Mijn rijk is niet van deze wereld
1991-04-26
1 Vrede laat Ik u,- Jaargang 35
- nummer 9
2 mijn vrede geef Ik u;
3 niet gelijk de wereld dien geeft, geef Ik hem u.
Joh. 14,27a
De betekenis van de tekst die ik hierboven afschreef uit de NBG-vertaling, is niet zo één twee drie duidelijk. Ik zou hem daarom eens wat nader willen bekijken.
Hij bestaat uit drie zinnen, die ik voor het gemak alvast maar genummerd heb. Ik begin met de bespreking van
Zin 3
Hier hebben De Vries en Van Stempvoort(1) en Het Boek(2) zich een vrije weergave veroorloofd waarmee ze zich m.i. van de bedoeling van den auteur verwijderen. Als zij nl. respectievelijk vertalen "een vrede zoals de wereld niet geven kan" en "Die vrede is heel anders dan die van de wereld", dan suggereren ze, dat Jezus hier zijn vrede vergelijkt met de vrede van de wereld. Hetzelfde geldt van de weergave van KBS 87(3): "een vrede die de wereld niet te bieden heeft". Maar die opvatting valt toch met de grondtekst moeilijk te rijmen. Daar staat nl.: "Niet gelijk de wereld geeft, geef Ik u"; een lijdend voorwerp staat er dus niet in genoemd(4).
Wij moeten dan ook aannemen, dat het geven van Jezus hier vergeleken wordt met het geven van de wereld.
Op dit punt heeft Groot Nieuws, hoe vrij ook in zijn weergave ("maar niet op de wijze van de wereld"), toch beter de grondtekst gerespecteerd. Dat geldt evenzeer van de Leidse Vertaling "Ik geef niet zoals de wereld geeft". De bedoeling moet m.i. zijn, dat Jezus anders geeft dan de wereld(5).
Twee opmerkingen
Voor we van deze derde zin afstappen, vallen er nog twee dingen op te merken.
Het eerste is dit: 'niet gelijk' heeft in het Grieks nogal eens de betekenis 'veel beter dan'(6). Als men van A zegt: "niet zoals B", bedoelt men meermalen te zeggen: B is met A niet te vergelijken; B haalt niet bij A. Ik denk, dat we het ook hier zo moeten verstaan.
Jezus zegt hier dus: mijn geven overtreft verre het geven van de wereld.
Het tweede is, dat in de hierboven genoemde vertalingen niet duidelijk wordt, waarin Jezus' geven dat van de wereld overtreft. Evenmin is dat het geval in de hierna bij de bespreking van zin 1 en zin 2 nog te noemen vertalingen.
Dat dit niet uit de verf komt, ligt naar mijn mening aan de weergave van de zinnen 1 en 2. Die twee willen we nu dan ook onder de loep nemen.
Zin 1
Wat het eerste zinnetje aangaat, hebben de NBG-vertalers zich, wat de betekenis betreft, op de vlakte gehouden door te vertalen "laat"(7). Die vertaling is formeel onberispelijk, maar inhoudelijk kan men er alle kanten mee uit. En men moet toegeven: dat is de veiligste weg, als men onzeker is t.a.v. de betekenis. Maar bevredigen doet zo'n vertaling niet.
Groot Nieuws, De Vries-Van Stempvoort en Het Boek zijn duidelijker: "laat Ik bij u (of: jullie) achter". Een vertaling die, gezien het door Johannes gebruikte griekse werkwoord, zeker mogelijk is. In Joh. 4, 28 vinden we het ook in die zin gebezigd: "de vrouw liet haar kruik achter en ging weg naar de stad".
Als men in onze tekst voor diezelfde weergave kiest, schept men daarmee althans op één punt duidelijkheid: de vrede waarvan hier in de eerste zin sprake is, ziet men als een vrede die Jezus 'bij zich had' - om zo te zeggen -, zoals de Samaritaanse haar kruik.
Ook de Willibrordus-vertaling, de Friese vertaling en KBS 87 brengen op hetzelfde punt dezelfde duidelijkheid met hun weergave "laat Ik u (of: jullie) na". Ook dan is er sprake van een vrede die Jézus toebehoorde. Deze laatste vertaling echter doet het voorkomen, alsof het hier gaat om een erfenis. Iets 'nalaten' immers doet een overledene. En die uitleg is toch niet correct. Als zakelijk bezwaar kan men al aanstonds inbrengen: Jezus gaat weliswaar sterven, maar in zijn aankondiging "Ik ga naar den Vader" wordt toch zijn opstanding verwoord, nièt zijn sterven. Over zijn dood spreekt Jezus in het vervolg: "De vorst der wereld komt eraan" (v. 30). Maar zelfs dan voegt Hij eraan toe: "Maar hij heeft niets aan Mij", d.w.z. hij houdt Mij niet, hij moet Me weer loslaten.
Maar wat de doorslag geeft: in de betekenis 'nalaten' vindt men het hier gebezigde woord bij mijn weten in het Grieks niet gebruikt(8).
Zin 2
De vijf zojuist besproken vertalingen gaan uit van de opvatting, dat het ook in de eerste zin, evenals in de tweede, gaat over Jezus' vrede. Als die gedachte juist is, zou men dus moeten concluderen, dat zin 2 een herhaling vormt van zin 1.
Heel duidelijk spreken De Vries en Van Stempvoort zich voor die opvatting uit. Zij laten uit zin 2 de woorden 'geef Ik u' weg, en maken van 'mijn eigen vrede' een bijstelling bij het woord 'vrede' uit zin 1. Aldus: "Vrede laat Ik bij jullie achter, mijn eigen vrede".
Nog radicaler gaat Het Boek te werk door de beide zinnen tot één te reduceren: 1/2) "Mijn vrede laat Ik bij u achter". Of dat nog vertalen mag heten, kan men zich afvragen.
Deze uiterste consequentie heeft intussen misschien toch één voordeel, nl. dat ze ons eens te meer aan het denken zet over de vraag: gaat het in zin 1 inderdaad over Jezus' vrede? Als Jezus met zin 2 enkel de bedoeling had duidelijk te maken, dat het zijn vrede was die Hij zojuist in zin 1 gezegd had bij de discipelen 'achter te laten', waarom volstond Hij dan nietjuist zoals de Vr.-v. St. - met na zin 1 ("Vrede laat Ik u") toe te voegen: 'mijn vrede'? Waarom dan een nieuw werkwoord ('geven') gebezigd?
Herhaling of tegenstelling?
Is 'laten' en 'geven' hetzelfde? Valt Jezus hier werkelijk in herhaling?
Op zijn minst zal men moeten toegeven, dat bij het lezen van de zinnen 1 en 2 ook een heel andere gedachte zich als eerste kan aandienen, deze nl.: als Jezus in zin 2 zo uitdrukkelijk spreekt van 'mijn vrede', zou het dan in zin 1 niet gaan over de vrede van de discipelen? M.a.W. zou er tussen 1 en 2 niet een tegenstelling bestaan?
Het feit, dat deze beide zinnen niet door een koppelwoord verbonden zijn, zou inderdaad heel wel daarop kunnen wijzen. Men zou hier dan te maken hebben met wat men noemt het asyndeton adversativum. Een nederlands voorbeeld: Mijn jas laat ik thuis, mijn paraplu neem ik mee. Twee onverbonden zinnen, waar, áls men ze wil verbinden, 'maar' tussen zou moeten.
Laten
Nu wordt het tijd de betekenis van het werkwoord vast te stellen dat hier in de NBG door 'laten' is weergegeven.
'Achterlaten' is op zich mogelijk, zo zeiden we. Maar het werkwoord heeft ook nog een heel andere zin, nl. 'kwijtschelden'.
Men gebruikt dit woord, als men tegen iemand zegt: eigenlijk ben je me dat en dat schuldig, maar ik zie van mijn vordering op jou af. Zo komt het, dat dit woord in het nieuwtestamentisch spraakgebruik het gewone woord is geworden voor 'vergeven'!
Nietwaar, wij staan door onze zonden bij God in de schuld; een schuld, zo groot, dat er geen betalenaan is. Maar God zegt: dat hoeft ook niet; Ik ontsla je van die verplichting. Zo stelt Jezus het in Mt. 18,21-35. Daar lezen we in v. 27: de heer schold zijn knecht de schuld kwijt. Daar is hetzelfde werkwoord gebruikt als hier in zin 1.
Zo kan men iemand ook de belasting 'laten', tot betaling waarvan hij verplicht was (Pol. 21,24,8). Of ook iemand de eed 'laten', d.w.z. hem ont slaan van de verplichting die hij onder ede op zich genomen had.
Wel, zouden we niet eens kijken, waar we uitkomen, als we zin 1 in die betekenis nemen: (Jullie) vrede 'laat' Ik jullie; d.w.z. Ik ontsla jullie van de verplichting Mij jullie vrede te geven?
Vrede
De grote vraag die dan overblijft is: wat bedoelt Jezus hier precies met 'vrede'?
Nu is het bijbelse begrip 'vrede' vrij omvattend. In principe duidt het de goede verstandhouding aan. Als de relatie tussen God en mens, of tussen twee mensen, goed is, ongestoord is, dan spreekt men van 'vrede'.
Maar ook wat uit zo'n goede verhouding voortvloeit wordt wel 'vrede' genoemd.
(En dat is - zo heb ik begrepen - typisch voor het oudtestamentische denken.) Ik noem een paar teksten die me voor het verstaan van onze tekst van belang lijken.
David wil na een moordaanslag van Saul (1 Sam. 19) weten, waar hij bij Saul aan toe is, hoe de houding van Saul t.o.v. hem nu is. Daarom verzoekt hij Jonathan hem af te melden voor het feest van Nieuwe Maan (20, 5.6). Sauls reactie dáárop zal duidelijkheid moeten verschaften over de verstandhouding: "Indien hij aldus zegt: 'Het is goed', zo heeft uw knecht vrede" (7a, St.-Vert). De NBG-vertaling luidt: "Zegt hij dan: 'Het is goed', dan is uw dienaar veilig'. (Hetzelfde nog eens in v.21.(9) 2 Kron. 15,5 "In die tijden" - nl. dat Israël zonder den waren God, zonder priester die onderricht gaf en zonder wet was, v. 3 - "was er geen vrede voor hem die uitging noch voor hem die inging" (NBG). Willibrordus geeft dit zo weer: "In die tijden was geen enkele reiziger veilig". Wie op pad was kon niet rekenen op bescherming.
Want het waren tijden waarop God zijn beschermende hand van hen aftrok, vgl. v. 4 en v. 6.
En zo horen we den Heere in Jer. 16,5 aankondigen: "Ik neem van dit volk mijn (!!) vrede weg". Dat wil zeggen: 'mijn bescherming'. (Aldus Het Boek.) En als Gods beschermende hand wegvalt, "zullen groten en kleinen in dit land sterven" (v. 6).
Deze laatste tekst is wel bijzonder goed met de onze vergelijkbaar, omdat de Heere hier, evenals Jezus in Joh. 14,27, spreekt van 'mijn vrede'!(10).
Nog één plaats: Hebr. 11, 31. Daar wordt van Rachab gezegd, dat zij "de verspieders met vrede had opgenomen".
Dat betekent: zij had de verspieders in bescherming genomen, ze verborgen op een plekje waar ze veilig waren (vgl. Joz. 2, 4.6).
De samenhang van zin 3 met de voorafgaande zinnen
Als we zin 1 zó lezen, wordt meteen ook duidelijk, hoe de derde zin met de twee voorafgaande samenhangt; een punt dat - zoals ik al zei - bij de boven aangehaalde weergaven duister bleef.
Juist omdat Jezus wél bescherming gééft, maar geen bescherming vráágt, is zijn geven anders dan het geven van de wereld. In de wereld immers volgt men de regel 'voor wat hoort wat', 'do ut des' (d.w.z. ik geef om van jou wat terug te krijgen). Bescherming?
Best! Maar dan wel 'over en weer'! (Vgl. Lc. 6, 32-35; ook 14, 12-14.) Maar Jezus zegt: "Jullie Mij beschermen?
Nee hoor, dat hoeft niet". Dat mág zelfs niet, want het strookt niet met de aard van zijn rijk, Jh. 18,36.
Als Petrus het toch probeert (18, 10), wordt hij door Jezus teruggefloten (18, 11).
Maar Hij beschermt hen wél (18, 8b.9; vgl. ook 17, 11-15). Vandaar dan ook, dat Hij laat volgen - en dat is een laatste argument voor de door ons gegeven uitleg -: "Raakt niet overstuur en wordt niet versaagd" (v. 27b).
Onverbonden zinnen
In deze tekst blijkt, dunkt mij, weer eens, wat een van de grote problemen is bij de uitleg van het Johannesevangelie: deze apostel zet dikwijls de zinnen onverbonden achter elkaar.
Hoe de onderlinge relatie van die uitspraken is, moeten we zelf maar aanvoelen.
Als ik de tekst die we bespraken zo zou mogen proberen weer te geven, dat de bedoeling duidelijk is en de zinsverbanden expliciet worden gemaakt, dan zou ik ongeveer het volgende willen voorstellen: "Van de plicht Mij te beschermen ontsla Ik jullie.
Wél geef Ik jullie mijn bescherming.
En zo haalt het geven van de wereld niet bij mijn geven aan jullie.
Raakt dus maar niet overstuur en wordt niet versaagd."
1 Het Nieuwe Testament in de taal van onze tijd door Anne de Vries in samenwerking met Drs. Henk de Vries en Prof.Dr. P.A. van Stempvoort, deel 13, Kampen, z.j.
2 Het Boek, een eigentijdse verwoording van de Bijbel volgens het principe van de Living Bible2 , Zevenhuizen (Z.H.). 1988.
3 De vier Evangeliën en de Handelingen van de apostelen uit de grondtekst vertaald in opdracht van de Katholieke Bijbelstichting, Boxtel, 1987. Daarin is de vertaling van Johannes verzorgd door L. Geysels, Dr. M. Sabbe en Dr. F. van Segbroeck.
4 Prof. Brouwer leidt het lijdend voorwerp af uit het werkwoord 'geven': "Niet gaven als de wereld geeft, geef Ik u".
5 Zo ook F. Godet, Kommentaar op het Evangelie van Johannes, derde deel (vertaald door P.C. IJsseling), Utrecht 1921, 264.
6 Zie voor deze betekenis van 'ou kata' J. Burnet in zijn commentaar op Plato's Apologie 17b 6, Oxford 1924.
7 Hetzelfde geldt van Stat.-vert., Canisiusvert., Luth. Vert., Leidse Vert. en de vertaling-Brouwer.
8 Grosheide (in de van Bottenburg-reeks, 1950) vertaalt "Ik laat achter", maar laat dan onmiddellijk als commentaar volgen: "De vrede is Zijn legaat, nu Hij heengaat".
9 Vgl. ook t.a.v. Job 21, 9 en Lc. 11, 21 de St.-Vert. met de NBG-vert.
10 Men vergelijke ook Filipp. 4, 7, waar aan Gods vrede een behoedende functie wordt toegekend.