Boekbespreking

1991-03-15
  • Jaargang 35
  • nummer 6
Delen in het heil
Delen in het heil - Over de toeëigening van het heil in Christus - Dr. W.H. Velema (red.), Drs. W.J. Ouist, Or. C. Trimp en Or. W. Verboom. Uitgeverij Kok-Voorhoeve - Kampen. 85 pagf 16,50.
Wij vinden in dit boekje de vier tijdens themadagen van de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken gehouden voordrachten gebundeld. Het gaat daarin om de vraag hoe een mens deel krijgt aan het heil, dat door Christus op Golgotha verdiend is. Hoe is de Geest van Christus daarin aktief? Wat is de plaats van de mens daarbij? Wat is de aard van het geloof en de funktie van de verkondiging in dat kader? Welke taak heeft in dat proces het verdere pastoraat waar het zich toespitst op de enkeling in de gemeenschap van de kerk?

Drs. W.J. Quistschrijft dan over de toeëigening van het heil in de brieven van Paulus. Hij 'maakt goede opmerkingen en belicht verschillende facetten van het gekozen onderwerp. We nemen zijn samenvatting over: "Ten, eerste: De Here God Zèlf neemt - door zijn Geest - de toeëigening des heils ter hand, krachtig en trouw. Daarbij gebruikt Hij Woord, water en wijn als de middelen waardoor Hij ons verzekert van zijn genade en liefde in Christus.
De mens wordt bij dit alles niet gedepersonaliseerd of uitgeschakeld, maar juist als persoon ingeschakeld en aktief gemaakt".
Het heeft ons eigenlijk verwonderd, dat de schrijver geen aandacht heeft geschonken in dit verband aan wat Paulus schrijft aan Titus: "Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen ..." (Titus 2:11).
Als Ouist ook het daaropvolgende in Titus 2 erbij betrokken had en nader had geëxegetiseerd, zou hij bepaalde zaken van de heilsorde op een rijtje hebben kunnen zetten. Want mèt Christus komen zijn gaven mee!
Voorts heeft Gods filantropie een pedagogische trek! Verder laat de apostel Paulus duidelijk in zijn brieven merken, dat de verwachting van de voltooide komst van de Heer van essentieel belang is voor de toeëigening van het heil.
Als dat niet het volle aksent ontvangt wordt de spiritualiteit gemist en verzandt het geheel in een dorre dogmatische beschouwing. Dan is de mens met zichzelf bezig in het hier en nu terwijl de betrokkenheid op de nieuwe wereld wordt gemist.
Dan ontbreekt de eschatologische spanning. Deze notie hebben wij hélaas gemist in de bijdrage van Drs. Quist.

Dr. C. Trimp handelt over de toeëigening van het heil in het perspektief van historie en konfessie. Hij gaat summier na wat in diverse konfessies over dit thema is gereleveerd. Het onderricht van Luther en Calvijn komt nader aan de orde. De bediening van Woord en beide sakramenten neemt een centrale plaats in wanneer Trimp zijn betoog toespitst op de BELOFTE: de goede boodschap waarin God met zijn heil naar ons toekomt.
Maar wij hebben een nadere beschouwing over de dominerende rol van de kerk als lichaam van Christus gemist.
Het gaat nl. niet alleen om de individuele mens. De gemeente van Christus is daarbij voluit betrokken.
De gave van de H. Geest is een geschenk aan de gemeente en de prediking van het evangelie is een zaak van de kerk! Calvijn ziet een onverbrekelijke band tussen Geest - Woord-
Kerk. Het lichaam van Christus is een door de Geest in het aanzijn geroepen, met de Geest vervuld en door de Geest geleid 'organisme'. En wij hebben deel aan de Geest inzover wij dáaráan deel hebben. Verder levert Trimp ons een goed en sluitend verhaal waarmee wij onze winst kunnen , doen.

Dr. W.H. Velema schrijft over de toeëigening van het heil in de prediking.
Hij noteert, dat in de hedendaagse vakliteratuur veel aandacht wordt gevraagd voor de hoorder. Het gaat dan om de mens in de prediking. Maar daarmee is volgens Velema nog niet het onderwerp van dit opstel geraakt.
Hij besteedt dan zélf ook in zijn bijdrage aandacht aan de mens, maar formuleert het als: de mens aan wie de Geest het heil toeëigent. Inderdaad.
Maar Trimp heeft in zijn bijdrage gememoreerd, dat het ook gaat om de mens en om de vraag naar de funktie van de mens en het gelo,of van de mens in dat heilsproces. In een voorlopige konklusie zegt Dr. Velema, dat wij ons moeten wachten voor een selekte benadering van het geloof alsof wij nooit over ervaringen en gewetenssituaties zouden mogen spreken. Geloof is toch leven en daarom beleven! Maar wij moeten aan de andere kant, zo poneert hij, ons ervoor wachten deze ervaringen tot norm voor de verkondiging te maken. Dan wordt het een systeem, dat wij aan de prediking van het evangelie opdringen. Velema aanvaardt wél het noemen van kenmerken' als tekenen van het levend zijn van het geloof en refereert daarbij o.a. aan Jacobus, die over een dood geloof spreekt. Toch vind ik, dat hier gevaren' dreigen.
De mens houdt zo gauw zich meer bezig met zijn geloof dan dat hij ziet op Christus en de belofte van het evangelie. Verder berî'Ik in tegenstelling tot Dr. Velema niet zo gecharmeerd van het spreken over onderscheidingen binnen hèt geloof. Ik vrees, dat daardoor hët gebrek aan vrijmoedigheid wordt gedekt.

Dr. W. Verboom heeft het tot slot van dit boek over de toeëigening van het heil in het pastoraat. hij stelt terecht, dat de Heilige Geest Zich juist in zijn toepassend werk van mensen wil bedienen.
In de praktijk van het g'emeenteleven hangen prediking en pastoraat samen en wel heel naûw. Als het goed is, is de prediker op zondaq en door de week pastoraal bezig als herder en leraar. Verder geeft Verboom een schets van enkele modellen, die wij in de praktijk van het pastoraat tegenkomen: het zgn. arrivé-model, het onverschilligheidsmodel, het aktivistische model, het passivistische model, het aanvechtingsmodel en het groeimodel.
In deze schets zitten waardevolle elementen.
Maar er zijn ook punten, die kritiek oproepen.
Als de schrijver het zgn arrivé-model bespreekt (dat is de houding van iemand, die op een oppervlakkige manier ervan uitgaat, dat je automatisch deel hebt aan het heil in Christus) brengt hij naar voren, dat zo iemand eraan ontdekt moet worden, dat het allemaal niet zo vanzelfsprekend toegaat in de toeëigening van het heil. Je moet nl. bekeerd worden. Maar bestrijdt Verboom zo niet het ene kwaad (het automatisme) met het andere (passivisme)?
Aan het eind van zijn bijdrage geeft Dr. Verboom aan, dat zelfkennis voor de pastor onmisbaar is. Hij moet ook zélf van genade leven. Daarom is ambtelijke ootmoed vereist!
Toeëigening van het hellnet is een precaire en tere zaak. Want het gaat daarbij.om
het werk van de Heilige Geest IN demens!

Alles samenvattend komen wij tot dekonklusie, dat dit boekje een indruk
geeft van de fundamentele overeenstemming die in bepaalde kringen van de zgn. gereformeerde gezindte over dit onderwerp heerst. Onze bespreking bevat verschillende kritische notities. Maar dat doet niets af van onze waardering voordeze bundel.
Hierin wordt ons voldoende stof. geboden, die ons van dienst kan zijn bij de voortzetting van de diskussie over dit onderwerp!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief