Twee keer Nederlandse kerkgeschiedenis
2007-09-28
In het publieke debat wordt momenteel veel gesproken over de ‘joodschristelijke wortels’ van de Nederlandse cultuur. Met veel bravoure wordt door a-religieuze liberalen of nationalisten met angst voor de islam gepleit voor de verdediging van deze wortels tegenover alles wat naar hun mening niet overeenkomt met de culturele en levensbeschouwelijke aard van de Nederlander. Daarmee willen ze niet zozeer aperte ongodisterij bestrijden, maar eerder een dam opwerpen tegen alles wat onaangepast is aan het Hollandse polderpeil. Wie oppert dat er op termijn wel eens sprake zou kunnen zijn van een ‘joods-christelijk-islamitische’ cultuur, wordt en plein public voor ‘knettergek’ versleten.- Jaargang 51
- nummer 19
Verleden uit speelgoedkist
Deze discussie over de wortels van de Nederlandse beschaving maakt tenminste twee dingen duidelijk. In de eerste plaats: Er is weer aandacht voor het vaderlandse verleden. De publicatie van ‘De canon van de vaderlandse geschiedenis’ (www.entoen.nu) in opdracht van de overheid is een uiting van deze hernieuwde belangstelling voor de geschiedenis van het kleine stukje aarde dat sinds een paar eeuwen ‘Nederland’ heet. Misschien wel als gevolg van de onzekerheden sinds 9-11 en de politieke onrust in eigen land zoeken we naar bevestiging van onze collectieve identiteit. Het vaderlandse verleden lijkt daarbij wel eens te fungeren als de oude speelgoedkist op zolder, waaruit we naar believen en met nostalgie nationale symbolen kunnen opvissen, zoals de VOC-mentaliteit of de heldendaden van Michiel Adriaanszoon de Ruyter.
Rol voor religie
In de tweede plaats: Religie speelt belangrijke rol speelt bij de constructie van een gezamenlijk verleden. Zoals een allochtoon al snel wordt geïdentificeerd als islamiet, zo wordt ‘wien Neêrlands bloed in d’aders vloeit’ geacht ten minste joods-christelijke wortels te hebben. Ook al herkennen veel Nederlanders zich niet in deze opgedrongen religieuze identiteit, er is ontegenzeggelijk meer aandacht voor de godsdienstige geschiedenis van Nederland. De spreekwoordelijke nieuwkomer uit het Rifgebergte moet tijdens zijn inburgeringexamen weten of de koning van Spanje katholiek of protestant was. Het kan verkeren.
Twee keer één onderwerp
Tegen deze achtergrond hoeft het niet te verbazen dat er in de afgelopen jaren twee boeken zijn verschenen over de geschiedenis van kerk en religie in Nederland. In 2005 publiceerden Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg hun Nederlandse Religiegeschiedenis (herdruk 2006). In het voorjaar van 2006 verscheen bovendien het Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis (HNK), onder redactie van Herman J. Selderhuis.
Verschillende uitgangspunten
Voor een groot deel bestrijken deze twee boeken dezelfde thematiek. Toch zijn ze niet helemaal onderling uitwisselbaar. Uit de titels blijkt dat de auteurs een verschillende benadering op het oog hadden. De keuze voor de term ‘religiegeschiedenis’ is bedoeld als een verbreding van de traditionele kerkgeschiedenis. Terwijl de religies die voor, naast en na het christendom op het toneel van de vaderlandse geschiedenis verschenen, bij het team van Selderhuis vooral dienen als de achtergrond waartegen opkomst, bloei en verval van de kerk worden geschetst, kiezen de auteurs van de Religiegeschiedenis voor een cultuurhistorische benadering, waarbij zij vooral beschrijven wat de inwoners van het huidige Nederlandse grondgebied de eeuwen door zoal hebben geloofd, zonder vooraf te kiezen voor een focus op het christendom. Deze brede opzet wordt enigszins ingeperkt doordat Van Eijnatten en Van Lieburg zich concentreren op ‘de gestalte die religie in de cultuur en samenleving heeft aangenomen’. Theologische opvattingen en kerkelijke discussies komen alleen aan bod voor zover deze invloed hebben gehad op de algemene cultuur.
Verschillende indeling
Het verschil met het Handboek wordt meteen zichtbaar als je de inhoudsopgave van beide boeken met elkaar vergelijkt. Terwijl de redactie van het Handboek heeft gekozen voor een traditionele en pragmatische indeling van de kerkgeschiedenis (eerst twee delen over de Middeleeuwen, en vanaf de vijftiende eeuw één hoofdstuk per honderd jaar), hebben de auteurs van de Religiegeschiedenis gekozen voor een indeling in vier periodes, die elk samenhangen met belangrijke politieke en culturele veranderingen in Nederland (opkomst christendom in de nasleep van het Romeinse rijk – vanaf de elfde eeuw ‘christelijke alomtegenwoordigheid’ door het samengaan van kerkelijk en wereldlijk gezag – vanaf 1580 godsdienstige monopoliepositie van de gereformeerde kerk met steun van de overheid – vanaf 1850 einde monopoliepositie en emancipatie van religieuze minderheden).
Zelfde conclusie
Ondanks deze verschillen in methode en opzet komen beide publicaties aardig overeen in hun beoordeling van de rol van kerk en religie in het Nederlandse verleden. Beide boeken gaan in tegen de populaire opvatting dat er zoiets zou hebben bestaan als een typisch Nederlandse, gematigde vorm van het christendom. Deze zou te herleiden zijn tot de praktische bijbelvroomheid van Moderne Devoten als Geert Grote en het bijbels humanisme van Erasmus. Via het gematigde protestantisme van mensen als Hugo de Grote zou het, ondanks de druk van intolerante calvinisten, zijn blijven voortbestaan als de authentieke religieuze gezindheid van de Nederlander.
Uit beide publicaties blijkt helder dat deze visie op het godsdienstige verleden een constructie is uit de negentiende eeuw, die vooral werd gepromoot door liberale theologen die zich wilden ontdoen van de knellende band van de orthodoxie. Trouwens, het orthodoxe antwoord – een confessionele Hervormde kerk als ‘planting Gods’ op vaderlandse bodem – was evenzeer een reconstructie van het verleden voor kerkpolitieke doeleinden.
Verdraagzaamheid én intolerantie
In de negentiende eeuw was de roep om een authentiek Nederlandse, gematigde en tolerante godsdienst dus vooral een kwestie van ‘wishful thinking’. Ik maak me sterk dat hetzelfde geldt van de roep om het bewaken van de ‘joods-christelijke wortels’ in het huidige debat. Het is historisch gezien niet eenvoudig om te verwijzen naar ‘de’ joods-christelijke, lees: menslievende en verdraagzame, wortels van onze samenleving. De bijbelse traditie spoorde Nederlanders door de eeuwen heen aan tot verdraagzaamheid én intolerantie, liefdadigheid én religieus geweld, benepen orthodoxie én oeverloze vrijzinnigheid. En alles er tussenin.
Wie zich wil informeren over de bandbreedte van het godsdienstige verleden van Nederland, doet er goed aan een van de genoemde overzichtswerken te lezen. Een keuze tussen beide is moeilijk te maken.
Ontmoeting met verleden
Het Handboek biedt een collectie heldere overzichtsartikelen. Handige chronologische overzichten maken een snelle oriëntatie mogelijk en dankzij de uitgebreide registers is het goed bruikbaar als naslagwerk. Ook biedt het Handboek bij elk onderwerp een overzicht van de meest recente vakliteratuur, waardoor het als startpunt kan dienen voor verdere studie. Tekstfragmenten en illustraties zorgen voor een echte ontmoeting met het verleden. De opzet van het Handboek, waaraan meerdere auteurs onafhankelijk van elkaar hebben gewerkt, heeft ook duidelijke nadelen, zoals onnodige herhaling van feiten die in een eerdere bijdrage al zijn besproken of juist het gebrek aan toelichting bij begrippen die ten onrechte als bekend worden verondersteld.
Heldere opbouw
De kracht van de Religiegeschiedenis is juist gelegen in de heldere en consistente opbouw van het werk. De gekozen invalshoek wordt consequent volgehouden, waardoor het boek boeiend en leesbaar blijft. Dat kan van het Handboek niet altijd gezegd worden, omdat de verschillende bijdragen in deze bundel elk een eigen invalshoek hebben. Wie goed vertrouwd is met de canon van de Nederlandse kerkgeschiedenis, zal vooral geboeid zijn door de interpretatie die de relatief beknopte Religiegeschiedenis biedt van de samenhang tussen religie, politiek en cultuur.
Vijf regels NGK
Liefhebbers van de ‘kleine kerkgeschiedenis’ van zullen in beide publicaties weinig nieuws vinden. Niet alleen krijgen de NGK in beide boeken niet meer dan vijf regels tekst bemeten, ook de geschiedenis van de GKV en CGK wordt niet meer dan oppervlakkig besproken. Binnen de opzet van de Religiegeschiedenis valt dat wel te begrijpen, want – eerlijk is eerlijk – de maatschappelijke relevantie van met name de CGK en NGK is nooit heel groot geweest. Dat de ‘kleine kerkgeschiedenis’ ook binnen het Handboek zo weinig aandacht krijgt is wel vreemd.
Joris van Eijnatten & Fred van Lieburg, Nederlandse Religiegeschiedenis, Hilversum, 2006, 400 p. € 29,00.
Herman J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen, 2006, 950 p. € 60,50.
Daniël Timmerman is predikant van de NGK te Breukelen.