Waar niets tegen valt te zeggen ... een onnodig geschil

1991-04-12
  • Jaargang 35
  • nummer 8
"In de eeuw der grote kerkhervorming, van 15 tot 1600, heeft Gods kerk een strijd te voeren gehad op twee fronten, n.m.l. enerzijds tegen de Roomsen en anderzijds tegen de Dopersen. We wezen er reeds op, welk een open oog Guido de Bres voor deze dubbele strijd gehad heeft. Bewijs daarvan zullen we keer op keer aantreffen, wanneer we straks zijn geloofsbelijdenis lezen. Bewijs daarvan willen we echter vooraf opmerken in een tweetal grotere boeken, die van zijn hand verschenen zijn. We hebben ze al genoemd.
Het eerste heet in onze taal 'Stok des geloofs' en het tweede 'De Wortel, den oorspronck ende het fondament der Wederdooperen oft Herdooperen van onsen tijde'. Het eerstè schreef hij tegen de Roomsen, het tweede tegen de Wederdopers."

Zo begint hoofdstuk 11van de Voorzeide Leer, deel lila, waarin Ds. Vonk een toelichting geeft op de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB). De genoemde werken liggen, evenals de Institutie van Calvijn, ten grondslag aan onze NGB. Wie de achtergronden van de NGB wil verstaan, kan niet om deze werken heen.
Het is goed om de artikelen van de NGB te lezen met het oog gericht op deze twee boeken om te voorkomen, dat het juiste inzicht in de betekenis van artikelen uit de NGB of zinsneden daaruit, los raakt van de historische context. Gebeurt dit wel, dan bestaat het gevaar dat aan bepaalde uitdrukkingen een andere inhoud wordt gegeven dan oorspronkelijk de bedoeling was.
Zo heeft Ds. C. Vonk in zijn prachtige toelichting op de NGB telkens weer teruggegrepen naar de door Guido de Bres geschreven werken om de achtergronden van de artikelen des geloofs helder voor de geest te krijgen.
Bijna 100 bladzijden wijdt hij aan de persoon van Guido de Bres en aan twee fronten waartegen de Bres zich richtte. Pas daarna begint hij met de eigenlijke verklaring van de,NGB.

Daartegen valt niets in te brengen
Eén van de zaken die in de Ned. Ger. Kerken de aandacht vragen en de gemoederen bezig houden is de verklaring van Drs. H. de Jong in een Opbouw-vergadering enkele jaren geleden.
Ds. de Jong verklaarde destijds enkele woorden uit art. 4 NGB niet meer voor zijn rekening te nemen.
Art. 4 NGB begint aldus: ,,wij Vatten de Heilige Schrift samen in twee delen, n.m.1. het Oude en het Nieuwe Testament. Dit zijn Canonieke boeken."
'1 Daartegen valt niets in te brengen. In oudere teksten lezen we: "Waar niets tegen valt te zeggen."
Het zijn deze laatste woorden, die Ds. de Jong niet langer voor zijn rekening kon nemen. Inmiddels is hij van gedachte veranderd.
Hij heeft decyerklaring teruggenomen, omdat hijlgemerkt heeft, dat hij daarmee broeders en zusters verdriet had aangedaan. Hij zegt in dat verband, dat hij graag bereid was zijn verklaring terug te nemen, maar dat hij het probleem dat er z.i. ligt niet terug kan nernen.rorn dàt probleem gaat het eigenlijk. Welke plaats moet aan de Heilige Schrift voor ons geloof toegekend worden?
Deze vraag raakt de leer van de onfeilbaarheid van de $chrift of beter de onfeilbare Insplratle van de Schrift.
Dat er sprake is van ernstige geschillen blijkt wel uit de tegenspraak die Ds. de Jong ontmoette en uit het verzoek, dat de Ned. Ger. Kerk van Enschede-Noord richtte aan de Landelijke Vergadering van Ede om de volgende uitspraak te maken tot een uitspraak van de Landelijke Vergadering: De werkelijk gereformeerde grondslag is de uitgesproken wil van de Nederlands Gereformeerde Kerken zich als kerken van de Here Jezus te openbaren in deze wereld op basis van:
a. volstrekte erkenning van het onfeilbare Woord van God
b. zoals dat door .de kerken beleden wordt in de Drie Formulieren van Eenheid en aan welke geschriften de kerken gebonden zijn door middel van het ondertekeningsformulier voor ambtsdragers.
Volgens sommige opponenten van Ds. de Jong en volgens Enschede-Noord is de leer van de onfeilbaarheid van de Schrift en de binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften in het geding.

Onfeilbaarheidsleer?
Maar is deze stellingname juist? Was het de opzet van de NGB in de artikelen over .de Heilige Schrift en met name in de gewraakte zinsnede 'waar niets tegen te zeggen valt' een onfeilbaarheidsleer met alle konsekwenties daaraan verbonden te belijden?

Ds. Vonk begint de verklaring van art. 4 met er op te wijzen, 'dat we de aandacht moeten richten op de hoofdzaak en b.v. niet menen, dat de kerk speciaal heeft willen belijden, dat David alle psalmen gedicht heeft, hoewel in art. 4 NGB alleen sprake is van 'de psalmen van David'. Evenmin is het een ketterse afwijking, wanneer iemand vandaag zegt, dat de brief aan de Hebreeën niet van Paulus is. Ook Calvijn schreef in de inleiding op zijn commentaar van de brief aan de Hebreeën: "ik kan niet.geloven, dat hij door Paulus is geschreven" (Aldus Ds. Vonk in een noot op bldz. 172 van zijn boek).
Ds. Vonk schrijft letterlijk: "Om zulke dingen was het onze voorouders in hun zware strijd tegen Rome en de Wederdopers helemaal niet te doen.
Neen, zij beleden hier welke boeken de kerk erkent als tezamen vormende de Heilige Schrift".
De kerk der reformatie streed op twee fronten. Tegen de Roomsen beleed de kerk dat die boeken in getal 66 waren en tegen de Wederdopers dat die boeken twee hoofddelen vormden, n.m.1. het Oude en het Nieuwe Testament. De Roomsen hadden en hebben nog altijd in hun bijbel de z.g. apocriefe boeken, die in art. 6 worden opgesomd en die zij ook erkend willen zien. Hoewel Hiëronymus, die de z.g. Septuaginta heeft vertaald in het Latijn, welke vertaling de naam Vulgata kreeg, er voor waarschuwde, dat men de latere toevoegselen aan de Hebreeuwse bijbel (die wij Apocriefen noemen) niet voor canoniek zou aanzien, is toch in de christelijke kerk eeuwenlang een grotere bijbel in gebruik geweest dan wij thans hebben. De Reformatie keerde terug tot de Hebreeuwse bijbel, voorzover het de inhoud betreft en daarmee tot de oorspronkelijke-omvang.
In de strijd tegen de Roomsen ging het om de vraag of de apocriefe boeken gerekend moesten worden tot de Heilige Schrift. Ja, zei de Roomse kerk en zij sprak de banvloek uit op het concilie van Trente over ieder, die aan de Apocriefe boeken wilde raken. Neen, zei de Reformatie, wij keren terug naar de Hebreeuwse bijbel, voorzover het betreft het Oude Testament.
De Wederdopers verachtten het Oude Testament. Guido de Bres sprak de vrees uit dat, tenzij God Zich over hen zou ontfermen, dat zij twee Goden zouden maken, de één een insteller van het Oude Testament en de andere een Insteller van het Nieuwe Testament.
Daartegen richt zich art. 4 NGB, waar beleden wordt: "Wij vatten de Heilige Schrift samen in twee delen, n.m.1. het Oude en het Nieuwe Testament. Dit zijn de Canonieke boeken." De hoofdzaak in art. 4 NGB is derhalve de vraag: Welke boeken zijn canoniek, d.w.z., behorende bij de canon der heilige boeken. Canon betekent oorspronkelijk: catalogus, lijst, register.
De NGB heeft duidelijk stelling genomen tegen de Roomsen, die de Apocriefe boeken daartoe wilden rekenen en tegen de Wederdopers, die het Oude Testament van weinig waarde achtten.
Elke tegenwerping wees zij af met de woorden: "waar niets tegen te zeggen valt".

Bij ondergetekende rees de vraag: Hebben Ds. de Jong en zijn opponenten niet meer gelezen in die woorden als de NGB bedoelde te zeggen? Er is toch niemand onder ons die de canoniciteit van één der bijbelboeken in twijfel trekt? Moeten wij deze zinsnede werkelijk zo lezen, dat elke vraag betreffende de onfeilbaarheid van de Schrift of betreffende de onfeilbare inspiratie (en dat is niet hetzelfde) niet eens gesteld mag worden?
Ik wil in dit verband wijzen op een soortgelijke zinsnede in art. 5 NGB, waar staat: "Wij erkennen deze boeken, maar dan ook deze alleen, als heilig en canoniek, tot regeling, fundering en bevestiging van ons geloof.
Zonder twijfel geloven we al wat zij bevatten ... enz."
Bij wijze van spreken klinkt hier de resonans van de woorden in art. 4: "waar niets tegen te zeggen valt".
In de 16e eeuw ging de strijd over de vraag welke boeken canoniek waren en welke apocrief. Ook over de vraag of apocriefe boeken mochten worden gebruikt om leerstellingen te funderen.
Hoewel de Statenvertaling de lezers van de Apocriefe boeken waarschuwt tegen verschillende fouten daarin, verbood zij het lezen van die boeken niet. De Apocriefe boeken werden terwille van 'buitenlandse gereformeerden zelfs nog opgenomen in de Statenvertaling, zij het geheel achteraan.
Iedere lezer moest kunnen zien dat zij niet tot de Heilige Schrift behoorden.

Canon
Nu zou iemand kunnen tegenwerpen, dat er meer aan de hand is. En dan zeggen, dat de woorden: Waar niets tegen valt in te brengen duidelijk betrekking hebben op de voorgaande zin, waar we lezen: Dit zijn canonieke boeken.
En dus mag niets gezegd worden van de canoniciteit in deze zin: daar mag niets aan worden afgedaan.

Deze tegenwerping zou juist zijn als daarover tussen Roomsen en Reformatoren een geschil bestond. Ik meen, dat er overeenstemming was in de betekenis van het woord canoniek, dat betekende eenvoudig bekleed met autoriteit, met gezag. De twist liep over de vraag of het de kerk toekwam in een concilie te oordelen en te verklaren, dat een of ander boek apocrief dan wel canoniek was.
Het is in dit verband interessant de geschiedenis van het woord canon na te gaan.
In de Chr. Encyclopedie (Uitgave Kok 1956) verhaalt Prof.Dr. F.W. Grosheide, dat canon oorspronkelijk riet betekende, later een van riet vervaardigd werktuig en nog weer later het werktuig zelf, ook al was dit niet meer van riet vervaardigd. Het was dan een paslood, een maatstaf dus een meetinstrument.
Ook de kerk ging dit woord gebruiken. Allereerst in de zin van catalogus, lijst. Zo was er sprake van de canon van de heilige boeken.
Ook hier trad een verschuiving in de woordbetekenis op. Men ging canon' noemen wat gezag had en sprak dan van de canon van de Schrift om daarmee het gezag van de Schrift aan te duiden. In latere tijden bedoelde men de belijdenis en ook wel de kerkorde.
Ook in de Gereformeerde kerken was het heel gewoon te spreken van de Canones van Dordt. Canonieke boeken zijn in dit taalgebruik derhalve gezaghebbende boeken.
Zeker is, dat de kerk het goddelijk gezag van de canonieke boeken belijdt, echter nietop grond van een kerkelijke uitspraak in een concilie, maar op grond van het getuigenis van de Heilige Geest in de Schrift en in de harten der gelovigen.
Calvijn gebruikte veelvuldig het woord autoriteit, als hij sprak over het gezag van de Schrift. Hij verzet zich tegen de gedachte dat het de kerk toekomt te oordelen en te verklaren, welke eerbied men verschuldigd is aan de Schrift. Zij heeft slechts de Schrift te erkennen als de Waarheid en het Woord van haar God. Dat vereist haar godzalige plicht.
Roomsen en Reformatoren verschilden niet over de betekenis van het woord canoniek. Wel over de vraag of de kerk de autoriteit bezat op grond waarvan men moest geloven welke boeken canoniek waren en welke niet.
De Reformatoren verdedigden het getuigenis van ge Heilige Geest tegen de aanmatiging van mensen en menselijke uitspraken.

De onfeilbare regel
Dit nu wetende doen wij er wijs aan.
niet al te krasse taal te gaan bezigen.
Ik meen overdreven taalgebruik te constateren, als gesproken wordt van het absolute gezag van Gods Woord, of van de volstrekte erkenning van de onfeilbaarheid van de Schrift. Autoriteit en onfeilbaarheid zijn twee begrippen die men niet moet (gaan) vereenzelvigen.
Ds. de Jong heeft in zijn bezig zijn met de betekenis en de plaats van de Heilige Schrift voor ons geloof, aanvankelijk afstand genomen van de woorden: Waar niets tegen valt in te brengen.
Was dit terzake? Zijn opponenten trokken vergaande conclusies als zou er sprake zijn van Schriftcritiek. De praktijk van het kerkelijke leven zou zich verwijderen van de binding aan het Woord en de gemeenschappelijke belijdenis. Was het werkelijk onontkoombaar het geschil zo zwaar te laden?
De NGB gebruikt in de art. 3-7 (waarin de leer over de Schrift beleden wordt) slechts éénmaal het woord onfeilbaar.
"Daarom verwerpen wij hartgrondig al wat met deze onfeilbare regel niet overeenstemt."
Hier wordt gesproken van een onfeilbare regel en dus niet van de onfeilbare Schrift. De vraag dringt zich aan ons op: Welke regel?
Wel, dat de Schrift Gods wil volkomen bevat en ons voldoende (genoeg) onderwijst van al wat men geloven moet om zalig te worden en dat het daarom niet geoorloofd is aan het Woord van God iets toe te voegen noch daarvan iets af te doen.

Bij het lezen van art. 7 moet opnieuw de vraag gesteld worden: Tegen welke achtergrond moet dit artikel gezien worden? En dan blijkt, dat de strijd weer tegen de Roomsen gaat, die aan uitspraken van 'heilige vaders', van concilies evenveel, zo niet meer gezag toekenden dan aan de Schrift. Zoals ook te lezen viel in art. 5, waar beleden wordt dat de canonieke boeken worden erkend. "En dat niet zozeer, omdat de kerk ze als zodanig erkent en goedkeurt, maar vooral, omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt, dat ze van God afkomstig zijn."
De Reformatie weerstond het zichzelf gezag toekennen van de kerk. Daartegen richt zich ook art. 7. Lees maar: "Men moet dan ook geen geschriften van mensen, al zijn ze nog zo heilig geweest, met de Goddelijke Schriften op één lijn stellen".
Dat is de onfeilbare regel!
Als we ons houden aan die regel, dan krijgt de dwaling geen vat op ons. Is het wel juist om in goed bedoelde ijver van de onfeilbare regel over te stappen naar de onfeilbare Schrift? Er wordt in het spraakgebruik vaak van een onfeilbare Schrift gewaagd.
Enschede-Noord vraagt om een volstrekte erkenning van het onfeilbare Woord van God.
De Roomsen kwamen in de vorige eeuw, voortgaande op de ingeslagen weg tot het leerstuk van de onfeilbaarheid van de Paus, als hij ex cathedra d.W.Z. als opperherder spreekt. Gereformeerden ontwikkelden een leer van de onfeilbaarheid van de Schrift. Wijkende lijnen, diametraal tegenover elkaar.

De genoegzaamheid
Maar opnieuw stel ik een vraag: Zeggen we niet meer dan de NGB bedoelt te zeggen, als wij. spreken van het onfeilbare Woord? We kunnen er zeker van zijn dat dit spreken vanwege de goede bedoelingen ingang gevonden heeft. In tal van grondslagformuleringen van verenigingen en stichtingen op gereformeerde grondslag komen we zulk spreken van het onfeilbare Woord van God tegen.
Maar is het niet beter te blijven bij en/of terug te keren tot de kern van de belijdenis in art. 7 n.m.1. dat wij de genoegzaamheid van de Schrift uitspreken om godzalig tekunnen leven en sterven. .
De Heilige Schrift is in dezen volkomen betrouwbaar.
Dan gaat het niet om de vraag of er misschien tegenstrijdigheden, historische onjuistheden, onzekerheden in
de Bijbel kunnen voorkomen. Dan behoeft ook niemand te spreken over een 'rand van onzekerheid', evenmin over een geloven van kaft tot kaft.
Zulke uitdrukkingen raken m.i. niet de kern van wat art. 7 bedoelt te zeggen.
De strijd om de handhaving van de gereformeerde belijdenis krijgt dan een overspannen karakter.
De één wordt beschuldigd van in strijd te komen met de leer van de onfeilbaarheid van de Schrift. Een ander verdedigt in zijn ijver een stelling die niet verdedigd behoeft te worden.
Guido de Bres heeft in zijn 'Stock des geloofs' een hoofdstuk speciaal gewijd aan de Heilige Schrift. In enkele paragrafen brengt hij helder naar voren wat de Schrift ons leert door ons in de eerste plaats tal van Schriftplaatsen te citeren en daarna soms, niet eens altijd, uitspraken van oud-christelijke vaders te vermelden.
We besluiten met het opschrift boven de eerste paragraaf: "Dat de Heilige Schrift zuiver is, volkomen en getrouw, de onwetenden verlichtende en onderwijzende en hun wijsheid gevende, waarvan zij de bron is. Zij is niet voortgekomen uit de wil van een mens, maar uit de Heilige Geest. Haar moeten we onderzoeken om zalig te worden, omdat zij het is, die ons leidt tot de kennis van God en van Zijn Zoon Jezus Christus, waarin het eeuwige leven gelegen is."
Van de geciteerde teksten brengen we de volgende onder de aandacht: ,,2 Petr. 1: 19-21. En wij hebben het profetische woord dat zeer vast is; en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uw harten. Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging. Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief