Rapport Predikantsprofiel zet aan tot veel denkwerk
2010-09-17
Het rapport van de Commissie Toekomstig Predikantsprofiel is door diverse betrokkenen binnen de NGK goed ontvangen. Het gedegen onderzoek en de heldere analyse van de commissie worden gewaardeerd, al beseft iedereen dat het lijvige document slechts het begin is van veel meer denk- en doewerk binnen de kerken.- Jaargang 54
- nummer 18
Van de stapel bespreekstukken van de komende Landelijke Vergadering is het rapport ‘Tussen gisteren en morgen’ van de Commissie Toekomstig Predikantsprofiel één van de ingrijpendste. De commissie geeft in haar schrijfsel maar liefst 72 adviezen, die allerminst via een achterdeurtje de consistorie in zullen sluipen. Want het heeft nogal wat om het lijf.
De afgelopen weken hebben veel predikanten, kerkenraadsleden en andere betrokkenen het rapport bestudeerd en soms al besproken in regiovergaderingen. Op de komende LV zullen afgevaardigden van die regio’s zich erover buigen.
Uit een inventariserend belrondje langs diverse betrokkenen blijkt dat men veel waardering heeft voor de arbeid die de commissie zich getroost heeft. Ook van de noodzaak om over de plaats van predikant, kerkelijk werker, kerkenraad en anderen binnen de structuur van de gemeente na te denken, is men doordrongen.
‘Ik vind het uitermate goed om ons te beraden op de taak en plaats van de predikant’, zegt Jan Maris, die tijdens de LV de regio Harderwijk zal vertegenwoordigen. ‘Je ziet dat er over deze zaken nog een bepaalde vaagheid is. Er is een stuk onvolwassenheid in de kerkelijke organisatie; men verwacht vaak nog van de predikant dat die een schaap met vijf poten is. Maar een predikant kan niet alles doen en bovendien heeft predikant A andere kwaliteiten dan predikant B.’
‘Het is een hele goede analyse van deze veranderende tijd en de noodzaak het werk van de predikant te veranderen’, vult ds. Alex Boshuizen uit Oegstgeest aan. ‘Ik vind het rapport belangrijk omdat ik overtuigd ben van het probleem. Het is niet vanzelfsprekend dat het goed gaat tussen predikant en gemeente. Het rapport laat helder zien hoe het kan dat een predikant nu niet meer kan functioneren zoals die vroeger functioneerde.’
Dat is precies ook de reden waarom Bram Wattèl, betrokken bij de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding (NGP) en de Vertrouwens- en Advies Commissie (VAC), tijdens de vorige LV het balletje rond deze thematiek aan het rollen bracht. ‘Ik heb er toen op aangedrongen om ons te beraden op de predikant van de toekomst. De kerken veranderen sterk. Daardoor vragen we ons als NGP af waar we predikanten precies voor opleiden. Voor de kerk van gisteren? Daarnaast zie ik vanuit de VAC regelmatig predikanten vastlopen. De vraag is hoe we dat kunnen oplossen. Hoe kunnen we de positie van de predikant verbeteren?’
Eilandencultuur Wattèl is blij met het eindresultaat van de commissie. ‘De insteek is erg predikantgericht, dat vind ik goed’, zegt hij. De voorstellen voor de invoering van de predikant-in-opleiding (een fase tussen studie en predikantschap) en verplichte toerusting voor predikanten zijn Wattèl bijvoorbeeld uit het hart gegrepen. ‘Het lijkt me daarbij goed dat predikanten hun studieverlof gebruiken om hun vaardigheden te verbeteren. Dat is minstens net zo belangrijk als de theologie bijhouden.’
Het idee voor de predikant-in-opleiding valt ook goed bij Mark Rietkerk, die momenteel zijn studie bij de NGP afrondt en ondertussen kerkelijk werker is in Zoetermeer. ‘Als je ergens langer zit, wordt het echter. Echter dan een stage bijvoorbeeld. En laat het vooral heel praktisch zijn. Morgen word je predikant: Wat kom je tegen? Wat doe je bijvoorbeeld als iemand overlijdt? Hoe ga je daarmee om?’
Een ander aspect van het rapport waar Rietkerk over te spreken is, is de aanbeveling om meer samen te werken binnen de regio’s. En daar blijkt ook bij anderen animo voor te zijn. ‘Ik ben er een groot voorstander van’, zegt Maris. ‘Ik vind dat er nog te veel een eilandencultuur onder predikanten is. Op het gebied van intervisie is er denk ik nog veel te verbeteren binnen de NGK.’
Predikant Boshuizen is graag bereid daar werk van te maken. ‘Ik heb een opleiding tot supervisor gedaan, dus ik vind dit belangrijk. Er moet voortdurende nascholing en intervisie zijn. En dan niet “oude jongens krentenbrood”, maar echt serieus kijken naar je werk.’
Boshuizen denkt dat intervisie en supervisie een predikant ook kunnen helpen zich bij zijn taken te laten. ‘Ik kan me heel erg vinden in de hoofdconclusie van het rapport, dat predikanten terug moeten naar hun kerntaak en dat geestelijke leiding van management moet worden gescheiden. Dat lijkt me heilzaam. Maar het is heel lastig. Het is verrassend eenvoudig om je aantal kerntaken te laten groeien, tot je denkt: hoort dit nog wel bij mijn kerntaken? Daarom is supervisie belangrijk. Wat ben je aan het doen?’
Tikje te veel Kerkelijk werker Jan van Raalte was positief verrast door de aandacht voor kerkelijk werkers in het rapport. ‘Ik ben blij dat onderkend wordt dat het kerkelijk werk meer is dan de predikant’, zegt Van Raalte, die vorig jaar november meedeed aan een rondetafelgesprek met de commissie. ‘Je ziet toch een beetje dat de predikant iemand is die overal mee bezig is. Ik vraag me af of dat vol te houden is. Ik vind het zelf heel belangrijk dat predikant en kerkelijk werker als een team werken. Dat is mijn droomtoekomst, en ik zie al gebeuren dat het die kant op gaat.’
Van Raalte vindt het goed dat de commissie het predicaat ‘Tussen gisteren en morgen’ op het rapport heeft gezet. ‘Dat geeft mooi aan dat we in een proces zitten. Het ontwikkelt zich.’
Iedereen beseft echter dat dat proces veel tijd en energie zal kosten. ‘Het rapport is een goede aanzet, maar er is nog veel inzet nodig voor de uitwerking’, zegt Maris. ‘Het is geen pasklaar model en dat mag je ook niet verwachten.’
‘Het proces bestaat niet alleen uit besluitvorming’, vult ds. Joop van ’t Hof uit Leerdam aan. ‘Hoe gaat het verder landen? Daar is tijd voor nodig. Als het rapport integraal wordt overgenomen op de LV, betekent dat nog niet dat het integraal doorgevoerd is. Daar komt bij dat het best lastig is om het rapport in de kerkenraad of gemeente te bespreken. Iedereen is druk met praktische dingen. Voordat je een kerkenraad zover krijgt het hele rapport te lezen...’
‘Ik vraag me af of ze dat zullen doen’, zegt Rietkerk. ‘Het is heel veel en kost allemaal tijd, geld en energie. De commissie geeft 72 adviezen, misschien is dat een tikje te veel.’
Oude ambtsopvatting
Nog voor de vraag aan de orde komt hoe behapbaar het rapport is voor gemeenten, speelt de vraag of het rapport wel integraal wordt overgenomen op de LV. Want ondanks de waardering voor het werk van de commissie worden er veel kanttekeningen gemaakt. Meerdere betrokkenen uiten bijvoorbeeld hun kritiek op de visie op het ambt van predikant waar de commissie vanuit gaat.
Van ’t Hof vindt die visie te eenzijdig. ‘De predikant is volgens de commissie enkel herder en leraar. Iemand die zich bezighoudt met organisatie, is verdacht. Ik voel me zelf meer aangetrokken tot een ander type predikant en zou graag willen dat er ruimte is voor zulke diversificatie. Naast pastoraat en prediking heb je ook missionaire activiteiten, catechese, onderwijs, organisatie. Je kunt niet alles doen, maar om nu te zeggen dat er maar één combinatie mogelijk is.’
De voorganger uit Leerdam vindt het daarnaast vreemd dat kerkelijk werkers niet in het ambt bevestigd worden. ‘Wat is dan de functie van het ambt? Dat vraagt naar mijn idee om doordenking.’
Volgens Maris zit het probleem erin dat de commissie vasthoudt aan de bestaande opvatting over het ambt. ‘En daar heb ik moeite mee. De predikant is in die opvatting heel onafhankelijk. Hij heeft een eenzame, maar ook superieure positie, terwijl dat toch genuanceerder ligt. Ik had gehoopt dat de commissie uitleg zou geven waarom de visie ongewijzigd moet blijven.’
De oude ambtsopvatting wringt bovendien met diverse aanbevelingen van de commissie, meent Maris. ‘Het beleid voor in- en doorstroom van predikanten onderschrijf ik van harte, maar dat klopt niet met het beeld van een predikant die tegenover de gemeente staat, zoals dat in het verleden beleden werd. Die opvatting kan bovendien tot arbeidsrechtelijke problemen leiden; ik heb zelf enkele afzettingsprocedures meegemaakt. Ik vind dat hier echt over gepraat moet worden.’
Ook ds. G. van Keulen, bestuursvoorzitter van het Nederlands Gereformeerd Seminarie, heeft moeite met het vasthouden aan de bestaande opvatting op het ambt, maar dan vanuit een heel andere optiek. ‘De commissie zegt dat het de ambtsvisie niet wil bijstellen, maar is dat wel zo? Ze slaan juist hele nieuwe wegen in. De taak van een predikant in het pastoraat wordt bijvoorbeeld verdampt tot het toerusten van anderen. En het zelf geven van catechese verdwijnt naar mijn idee achter de horizon. Ik denk wel eens: wat blijft er nog over van het werk van de predikant? Ik zie geen reden waarom we afstand zouden moeten doen van de oude ambtsvisie.’
Van Keulen vindt het een ‘behoorlijk manco’ dat de commissie hier niet beter bij stil heeft gestaan, voordat het aan het adviseren sloeg. ‘Waarom hebben ze niet eerst nagedacht over hun uitgangspunt? Dat is toch richtinggevend? Nu wreekt zich dat op het gebied van pastoraat en catechese.’
Harde werkelijkheid
Een ander punt van kritiek is de uitvoerbaarheid van de voorstellen van de commissie. Boshuizen ziet aan de ene kant dat veel adviezen uit het rapport al in de praktijk worden gebracht in de NGK in Oegstgeest, maar bij de praktische haalbaarheid van andere voorstellen heeft hij zijn twijfels. ‘Er wordt voorgesteld bepaalde dingen centraal te regelen, zoals een informatiedesk en het loopbaanbeleid. Dat lijkt me top, maar zijn we daar niet te klein voor? Onze kracht – het informele, het elkaar kennen – is tegelijk onze zwakheid. Ga je bijvoorbeeld bij het loopbaanbeleid niet erg bij elkaar in de keuken kijken? Mis je daar niet de bescherming van het grotere geheel?’
Wattèl vraagt zich eveneens af of het voorgestelde loopbaanbeleid te verwezenlijken is. ‘Het lijkt een ideaalbeeld dat op de harde werkelijkheid botst. We zijn er eigenlijk te klein voor. Het zou beter zijn het bijvoorbeeld samen met de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt op te zetten. Dan heb je een “ruimere markt”.’
Rietkerk hoopt ook op samenwerking met andere kerken. ‘Want als je de enorme nadruk op training, scholing en opleiding ziet in het rapport, vraag ik me wel af: is dat er allemaal wel? De GKV heeft bijvoorbeeld een cursusprogramma ‘Gemeente en ambten’. Daar staat veel hetzelfde in. Ik hoop dat we dit met elkaar kunnen doen.’
Rietkerk wijst verder ook op de diversiteit binnen de NGK. ‘De gemeenten zijn zo verschillend, dat de commissie hoogstens richtlijnen kan geven. Ik denk dan ook dat het belangrijkste is dat je begint bij het begin en dat je je als gemeente bezint. Waar staan we nu? Hoe vinden we dat we functioneren? Ervaren we een probleem? Want er zijn ook gemeenten waar het gewoon goed loopt.’