Niemand heeft ooit God gezien
2010-02-05
In de komende maanden lezen we met een aantal mensen de nieuw vertaalde Institutie van Calvijn (zie verder: Opbouw 54/2; leesrooster: Opbouw 53/24). Reacties naar: calvijnlezen@opbouwonline.nl.- Jaargang 54
- nummer 3
Calvijn kreeg de handen van zijn 21e-eeuwse lezers niet op elkaar toen hij in Boek I zijn visie op de mens ontvouwde.
Dat de reformator bij de mens onderscheidde in lichaam en ziel was nog tot daar aan toe, maar dat hij de ziel hield voor onsterfelijk en bij de dood van een mens zelfs spreekt van ‘de bevrijding van de ziel uit de kerker van het lichaam’ (p.190/191), dat ging de meesten toch echt te ver.
Je zit tegelijk midden in de discussies uit eerste helft van de vorige eeuw, toen de erudiete onderwijzer A. Janse en predikanten als Telder en Vonk de ‘ziel’ in bijbelse zin opvatten als een aanduiding van de hele mens en daarin dus recht tegenover Calvijn stonden. Ook Kees de Groot voelde hier duidelijke afstand tot Calvijn en was zelf vooral voorzichtig: ‘Hoe de verhouding tussen lichaam en ziel is, zo die al zijn te onderscheiden, is een mysterie en dat wil ik graag zo laten’.
Terughoudend
Inhoudelijk bevinden we ons – al lezend in Boek I - op terreinen waar je gemakkelijk te veel zegt. Zoals bij het thema van de goddelijke Drie-eenheid en Gods voorzienigheid. Agnes Amelink schrijft: ‘Het sterkst is Calvijn mijns inziens als hij terughoudendheid en bescheidenheid bepleit … Er is niets op tegen om op zo verstandig en ordelijk mogelijke wijze te spreken over de kennis van onze Heer, maar er zijn grenzen.’ Calvijn wijst zichzelf en anderen zeer geregeld op deze grenzen – zoals op p.154: ‘De mens betreedt een doolhof als hij geen grenzen stelt aan zijn weetgierigheid’. Toch kan Calvijn af en toe de verleiding niet weerstaan om de denklijnen door te trekken tot buiten het bijbelse speelveld – in de overtuiging, dat die lijnen elkaar daar raken. Maar de meeste meelezers ervoeren Calvijn op zulke momenten als te systematiserend ten koste van de bijbelse ruimte. We komen er nog op. Herman Schaeffer had van die iets te nadrukkelijke systematiek veel minder last. Hij schreef bijvoorbeeld: ‘Calvijn bouwt geen systeem, ook al suggereert de catechese-vorm die hij kiest voor zijn herderlijk schrijven nog wel eens het tegendeel. Heerlijk inconsequent – en dus onsystematisch – kan hij zijn. Eenvoudigweg vanwege de pastorale strijd die hij op een bepaald front te voeren heeft voor het zuivere denken over God en Zijn eer.’
Beelden
Laten we inhoudelijk maar eens doorsteken naar de gedachten van Calvijn over God. Dat de reformator niet voorbij gaat aan de vragen rond het tweede gebod (beeldendienst) zal niet verbazen. Boeiend vond ik dat Calvijn bij de afgodendienst met zijn beelden wijst op de grenzeloze variëteit: mensen denken zich werkelijk van alles en nog wat uit! Calvijn had daarbij natuurlijk niet alleen het Oude Testament voor ogen, maar ook de katholieke wereld van zijn dagen.
Die was hem veel te beeldrijk – van het menselijke naakt tot de goddelijke majesteit. Heb je bij al dat oogstrelende nog wel oor voor de stem van God en het Woord dat Hij spreekt, zo was Calvijn’s hamvraag. Niet dat er van Calvijn helemaal niet geschilderd en gebeeldhouwd mocht worden, maar dan alleen zaken uit de zichtbare werkelijkheid.
Gods Zoon
Luisterend naar de Schrift gaat Calvijn uit van de eenheid van God, zoals je die - haaks op de afgodische Kanaänitische wereld - in één zin vindt in het Sjema (Deuteronomium 6:4). Des te verrassender is het – en Calvijn wijst daar op - dat je in het Oude Testament toch ook stuit op trekken, die aan het latere trinitarische geloof van de christelijke kerk doen denken. Calvijn memoreert de bijzondere engel, die aan Menoah en zijn vrouw verscheen en goddelijk eerbetoon niet afwees. Calvijn: ‘Hoewel Gods Zoon namelijk nog niet in het vlees gekomen was, daalde Hij toch als een bemiddelaar af, om op heel vertrouwelijke wijze tot de gelovigen te naderen.’ En vandaar gaat Calvijn het Nieuwe Testament in om te laten zien dat woorden die in het OudeTestament op de HEER betrokken worden, in het Nieuwe Testament met Jezus verbonden zijn. En verder maakt hij duidelijk dat het eerbetoon waarmee Christus geëerd wordt, geen mens of engel te deel valt.
Ook de wonderen van Jezus voert Calvijn op als een aanwijzing voor Jezus’ goddelijkheid. Tineke Plooij reageerde op dat laatste met een verwijzing naar Willem Smouter, die in zijn boek Herstelwerk juist benadrukt dat Jezus deze wonderen als méns deed in de kracht van de Heilige Geest. Met in zijn gevolg mensen die door diezelfde Geest zulke wonderen doen, tot in de 21e eeuw!
Gregorius
Zulke gedeelten, met veel Bijbelse verwijzingen, boeiden de leesgroep meer dan de passages waar Calvijn zijn tegenstanders met een keur van argumenten bestreed, zo is mijn indruk.
‘Die mensen en stromingen zijn me maar voor een deel bekend’, zo liet Tineke Plooij weten. Maar op de Alpha-cursus geeft ze graag aan de mensen mee, dat ze naarmate ze de Bijbel vaker leest ‘steeds op meer plaatsen sporen en aanwijzingen vindt die de Drie-eenheid bevestigen’.
De misschien wel mooiste omschrijving van het trinitarische komt van Gregorius van Nazianze, kerkvader uit de vierde eeuw, en geciteerd door Calvijn: ‘Ik kan mijn gedachten niet op de ene richten, of ik word meteen omstraald door de glans van de drie, en ik kan geen onderscheid maken tussen de drie, of ik word op hetzelfde moment weer bepaald bij de ene.’
Voorzienigheid
De aflevering besluit ik met het thema dat het meeste stof deed opwaaien – Calvijns tekening van het godsbestuur in deze wereld. De openingszin van het zestiende hoofdstuk is natuurlijk treffend - ‘Wanneer we van God een Schepper voor één ogenblik zouden maken, die Zijn werk eens en voorgoed voltooid heeft, zou dat maar kil en karig zijn.’ Maar bij Calvijn’s uitwerking van het thema waren de reacties uit de leesgroep overwegend kritisch. Kees de Groot schrijft: ‘Calvijn weet me te veel… Natuurlijk lees ik in de Bijbel over Gods actieve bemoeienis met mensen.
Over zegen en vloek, toelaten en verhinderen. Maar om uit passages die specifiek handelen over de komst van Zijn Koninkrijk algemene regels af te leiden die altijd en overal opgaan, gaat me te ver. Daarmee overvragen we m.i. de Schrift. Daarbij komt dat Gods Woord vaak met twee woorden spreekt, ook op het punt van de voorzienigheid.’ Het getuigenis van een vroegere leraar, van wie de vrouw in de bergen verongelukte tijdens hun huwelijksreis, was hem uit het hart gegrepen: ‘Op de rouwbrief schreef die leraar: “Haar val werd haar hemelvaart”. Ons gaf hij als toelichting: “Ik kan niet geloven dat God haar heeft doen struikelen, maar ik geloof met alles wat ik in me heb, dat God haar wel heeft opgevangen!” Woorden naar mijn hart.’
Vragen
De laatste hoofdstukken van Boek I leverden veel vragen op. Zo verwonderde het mij dat Romeinen 8 ongenoemd bleef in de hoofdstukken over Gods voorzienigheid. Bij de beelden van Haïti vind ik wel een zekere rust in Paulus’ gedachte dat ‘de schepping onderworpen is aan de vruchteloosheid’ (8:20) en dat de schepping zucht en ook de Geest. En je leest toch ook dat ‘God alle dingen doet meewerken ten goede voor hen die God liefhebben’ (8:28). Dat suggereert toch dat er meer stukken op het bord van de wereld staan! Vinden christenen op Haïti daar de ruimte om God toch de lof toe te zingen, ondanks de grote verliezen?
Wat betekent verder (in het kader van de voorzienigheid) de leiding die God door zijn Woord en Geest geeft? Moet je trouwens na Pasen en Pinksteren ook niet anders spreken over Gods voorzienigheid? En waar blijft de menselijke verantwoordelijkheid? De statische samenleving van de zestiende eeuw zal wel een geducht woord meespreken, maar schrijnend statisch is Calvijns passage over armoede en rijkdom (p.210). Helemaal als je denkt aan die arme sloebers tussen de puinhopen van Haïti!
Meer ruimte
Wat ik aan de lezing overhield was dat het godsbestuur bij Calvijn zo’n geïsoleerd gebeuren lijkt. Beneemt zo’n schets van de goddelijke voorzienigheid tenslotte niet alleen de mens alle ruimte, maar uiteindelijk ook God zelf. Dan denk ik aan het gedeelte over het goddelijk berouw, waar Calvijn ‘massief overhelt naar één kant’, zoals Tineke zegt. Waar ook geen ruimte lijkt voor goddelijke emotie. Tineke wil het graag naast elkaar laten staan ‘dat God geen mens is dat hij iets berouwen zou, en dat er toch een enkele keer staat dat het God berouwt dat Hij iets gedaan heeft.’ Dat herken ik in zo’n sleutelhoofdstuk als 1 Samuël 15. Heerlijk dat je op God aan kunt en dat hij niet zo’n draaibord is als Saul. Maar toch ook bijzonder dat Hij meebeweegt met mensen, op weg naar de grote vernieuwing.
Drs. Freddy Gerkema is predikant van NGK Amersfoort-noord en lid van de redactie van Opbouw