Post uit Rwanda

1991-04-26
  • Jaargang 35
  • nummer 9
Eten met viezigheid
"Wat is dat zwarte dingetje in mijn rijst?" vraagt Matthijs. Ik kijk in zijn bord. "Hm", zeg ik, "dat is een beestje" en met mijn mes wip ik het op de tafel. "Bah, een beest in mijn eten!"
griezelt Matthijs. "Het spijt me", zeg ik, "dat beestje had zich zeker verstopt toen ik de rijst uitzocht." "Bah", roept Matthijs nog eens en roert met een vies gezicht in zijn bord. "Doe niet zo flauw", zeg ik en kijk eens in mijn eigen eten. Opeens zit iedereen te roeren in zijn rijst en te turen of hij iets ziet. "Zo'n beestje is niet zo erg", zegt Dick, "netjes gewassen en gaar gekookt, maar een steen is minder. Daar gaan je tanden van kapot." "Hoezo, heb jij een steen?" roep ik verschrikt.
"Nee", zegt Dick vriendelijk, "nu niet, nóg niet tenminste." "Ik vind het het ergst als het kraakt tussen je tanden", zegt Johathan, "zoals brood met zand erin".
Nu stop ik mijn verhaal even hoor. Wat moeten jullie wel niet denken van ons eten!!! En ik doe nog wel zo mijn best.
Voordat de rijst de pan ingaat gooi ik het bij handjesvol op een bord en kijk goed of ik iets zie dat er niet in hoort.
Er zijn piepkleine steentjes die eruit zien als een rijstkorreltje. Maar zo'n klein steentje maakt een soort aardbeving in de mond als je er per ongeluk hard op bijt. En als er steentjes tussen het koren zitten en ze worden meegemalen, dan krijg je brood met zand.
Het gebeurt echt niet zo vaak hoor, maar soms gaat er iets mis.
"Ik vind mieren vies", zegt Gersom nu. Ja zeg, dat hadden we laatst. We hadden een cake eventjes laten staan op de keukentafel en meteen zat hij vol piepkleine miertjes, er liep een hele mierenslinger over de tafel naar toe. Maar we kennen ze inmiddels die miertjes en we weten dat ze een hekel hebben aan gebonk. Je slaat heel hard op het bakblik aan de onderkant en dan komen ze allemaal bovenop de cake kruipen om te zien wat er aan de hand is. En dan pak je ze gauw natuurlijk.
Matthijs zit nog steeds vies te kijken, maar Jonathan roept stoer: "Ik lust wel een mier, geef maar hier." Dat rijmt ook nog. "Ik heb wel eens een gebakken mier gegeten", zeg ik, "niet per ongeluk, maar expres gebakken.
Dat was in Oeganda, de mensen vonden het heerlijk daar." "En jij?" vraagt Matthijs. "Ik, eh, ik weet het niet", zeg ik aarzelend. "Ik heb mijn best gedaan niks te proeven en hem in een keer doorgeslikt net als een vieze pil. Eén keer kreeg ik een levende mier. Een groep kinderen was bezig dikke mieren te vangen die uit hun nest in de grond kropen. Ze hadden van bananebladeren puntzakjes gevouwen om ze in te doen en ondertussen aten ze. De grote vleugels spuwden ze weer uit.
Eigenlijk was dat heel goed, want die kindèren krijgen niet veel vlees en melk en mieren zijn gezond. Ik stond stil om te kijken en toen wilden ze me ook laten proeven. Wat zouden jullie gedaan hebben als je zo'n dikke levende mier kreeg?" "Net doen of ik de mier opat", zegt Johathan. "Ja, dat is precies wat ik gedaan heb", zeg ik, "en die kinderen dachten vast: Wat een gekke witte mevrouw, die vindt het zo lekker dat ze de vleugeltjes erbij opeet want ze spuugt niks uit." "En toch wou ik dat we hier net zo aten als in Nederland", zegt Matthijs. "In Nederland zit soms ook viezigheid in het eten", zegt Dick, "maar het is onzichtbare viezigheid". "Hoe dan?" vragen Jonathan en Matthijs tegelijk. Als jullie dat ook willen weten dan moet je het maar aan je vader of moeder vragen, anders wordt dit verhaaltje veel te lang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief