Mystiek in de literatuur (3)
1991-04-12
Kenmerken van de mystiek- Jaargang 35
- nummer 8
In de middeleeuwse verhalen hoorden we van mensen die een heel bijzonder leven leidden. Ze lieten zich opsluiten in een kluis, ze ontzegden zich alle comfort, sommigen strooiden as over hun eten opdat het toch voorat maar niet lekker zou smaken, ze dwongen zich heel weinig te slapen, leden opzettelijk honger en dorst. Er waren er die zichzelf geselden tot ze er bij neer vielen, er zijn zelfs gevallen bekend van mensen die zich een hand of een arm afbonden waardoor ze vreselijk pijn leden en zichzelf verminkten. We kunnen dat allemaal samenvatten met één woord: ascese. Dat betekent: het zich opleggen van allerlei beperkingen, het zich onthouden van genot.
Maar zoals we gezien hebben: er kunnen buitensporige dingen gebeuren.
De middeleeuwse vromen richtten hun gedachten dikwijls op één zaak: het lijden van de Here Jezus. Dit verschijnsel heet: meditatie. Het woord betekent weliswaar overdenking, maar bij mystiek is het vooral het nadenken over één zaak. Uiteraard kan dat ook iets anders zijn dan het lijden van Jezus. (Veel oosterse mystiek is juist op het tegengesteld van nadenken gericht: het uitschakelen van alle gedachten, niets meer denken.)
Onder invloed van grote lichamelijke uitputting en geestelijk over-spanning kon een toestand optreden die extase genoemd wordt, geestverrukking. Men hoorde goddelijke stemmen, zag visioenen, en gevoelde zich soms één met Christus; in het eigen lichaam konden de stygmata ontstaan, wonden zoals de Here Jezus gehad heeft. De rooms-katholiek had geleerd dat bij de mis het brood echt het lichaam van Christus werd. Sommige nonnen hielden de hostie dan ook zo lang mogelijk in hun mond, legden zich te bed en voelden zich geheel verenigd met Christus. Hun beschrijvingen grenzen soms aan het erotische.
Dat streven naar éénwording met het goddelijke is mystiek. Over de hele wereld en bij vrijwel alle godsdiensten is die mystiek te vinden. (Kortgeleden was voor de televisie nog een hindoe te zien die al jaren lang met zijn arm omhoog liep, de hand was afschuwelijk vergroeid.) En bij het boeddhisme, bij de islam, bij godsdiensten van 'primitieve' volkeren, overal komt mystiek voor. En overal zijn er die drie fasen.
Er worden wel eens andere namen gebruikt. Er is ook wel eens een nadere onderverdeling in de fasen. Niet alle mystiek is even buitensporig, maar toch, in wezen draait het altijd om: een zo sterk mogelijk contact met het goddelijke, een streven naar éénwording.
En altijd is er weer sprake van: ascese, rnedltatle en extase. Dat laatste is geen blijvende toestand, er treden sterke schommelingen op in de gemoedsgesteldheid.
Verder kunnen we bij mystiek nog twee kenmerken aanwijzen. Er is een duidelijk onderscheid tussen hen die ingewijd zijn en anderen die nog niet zo ver zijn gekomen. Het andere kenmerk is het aparte taalgebruik: een verzameling woorden en uitdrukkingen die vooral in.die kring gangbaar zijn en die vaak ook alleen dáár goed worden begrepen.
Ook in protestantse kringen
Het verschil tussen rooms en protestants is wel eens kleiner dan men denkt. In allerlei boeken met een roomse achtergrond komt het begrip 'versterving' voor. Dat is in wezen niets anders dan: ascese. Maar als we bij protestanten een levenshouding zien van 'raak niet, smaak niet en roer niet aan", dan hebben we met precies hetzelfde verschijnsel te maken.
We zien ook dat sommigen altijd bezig zijn met de vraag: "Ben ik wel uitverkoren?"
Ze tobben, ze piekeren, hun leven draait voortdurend om die vraag. Meditatie dus. Nee, geen rustig nadenken in een stil hoekje, maar soms in wanhoop en doodsnood over de vloer kruipen, schreiend, zwetend van angst. En dan hópen ze op een momentje van licht, een stem, een ingeving, die ze als een openbaring van de Here zien: extase. Ze mogen zeker zijn! Maar. .. dat duurt niet zo lang, een paar uur later kunnen ze weer diep in de put zitten. Hun ervaring, hun 'bevinding' geeft geen blijvende zekerheid, het was weer één van die 'uurtjes van korte duurt jes'. En dat hóórt ook zo!: In bevindelijke kr.ingen leest men nóg de 'oude schrijvers' uit het einde van de 17e en de eerste helft van de 18e eeuw: Comrie, Smijtegelt, Brakel, Schortinghuis. Er zijn nog veel meer, maar déze liggen op een stapel naast mijn bureau. En daar vind ik het allemaal.
De ziel moet verenigd worden met God, maar de mens kent op zijn weg allerlei 'standen'. Er móeten momenten zijn waarop de ziel zich van God verlaten voelt. Ja, er kunnen wel eens góede tijden zijn, maar je moet ook regelmatig 'met een kapot schip voor de wal liggen'. Kan iemand niet getuigen dat er iets met hem 'gebeurd' is? Kan hij daar niet van spreken? Dan is hij nog nergens. Maar degene die wél ervaringen heeft, die kan het niet laten erover te praten. "Genade maakt de tong los." Wat een voorrecht als je zo 'ingeleid' kunt praten! De anderen luisteren met eerbied (en een zekere afgunst). U ziet: alle elementen van de mystiek hebt u hier bij elkaar, zelfs het aparte taalgebruik.
Het inwendige licht
Voor de lezers van Opbouw moet het wel een beetje interessant blijven.
Daarom ga ik niet uitvoeriq vertellen hoe de mystieke stromingen zich ontwikkeld hebben; u kunt dat in elk goed boek over kerkgeschiedenis vinden.
Ik wil er alleen dit van zeggen: onder de scheidsmuren van de kerken lopen de verbindingsgangen van de mystiek.
We zien dat bij voorbeeld bij het Piëtisme, de stroming die sterk de nadruk legt op persoonlijke vroomheid. Dat Piëtisme treffen we aan bij de Dopersen in de zestiende eeuw, maar even goed bij de Nadere Reformatie in de zeventiende eeuw. Met de uitlopers van die Nadere Reformatie hebben we nog steeds te maken, vooral in de zogenaamde 'zwarte-kousen-kerken'.
Mystiek is in het algemeen een reactie op wat in de kerk gemist wordt. Als daar te veel vanuit het verstand wordt gepreekt, gaan de gelovigen het zoeken in kringen waar hun gevoelsmatige beleving tot uiting kan komen.
Naast de officiële kerk ontstaan er dan kleine groepen waarbinnen de gelovigen van hart tot hart met elkaar kunnen spreken over hun zorgen, hun strijd en hun ervaringen. Daaruit kunnen dan wel weer aller!ei grotere bewegingen groeien, maar de neiging het in kleine groepjes te zoeken blijft bestaan.
Eén van de gevaren in zulke groepen is dat goede leiding ontbreekt. Voor wetenschappelijke scholing is weinig waardering; er is een voorkeur voor eenvoudige stichtelijke lectuur, men neemt genoegen met een gebrekkige kennis en ziet eigen intuïtie aan voor leiding van Gods Geest. "De letter . doodt, de Geest maakt levend!" Dat hoor je in mystieke kringen veel. Wat de mens nodig heeft, is 'inwendig licht'. Dit heeft geleid tot felle dweperij, zoals bij de Dopersen, maar in diezelfde kringen tot innige vroomheid en bewonderenswaardige geloofsmoed.
Maar ook in kringen van mensen die gereformeerd willen heten, komen we dat tegen: mensen laten zich drijven op hun invallen en in hun geest wordt het een warboel.
U kunt dat zien in het volgende fragment uit een roman van zo'n vijftig jaar geleden: 'Schapen zonder herder', door Rudolf van Reest.
- Van de week ben ik zo bepaald mogen worden bij dat versje: "En terstond eiste zij het hoofd van Johannes de Doper. " Ik mocht er zo uit leren dat Christus ook mijn hoofd is. En dan ging ik weer twijfelen:- Zou het niet uit de duivel wezenvt« had last met die duivel en dat kon ook wel nietenäers, want het bloed moet toch aan de posten van de deuren zitten en 't is al zo vaak door de oude man gezegd: "Wie nooit getwijfeld heeft, heeft ook nooit geloofd. "
Zonder aanvechting zal het niet gaan.
En de duivel kan een mens vlak voor de hemelpoort brengen en als ik me nou toch eens wat toeëigende wat me niet toekomt, dat ial toch wat te zeggen wezen. Want 't moet toch verschrikkelijk wezen om met een ingebeelde hemel naarde hel te gaan!
Maar toen kreeg ik die tekst weer: "Eis van Mij vrijmoedig!" Dat mocht ik nou zo in verband komen te brengen met dat woordje 'terstond' uit de tekst: "En zij eiste terstond het hoofd van Johannes de Doper." En toen was ik weer.
zeker. Maar ja, voor hoe lang zal dat duren? Want het moet toch maar telkens een afgesneden zaak· worden. En zo worstel jemaar door.
Uit dezelfde roman neem ik nog iets over. In het gezelschap wordt gesproken over de preek. Een jonge vrouw zegt schuchter dat ze er iets aan gehad heeft. Ze vond het zo mooi wat de dominee zei over de liefde van de Heiland. Maar anderen waarschuwen:
"Dat is nou het gevaar van zulk soort preken. De mens gaat er zich wat op toeëigenen. Je hoort in dat soort preken niet zo eens je naam noemen. Je vindt er geen onderscheidenlijke gestalten in; er wordt geen rekening gehouden met de weg, staat en toestand van de mens die op het pad gebracht is. Dat soort dominees komt altijd met 'geloof' en nog eens 'geloof' en ze zeggen altijd maar: "De Schrift zegt dit en de Schrift zegt dat", en zo naaien ze maar valse oksels onder je ziel. Het is net als bij de duivel. Die zegt ook altijd maar: "Er staat geschreven".
Maar wat heeft een mens aan een dooie letter? Wanneer je geen geestelijke ogen krijgen moogt voor de zaak waar het om gaat, heb je eraf te blijven, anders wordt het gestolen goed dat voor de eeuwigheid niet gedijen kan. Er moet nou eenmaal geestelijk inwendig licht bijkomen. De wijsheid zal je er nooit brengen. Alle wijsheid zal tot dwaasheid moeten worden; de mens zal verstand van kermen gekregen moeten hebben, en zo lang als dat er niet is, heeft hij eraf te blijven.
Dus meid, blijf eraf hoor. Houw je geen gebroken bakken uit die geen water kunnen bevatten. Je komt er voor eeuwig bedrogen mee uit. "
U ziet: deze vorm van mystiek heeft een somber christendom voortgebracht.
De oude schrijvers die in deze kringen' nog steeds geliefd zijn, hebben het zo niet bedoeld, maar ze hebben er wel schuld aan. Ze hebben te weinig de troost geboden van wat onze Heiland zelf heeft gezegd: "Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven."