Israël nu (1)
1991-04-12
Van het een komt het ander. Twee nummers terug schreef ik in Opbouw een artikel over 'Het verbond en Israël' en in het vorige nummer van ons blad reageerde mijn kollega ds.- Jaargang 35
- nummer 8
J.D. Houtman uit Apeldoorn daarop in kritische zin. Ik wil beginnen met hem te bedanken voor de vriendelijke wijze waarop hij met mij van mening verschilt. Het onderwerp is wat je noemt een 'hot issue' en deze hitte deelt zich heel gemakkelijk mee aan de diskussie erover. Maar niet aldus bij Jan Houtman.
Ik zal proberen in gelijke geest te antwoorden.
Eigenlijk is het niet mijn bedoeling geweest het gesprek over Israëlstoekomst-in-bijbels-licht te heropenen.
Ik heb daar een en andermaal in Opbouw een gespreksronde over opgezet en omdat ik er nog net zo over denk als toen, gevoelde ik bij mijn laatste artikel geen behoefte mij daarover opnieuw te uiten. Ik wilde het hebben over Israël zoals het nu vandaag is. Of beter gezegd: over de kerk zoals die over het huidige Israël denkt en spreekt. Ik heb tijdens de Golfoorlog gebeden gehoord als: 'Gedenk, Here, Israël, want het is uw volk, uw oude volk, uw verbondsvolk ...' Daar heb ik wat aanstoot aan genomen. He, dacht ik, hoe zouden die predikanten bidden voor hun afvallige gemeenteleden?
Die dragen toch ook het teken van het verbond? Zelfs nog een geldiger teken dat de Joden. Niet de besnijdenis immers maar de doop. Zouden zij die kerkverlaters ook zo met nadruk 'uw kinderen' noemen? Of zouden zij om hun bekering bidden? En zo vatte Ik het besluit op om daar toch eens wat over te zeggen. Ik overwoog dat al kunnen we het dan in onze kleine kring over Israëlstoekomst niet eens worden, wij in ieder geval tot een gemeensçhappelijk gevoelen zouden kunnen komen ten aanzien van Israëls heden. Misschien hebben zij die voor Israël nog een grote toekomst in Gods koninkrijk voorzien gelijk - we zullen dat hoe dan ook moeten afwachtenmaar voor- en tegenstanders van die visie zullen elkaar toch kunnen vinden in de nuchtere vaststelling dat het Israël van nu buiten het heil van Christus staat.
Israëls heden en toekomst
Mij blijkt nu uit de reaktie van ds. Houtman dat mijn onderscheiding tussen Israëls heden en Israëls toekomst niet overgekomen is. Hij betrekt toch Israëls toekomst erbij en praat eigenlijk over niets anders. Daarmee bevestigt hij mij in een vermoeden dat ik eerlijk gezegd al lang bij me omdraag dat namelijk bij sommigen de toekomstverwachting ten aanzien van Israël zo buitengewoon sterk is dat zij Israëls heden niet anders dan in het licht daarvan kunnen zien en zijn tegenwoordig ongeloof niet anders dan als voorlopig-en-dus-minder-erg kunnen beschouwen. Ds. Houtman zal misschien zeggen dat dat bij mij ook het geval is, in het omgekeerde dan. Dat ik omdat ik die toekomstverwachting niet deel, over het huidige Israël (vanuit christelijk-religieus standpunt gesproken) zo'n negatief oordeel heb. Toch .probeer ik dat uit elkaar te houden.
Toekomst is toekomst en heden is heden. Trouwens, wat die toekomst van Israël betreft heb ik vrij open opvattingen.
Er is bij mij niet veel dat niet kan. Waarom zou Israël zich niet massaal kunnen bekeren? Uit respekt voor die mede-gereformeerden van mij die op grond van de hoofstukken 9-11 van de brief aan de Romeinen een volksbekering van Israël in het verschiet zien (de lezer kan weten dat ik die opvatting niet deel) wil ik het al of niet gereformeerd-zijn van die mening nadrukkelijk buiten beschouwing laten.
Daarvoor vind ik Paulus op dit punt te onduidelijk. De toekomst zal ons vanzelf leren wie of er met zijn uitleg gelijk had. En komt er zo'n volksbekering van Israël tot onze Here Jezus Christus dan zal ik die allerhartelijkst begroeten.
AI zal ik me ook dan nog afvragen of daarmee Romeinen 9 - 11 in vervulling gaat. Immers, Romeinenbrief of geen Romeinen-brief, voor ieder volk staat overal en te allen tijde de weg naar Jezus Christus open., Ik zal daarom nooit ofte nimmer de mogelijkheid van een massale bekering van het Joodse volk tot Jezus Christus ontkennen. Zo min als ik dat ten aanzien van welk ander volk ook zal doen.
Maar hoe dat ook zij, we hebben nu te maken met een lsraët dat hetzij in de verstrooiing hetzij in Palestina in grote meerderheid, niet uit onkunde maar bewust, nee zegt tegen de belijdenis van Jezus Christus als de enige Zaligmaker.
En daarmee plaatst dit volk zich buiten het christelijke heil, precies zoals dat het geval is met een ieder die willens en wetens het geloof in deze Zaligmaker weigert.
Dode relatie
,Ja, maar beperkt u zich wel tot het heden? U hebt toch geschreven dat de relatie tussen God en Israël verflauwt zoals dat met niet onderhouden vriendschappen gaat? En hebt u daarmee dan geen beslissing voor de toekomst van Israël genomen· en een uitspraak over wat er voor Israël komen gaat gedaan?' Nee, ik denk het niet. Ik heb ook geschreven dat de , genadegaven en de roeping Gods naar Israël toe onberouwelijk zijn, of liever, dat heeft Paulus geschreven en ik haalde dat aan. De Here kan een doodgelopen relatie in een mum van tijd weer tot leven brengen. Denk maar aan de gelijkenis van het knekeldal in Ezechiël 37. Maar dat geeft ons nog niet het recht om onder beroep op dat alvermogen Gods het dood-zijn van die relatie voor het heden te ontkennen.
'Ja, maar luister nou eens, de Joden zijn een vroom volk, beschamend vroom zelfs, wou u dan van een dode relatie spreken? Het verbond is springlevend bij hen'. Het enige dat ze missen is Jezus Christus van het Nieuwe Testament. Maar tweederde van de Schrift hebben ze al'. Hiertegenover wilik stellen dat de Joden voorzover ze religieus zijn een totaal andere godsdienst belijden dan de christelijke. Ik heb geen behoefte om vroomheid in het jodendom of in de islam of in welke andere godsdienst ook maar te ontkennen, maar als je mij vraagt of dat bijbelse vroomheid is dan zeg ik nee. En dus kan ik zulk verbondsleven niet als legitiem erkennen.
Een voorbeeld
Laat ikdit aan een voorbeeld duidelijk maken. Ik herinner mij nog dat erin de tijd van 'de drie van Breda' een tvdebat was tussen rabbijn Soetendorp en professor Verkuyl. Het ging erover of die oorlogsmisdadigers losgelaten moesten worden, ja of nee. De rabbijn zei nee, de professor ja. Over die beide standpunten gaat het mij nu niet.
Ik geloof dat ik me toen eerder in de' argumenten van de nee- dan in die van de ja-zeggers kon vinden. Dat komt doordat ik nogal streng scheiding maak tussen kerk en staat. De overheid mist het vermogen om te vergeven omdat ze ook nietvergevingsgezinde mensen vertegenwoordigt, en ook móet vertegenwoordigen (want je kunt die niet wegsturen). Maar zoals gezegd, daarover nu niet. Mij trof toen iets opmerkelijks.
Verkuyl pleitte vurig voor vergeving en barmhartigheid, zoals een christen voor wat betreft de persoonlijke houding betaamt. Hij had zich daarbij duidelijk ingesteld op een Joodse gesprekspartner en vermeed daarom iedere aanhaling uit het Nieuwe Testament. Wanneer hij zich op de Schrift beriep betrof dat steeds een tekst uit het Oude Testament. Hij verwachtte kennelijk dat de rabbijn dat ook zou doen en dat het gesprek zich op dat eerste deel van de Schrift zou toespitsen. Maar dat gebeurde niet.
Soetendorp beriep zich voortdurend op de Talmoed en ging aan de teksten die Verkuyl noemde tamelijk ruwweg voorbij. Toen bleek eigenlijk dat het niet echt waar is dat jodendom en christendom het grootste deel van de Schrift gemeen hebben. De Talmoed heerst bij de Joden veel meer over hun Tenach (zoals zij hun bijbel noemen) dan het Nieuwe Testament dat over het Oude doet. Verkuyl kon het Nieuwe Testament dicht laten en dan toch in het Oude vinden wat van zijn gading was, uiteindelijk omdat Oude en Nieuwe Testament allebei een en dezelfde boodschap afgeven: die van Gods barmhartigheid. Maar Soetendorp maakte dit terugvallen enkel op het Oude Testament kenmerkenderwijs niet mee. Zich in de Talmoed ingegraven hebbende kon hij dat ook niet. Ik verwerp dan ook de redenering dat de Joden tweederde van de Schrift al hebben, vooral wanneer daar de suggestie in mee moet komen dat zij al voor tweederde op weg zijn naar ons geloof. Zij hebben een ander geloof want zij hebben als het erop aankomt een andere bijbel. Ik schrik er dan ook niet voor terug te beweren dat het verbond, zoals wij dat 'in Christus' (eerst in de komende Christus van het Oude Testament en dan in de gekomen Christus van het Nieuwe) mogen verstaan, bij hen een dode zaak is.
Afstandelijkheid
Houtman houdt mij echter het woord van Paulus uit Romeinen 11:28 voor dat de Joden naar de verkiezing geliefden zijn om der vaderen wil. Nu had ik deze tekst ook al opgebracht, maar juist om te laten zien dat er een afstandelijkheid gekomen is in de verhouding tussen God en Israël. Mijn kollega begrijpt niet hoe ik dat kan zeggen. Nu, ik stelde 'om der vaderen wil' tegenover 'om Christus' wil'. God bemint Israël om der vaderen wil en Hij bemint ons om Christus' wil. Dat laatste is meer dan het eerste, daar zullen we het samen wel over eens zijn. De verkiezing om der vaderen wil verbleekt bij de verkiezing in Christus.
De vaderen immers zijn wel oud maar niet eeuwig. Christus is dat wel, Hij is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. Ik heb de vergelijking tussen de vaderen en Christus op het punt van de verkiezing eerder uitgewerkt in mijn boek over Deuteronomium (bijvoorbeeld dl. I, p.126 en dl. II p. 82/3). Trouwens, bij meerdere gelegenheden, ook in Opbouw wel, heb ik proberen duidelijk te maken dat de verkiezing van Israël, die een verkiezing 'in' de vaderen of om der vaderen wil is, zich in het Oude Testament gaandeweg meer koncentreert in de verkiezing van het heiligdom op de Sion en van het Davidshuis, nieuwtestamentisch gezegd: dat ze meer en meer een verkiezing 'in Christus' wordt (zie Efeziërs 1 : 4). En dat daarmee de verkiezing een beter fundament krijgt,
namelijk in de verzoening.'
Israël en Juda
Verdwijnt daarmee het 'om der vaderen wil' helemaal uit het beeld? Nee, in de buitenste cirkel van de verkiezing blijft dit gegeven een rol spelen, daar waar de Israëlieten zich niet in het heiligdom of in het Davidshuis, dat wil zeggen: in de komende Christus, willen laten onderbrengen. Over hen blijft om der wille van de vaderen een schaduw van de verkiezing hangen. Zo lezen we in II Koningen 13: 23, waar het over het Tien-stammen-rijk gaat dat zich onder Jerobeam van David en Jeruzalem afgescheiden heeft en dat onder het huis van Jehu ondanks de grote afvalligheid toch nog enig respijt krijgt: "Maar de HERE was hun genadig, erbarmde zich over hen, en keerde zich weer tot hen terwille van zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob; Hij wilde hen niet verdelgen en had hen nog niet van voor zijn aangezicht verworpen". Hier heb je de verkiezing om der vaderen wil. Maar deze is veel zwakker dan de verkiezing van Juda om Davids wil. "Nog nietVerworpen", heet het immers zuinigjes van het noordelijk koninkrijk, terwijl van de.
twee stammen in II Koningen 8: 19- het is dan de tijd dat het koningshuis in Jeruzalem het huls-van Achab achterna gaat - gezegd wordt: "Maar de HERE wilde Juda rnet'verderven terwille van zijn knecht David die Hij immers had toeqezeqdhern te allen tijde een lamp voor zijh zonen te zuIlen geven". Hier wordt de verkiezing vastgemaakt, niet in Gods liefde tot de vaderen Abraham, lsaak en Jakob, maar in de Natansbelófte van 11Samuel 7, hetgeen uiteindelijk haar eeu"
wigdurendheid garandeert voor allen die zich tot 'David' willen bekennen.
(De naam David zet ik nu tussen hoge komma's om goed te laten uitkomen dat ik de David van de belofte, uiteindelijk de Christus, bedoel.) In deze twee teksten zie je de verkiezing 'in' de vaderen en de verkiezing 'in' Christus naast elkaar staan in een duidelijke verhouding van minder en meer.
Niet niets maar ook'niet alles
Dit verschil nu tussen Israël en Juda onder de oude bedeling heeft zich in het Nieuwe Testament voortgeplant in dat tussen de Joden en de christelijke gemeente (die uit Joden en niet-Joden is samengesteld). Zo kom ik ertoe de verkiezing om der vaderen wil en het geliefd zijn om der vaderen wil van de Joden, in vergelijking met het verkoren-zijn in Christus en het geliefd-zijn om Christus' wil van de gemeente, afstandelijk te noemen. Het is niet niets maar het is zeker niet alles. Het is een bevoorrechting die duidelijk om een vervolg vraagt. Men moest reeds onder de oude bedeling zijn roeping-en-verkiezing-om-dervaderen-wil vastmaken in die van de komende Christus, zoals wij dat nu in die van de gekomen Christus moeten doen. Het feit dat wij uit christelijke ouders ('vaders' en moeders) geboren zijn is voor ons behoud immers niet voldoende. Weigeren wij dat vastmaken echter dan komt er ook in onze verkiezing iets afstandelijks. Ik gaf ook een voorbeeld van die afstandelijkheid: Mefiboset die bij David geliefd was om wille van zijn vader Jonatan.
Met vader Jonatan was David zeer nauw verbonden, maar met zoonlief Mefiboset werd de verhouding bepaald koeltjes. Dat lag 'niet aan David maar aan Mefiboset; niet ten onrechte stond hij bij de koning onder verdenking van trouwbreuk (zie 11Samuel 19 : 24-30). Een beeld van hoe het tussen God en Israël gesteld is. Een beeld van hoe het tussen God en álle verbondsverlaters gesteld is. Volgende keer hoop ik mijn beantwoording aan ds. Houtman voort te zetten.