Samen evangeliseren
1991-04-26
In het "Gereformeerd Kerkblad voor Zuid-Holland, Zeeland enz." vermeldt en beantwoordt ds. J.W. Roosenbrand enige vragen die hem vaak gesteld worden tijdens spreekbeurten over zijn werk als evangelist onder moslims en hindoes. Het is goed daarvan kennis te nemen.- Jaargang 35
- nummer 9
Van tijd tot tijd heb ik het voorrecht her en der spreekbeurten te houden over het werk dat ik in Rotterdam doe als evangelist onder moslims en hindoes.
Het is voor de aanwezigen nooit moeilijk om vragen te verzinnen. Het is moeilijker voor mij om ze goed te beantwoorden. Hieronder vindt u een selectie uit vragen die geregeld gesteld worden.
1. Is de islam - zoals ik vroeger op school hoorde - een satanische imitatie van het ware geloof, zonder de kern van de verzoening door Christus?
Antwoord: Dat is een van de gezichtshoeken waaronder je de islam kunt bezien. De satan verblindt de wereld en gebruikt daarbij allerlei middelen.
Maar het is niet het enige gezichtspunt.
Tegenover veel heidendom is de boodschap van de islam toch altijd nog beter; ook de moraal van een aantal volken is er door de islam op vooruitgegaan.
Bovendien moet je je altijd afvragen: waarom willen we zo graag die zware woorden gebruiken? Hoe functioneert een uitspraak als "de islam is een satanische imitatie"? Wanneer deze uitspraak zo werkt dat we daardoor alleen maar bang blijven en afstand houden en niet gemotiveerd worden om daartegenover de liefde van Christus voor te leven en uit te leggen, dan doe ik zo'n (overigens juiste) uitspraak gewoon liever niet.
2. Moslims geloven in de hel. Ze geloven niet in de verzoening door Christus?
Maar hoe worden hun zonden dan verzoend (volgens henzelf)?
Antwoord: Allah is verqevend en barmhartig. Wanneer mensen oprecht berouw hebben van hun zonden en ze nalaten, dan mogen ze vertrouwen dat hun vroegere zonden vergeven worden.
Maar u begrijpt, de absolute zekerheid van de vergeving ontbreekt hier, omdat de vergeving gebaseerd is op iets in ons, namelijk ons berouw, onze bekering. Maar de ene moslim tilt hier zwaarder aan dan de andere. In het algemeen is er in de islam minder besef van de diepte van het kwaad.
Men kent wel zonden (allerlei verkeerde daden) maar niet de macht van de zonde, de onmacht van de mens.
3. Weten moslims veel van de islam en de Koran? Hoe komt het dat ze in Nederland vaak fanatieker in hun geloof zijn dan in hun eigen land?
Antwoord: Nederland is voor moslims zeer bedreigend, niet zozeer vanwege het christelijke karakter, maar door de slechte levensstijl. Daardoor gaan moslims vaak in de reactie en voeden hun kinderen, m.n. hun dochters, veel strakker op dan ze dat in hun eigen land zouden hebben gedaan. Ondertussen betekent dit niet dat ze zelf allemaal veel van de Koran en de islam afweten. Moslims leren (gedeelten van) de Koran allereerst in het Arabisch. Foutloos opzeggen is belangrijker dan met het hart begrijpen.
4. Is het werkelijk zo dat moslims die christen worden, uitgestoten worden door familie?
Antwoord: Dat hangt van je familie af.
Ook in Nederland komt het voor dat mensen compleet verwijderd worden uit de familie en zelfs met de dood bedreigd. En vergeet niet: voor oosterlingen is het doorsnijden van de band met de familie veel ingrijpender dan voor westerse (meer individualistisch ingestelde) mensen! Wat een uitdaging voor de gemeente om een gastvrije nieuwe familie te vormen: "Legt u toe op de gastvrijheid'"
5. De islam is toch een bedreiging?
Denk aan de tientallen moskeeën!
Waarom laat de regering dat allemaal zo maar toe en financiert ze zelfs die dingen? Maakt de islam in Nederland niet ook veel bekeerlingen?
Antwoord: De regering financiert niet de bouw van moskeeën, alleen van culturele ontmoetingsplaatsen. De regering kan natuurlijk mensen op grond van hun geloof niet verbieden hier te komen of te blijven. En vindt u niet dat sex-clubs en gokhallen minstens zo bedreigend zijn voor onze samenleving?
De grootste taak ligt er voor de echte christelijke kerk: niet met het geweld van de overheid maar met het zwaard van de Geest mogen we de tegenstand overwinnen, de voeten geschoeid met de bereidheid van het evangelie.
Helaas zijn er (vooral via huwelijken) Nederlanders die moslim worden, al zijn het geen duizenden. Maar elke Nederlander, of eigenlijk beter: elke christen die moslim wordt is er één te veel.
Maar geloven wij nog in de kracht van het evangelie? Welke strategie ontwerpen we om een getuigende en groeiende gemeente te blijven (worden)?
Of geloven we dat wij (Christus?) het gevecht al verloren hebben?
6. Is het niet makkelijker om ongelovigen tot God te brengen dan deze mensen die op zoveel gebieden hetzelfde geloven?
Antwoord: Het is Gods werk. Biedt uzelf aan aan God als zijn werktuig.
Laat u vervullen met zijn onuitsprekelijke liefde.
Die zult u altijd nodig hebben ook om compleet ongeiovigen tot God te brengen.
Bid, bid, bid.
Dit artikel kwamen wij tegen in de rubriek PERSREVUE van het GEREFORMEERD KERKBLAD - Wekelijks orgaan van de Geref. Kerken in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Nrd.-Holland en Flevoland -. De genoemde rubriek wordt in dit vrijgemaaktgereformeerde blad in doorsnee verzorgd door ds. J.H. Ulehake te Leusden.
Hij nam dit stuk over om zijn lezers verschillende dingen ernstig op het hart te drukken. Wij worden immers met deze zaken vroeg of laat gekonfronteerd. Enkele gedeelten troffen mij bijzonder. In de eerste plaats viel het mij op, dat wanneer Moslims gedeelten van de Koran allereerst in het Arabisch leren, foutloos (een duidelijk germanisme) opzeggen belangrijker is dan met het hart begrijpen.
Dit gevaar belaagt in een bepaald opzicht ook ons. Je komt mensen tegen, die hele lappen uit de H. Schrift kunnen citeren en je met Bijbelteksten om de oren slaan terwijl het geheel van het getuigenis van Gods Woord geen werkelijk bezit geworden is, dat hun hart als het centrum van hun leven beheerst. Maar het gaat niet alleen om het kennen VAN God via de Bijbel, maar vooral om het kennis hebben AAN God in de weg van een hartelijk geloof, dat gewerkt is door de rijke verkondiging van het evangelie van Christus. Het draait om het één EN het ander. Daarop moeten wij permanent bedacht zijn in de prediking en bij het overbrengen van de katechetische stof aan de jongeren van de gemeente. In de tweede en laatste plaats vraag ik met name aandacht voor het slot van het geheel. Hier wordt gevraagd om zich aan te bieden als instrument in Gods werk. Als het op evangeliseren aankomt trekken wij ons vaak terug en laten het graag aan anderen over terwijl de mogelijkheden soms voor het oprapen liggen. Maar wij zullen ons bij de vervulling van onze evangelisatorische roeping dan wel moeten verplaatsen in de leefwereld van de ander. Wezullen de achtergrond van iemands menselijk bestaan hebben te honoreren. God wil ons daartoe de moed en de kracht verlenen via ons gebed. Het gebed is de macht van de machtelozen. Ik vraag attentie voor de indringende oproep van ds. Roosenbrand: Bid, bid, bid!