matige belangstelling mag verheugen, terwijl toch de verbondsqedachte bij hen zeer sterk leeft, en dat dat bij de Christelijke Gereformeerden, die met het verbond minder nadrukkelijk in de weer zijn, precies andersom ligt. De naam van de predikant ben ik vergeten, maar de waag is bij mij blijven haken. Ik voelde me ook aangesproken omdat ik mijzelf theologisch nog altijd tot de Vrijgemaakten reken. En ik denk dat ik op de gestelde vraag een gedeeltelijk antwoord weet.
Ik ben zelfs zo vermetel te beweren dat ik me met dat probleem al eens eerder heb bezig gehouden. Dat was toen ik enige tijd geleden in Opbouw over de theoloog Hoedemaker schreef onder de titel 'Heel de kerk en heel het volk ... en heel Israël' (zie Opbouw, 33e jrg. nr. 18, 1 september 1989). Ik legde toen verband tussen de ruime verbondsopvatting (de 'volkskerk'-gedachte) die je bij de geestelijke afkomelingen van-Hoedemaker, de Konfessionelen in de Nederlandse Hervormde Kerk, kunt vinden en de beschouwingen in.die kerk omtrent Israël als volk van het verbond. Ongeveer als volgt: zoals het Nederlandse volk als gedoopte natie, ook zonder daadwerkelijk in Christus te geloven, tot het verbond behoort, zo is dat met Israël als volk der besnijdenis evenzeer het geval.
Hier was en ben ik het niet mee eens.
Tegenover dit hervormde gedachtengeheel plegen immers de Gereformeerden te beklemtonen dat er in alle verbonden twee delen begrepen zijn, te weten belofte en eis, en dat als die eis ('Geloof in de Here Jezus Christus en gij zult behouden worden') stelselmatig en konstant verwaarloosd wordt, onverschillig of dat door joden of door christenen gebeurt, op (jen duur het verbond zelf gevaar loopt. Tenminste, het verbond als relatie. Het is waar, in de blijvende verbondsbelofte is er dan toch nog een voortzetting. De deur blijft open. Maar zoals het voor een huwelijk te weinig is dat de een voor de ander de deur openhoudt, zo is dat met het verbond ook het geval.
Nu weet ik wel dat de Konfessionelen in de Nederlandse Hervormde Kerk de Christelijke Gereformeerden niet zijn.
Ook de volkskerk-gedachte vind je bij de laatsten niet. Hoe het dan ook te verklaren is dat bij hen het onderwerp 'Israël' meer favoriet is dan bij de Vrijgemaakten, weet ik niet. Misschien dat ze op dit punt meer hervormd zijn dan zij zelf beseffen. Doel van deze korte notitie is dan ook niet zozeer om de situatie bij de Christelijke Gereformeerden op te helderen, als wel om te verklaren waarom er bij de Vrijgemaakten minder hoopvolle aandacht voor Israël is. Dat staat niet haaks op hun nadruk op het verbond. Juist integendeel!
Aan de gedachte van het verbond zit voor hen immers onlosmakelijk die van de verbondswraak vast.
Onder die verbondswraak staat Israël in zijn standvastige weigering Jezus Christus als Heiland en Verlosser aan te nemen. Evenals dat het geval is met degenen die wel christelijk opgevoed zijn maar zelf tot de geioofskeus niet zijn gekomen of nadat ze ertoe gekomen waren zich er later' van hebben afgekeerd. Dat die verbondswraak voorwaardelijk is en daarom niet definitief behoeft te zijn en dat het voorts de Here God zelf is die aan deze verbondswraak gestalte moet geven mag waar wezen, voor elk van beide kategorieën, maar dat neemt het feit niet weg.
De ernst van de verbondswraak is dus een mes dat naar twee kanten snijdt.
Als de kerk er Israël voor' waarschuwt blijft ze zelf niet buiten schot. Omgekeerd, wanneer de kerk steeds van Israël zegt dat het Gods verbondsvolk is, ook terwijl het nog voor geen gram in Jezus Christus gelooft, kan gemakkelijk bij de ontrouwen in de gemeente de indruk ontstaan dat geloven in Jezus Christus er helemaal niets toe doet om tot het verbond te behoren. En dat hun niets overkomt indien zij blijven bij wat ze zijn. Ik zeg dit niet naar de Christelijke Gereformeerden toe.
Hoe zij aan deze konsekwentie ontkomen, ontgaat mij, maar dat ze eraan ontkomen staat voor mij vast. Echter, in een omgeving waar de verbondswraak in de prediking nadrukkelijk ter sprake komt en in de ambtelijke bearbeiding van de gemeente bewust levendig gehouden wordt, moet voor deze vreselijke gevolgtrekking bij de verbondsbrekers gevreesd worden.
Wanneer de Vrijgemaakten (en op dit punt verschillen de Nederlands Gereformeerden niet van hen! Wee hun als dat wel het geval zou zijn!) de rooskleurige Israël-beschouwing van tegenwoordig toevallen zal dat een verandering van heel hun theologie ten gevolge hebben.
Men beroept zich voor de ruime verbondsbeschouwing wel op het woord van de apostel Paulus in 11Timoteus 2:13: "Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet". Zonder daar nu een uiteindelijketriomf der genade van te maken die eens alle menselijke ontrouw tal wegspoelen (een algemene verzoening dus), leest men dit woord toch wel zo dat Gods trouw de menselijke ontrouw sterk relativeert en zelfs bagatelliseert. Zeker waar het Israël betreft. Nu is het ongetwijfeld zo dat iedere gelovige zich aan dit woord van' de apostel optrekt telkens wanneer zijn eigen ontrouw hem voor ogen komt te saan. Als God ook eens anders was ... Als zijn trouw nu eens niet veel groter was dan de onze ... Zeker.
Toch zit er in het woord van de apostel een implikatie die ons niet mag ontgaan.
Bij het overwicht van Gods trouw over onze ontrouw gaat het vooral om Gods trouw aan Zichzelf.
Zoals uit het vervolg blijkt: "want Zichzelf verloochenen kan Hij niet". En trouw aan Zichzelf is de Here God niet alleen wanneer Hij zijn beloften waarmaakt, maar ook wanneer Hij ons aan zijn bedreigingen niet alleen herinnert maar die ook ten uitvoer gaat leggen.
Er zit dus een enorme vertroosting in dit woord van Paulus, maar uiteindelijk ook een harde kern van waarschuwing en bedreiging, voor het geval namelijk dat wij onze eigen ontrouw gaan systematiseren zodat er een element van verharding in komt. Dan vallen wij onder het oordeel. Dit laatste is in deze tekst niet geëxpliciteerd, maar het volgt toch uit alles wat we van God weten.
Om daar iets van te noemen: het is na de uiterst bedreigende woorden van de Here God aan het adres van koning Saul, dat Samuël toevoegt: "Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw ..." (1 Samuël 15:29).
Dit is een herinnering aan Gods trouw aan Zichzelf. Zichzelf verloochenen kan Hij niet. Maar dat betekent voor Saul dat hij als koning verworpen wordt.
Gereformeerden kunnen Israel niet zonder meer een verbondsvolk noemen, laat staan het volk des verbonds.
Wel zullen zij met Paulus zeggen dat ook voor de joden de genadegaven en de roeping Gods onberouwelijk zijn (Romeinen 11:29). Dat is trouwens ook hun hoop voor de verbondsverlaters in de gemeente. Gods beloften blijven.
Zeker, dat kun je in zekere zin een verbond noemen, in die zin namelijk dat de zelfverplichting die de Here God tegenover Israel op Zich genomen heeft inderdaad wel met de term 'verbond' wordt aangeduid (bijvoorbeeld Genesis 17:2). Dat is naar de gemeente toe ook het geval (Hebreeën 10:29). Maar een verbond in de zin van een levende relatie, een vriendschapsverhouding - nee, dat is het helaas niet. De Here kent de verbondsafhakers wel, maar dat wordt van zijn kant gaandeweg meer een 'kennen van verre' (Psalm 138:6). De relatie verflauwt zoals dat ook niet niet onderhouden vriendschappen gaat. Zo heten de joden bij Paulusdan ook 'geliefden om der vaderen wil' (Romeinen 11:28). Dat is indirekt en zelfs afstandelijk, zoals Mefiboset bij David geliefd was om wille van zijn vadèr Jonathan (11Samuël 9:1 e.v.). Dichtèrbij is het jezelf geliefd te weten om Ghristus' wil. En dat is wat de gemeente 'van zichzelf mag zeggen. Als ze tenminste in Christus blijft...