Kijk, daar heb je OMO

2007-09-28
  • Jaargang 51
  • nummer 19
In Opbouw 20 van vorig jaar is over het AIDS-programma van de Gereformeerde kerken in Nqutu, Zuid Afrika en Sizanani geschreven. Het programma is vooral gericht op training en voorlichting. Bijgaand artikel geeft een beeld, hoe moeilijk dat is en wat er allemaal bij komt kijken.

Een groepje mensen zit bij elkaar. Ze praten, niet erg luid, maar we horen ze zeggen: ‘kijk, daar heb je OMO’. Ze wijzen niet naar iemand, maar als de jongeman die eraan komt lopen zich bij hen voegt, valt het gesprek even stil. Het ging over hem; hij is OMO. Samen met vele anderen wordt hij met deze 3-letter-‘naam’ aangeduid. Ze kunnen hem ook KPN of ING noemen.

Waarom? Het is bekend, of men vermoedt, dat hij HIV+ is. Hij is toch steeds ziek en wordt zo mager en hij gaat ook geregeld naar de kliniek. Daar word niet openlijk over gepraat met hem of onder elkaar. Maar er wordt wel een ‘naam’ aan gegeven. Iedere bekende afkorting of handelsnaam met drie letters kan gebruikt worden om iemand die HIV+ is aan te duiden. Het moeten drie letters zijn want HIV heeft ook drie letters. Dan weet iedereen wat er aan de hand is.

Staftraining nodig
Over deze zaak en vele andere die ook met AIDS te maken hebben praten we op de staftraining die we begonnen zijn. We hebben al twee heel intensieve weken met elkaar gewerkt en geleerd. Een groep van 25 deelnemers, bestaande uit alle medewerkers van Sizanani en medewerkers en een paar leden van de Gereformeerde kerken in Nqutu.
Allemaal werken ze al in de gemeenschap. Allemaal worden ze bijna dagelijks geconfronteerd met de AIDS-epidemie. En allemaal voelen ze dat ze niet genoeg kennis en vaardigheden bezitten om mensen op de juiste manier te helpen. En, ook heel belangrijk, er zelf staande bij te blijven.
Want als je met HIV+-mensen en mensen met AIDS en hun families en gemeenschappen gaat werken, komt er van alles op je af. De cursus, in totaal vijf weken, gaat over alle mogelijke aspecten van HIV+-zijn en AIDS hebben. We gebruiken allerlei ‘technieken’ zoals brainstorming, video, rollenspel, discussiegroepjes en debat, zodat de werkers zelf dit kunnen toepassen wanneer zij straks voor een groep staan of een counselingsessie moeten houden.
HIV+-zijn is een doodsvonnis. Mensen gaan door verschillende fases van ontkenning en acceptatie en beleven als het ware een rouwproces om hun eigen dood. Dat moet je kunnen begeleiden. Vaak is de patiënt bang om zijn of haar status aan de familie te vertellen. Als facilitator zoek je dan samen de juiste vertrouwenspersoon in de familie. Daarna heeft de familie vaak ook counseling nodig. Genezing van deze epidemie begint bij preventie. Daarvoor hebben de mensen kennis en levensvaardigheden nodig. En dus leren onze werkers ook om met groepen te werken en hen deze zaken te leren.

Snoepjes en een lege doos
Allereerst wordt er in de training gestudeerd op de aard van het HIVvirus en wat het doet aan het immuunsysteem van het lichaam, wat het betekent als je CD4-telling omlaag gaat en wanneer het tijd is om antiretrovirale middelen te gaan gebruiken. Waarom zijn die middelen nodig en hoe werken ze.
Een dag lang hebben we gepraat over positief leven en goede voeding. Hoe stel je een goed dieet samen voor iemand die bijvoorbeeld steeds diarree heeft of wondjes in de mond. We kunnen veel leren maar weten niet echt hoe iemand zich voelt die HIV+ is. Iemand die met anti retrovirale middelen begint moet voor de rest van zijn of haar leven elke dag op dezelfde tijden deze middelen slikken. Die juiste tijden zijn heel belangrijk en je mag ook geen keer overslaan, want het virus muteert erg snel en dan wordt het resistent. Een week lang oefenen we zelf, met snoepjes.
Daardoor komen we er zelf achter wat de knelpunten zijn. Velen van ons zijn een aantal keren vergeten. Maar we komen wel op ideeën die we aan de mensen kunnen doorgeven om je pillen niet te vergeten.
Vroeg of laat wordt een AIDS-patiënt en zijn familie met het sterfproces en de dood geconfronteerd. Onze werkers hebben nu ook geleerd wat voor documenten er allemaal nodig zijn bij een overlijden. Zo kunnen ze hun ‘cliënten’ vroegtijdig adviseren. Een ander onderwerp was het maken van een ‘herinneringsdoos’. Veel ouders zijn HIV+ en weten niet of ze hun kinderen zullen zien opgroeien. Voor de kinderen is het belangrijk om later iets te hebben van hun ouders.
Ouders kunnen bij hun leven een doos maken waarin ze dingen stoppen van zichzelf of dingen die hun kinderen zullen herinneren aan wat ze samen met vader of moeder gedaan hebben. In een cultuur waar niet iedereen bergen foto’s en video’s heeft, kun je ook zaken als je trouwring of andere sieraden of een favoriet kledingstuk gebruiken. Je kunt ook een brief schrijven of laten schrijven en je kinderen vertellen wat ze allemaal deden toen ze klein waren.
Ze zullen immers later geen moeder hebben aan wie ze dat nog eens kunnen vragen.


In het Nqutu-district, het zendingsgebied van de NGZN en Sizanani, is er van overheidswege geen voorlichting over en nauwelijks hulp voor de AIDS-problematiek. In samenwerking met de zendingspredikant Fritz Kruger is Marga Baron van Sizanani daarom gestart met een preventie- en zorg programma om het AIDS-probleem tegen te gaan.
U kunt dit werk financieel ondersteunen door het overmaken van een (periodieke) bijdrage op bankrekening 47.44.16.038 van Stichting Sizanani te Doorn, o.v.v. AIDS-project.
Wilt u op de hoogte blijven van de werkzaamheden van Sizanani, dan kunt u zich aanmelden voor een rondzendbrief bij Stichting Sizanani, Antwoordnummer 2006, 3940 VB Doorn (postzegel niet nodig).
De presentatie waarover wordt gesproken, is beschikbaar en kunt u aanvragen op hetzelfde adres of via 072-5123622 (zie ook bijgevoegde folder van Sizanani).



Luisteren en begeleiden
Dit alles klinkt heel gemakkelijk, maar dat is het niet. Wanneer je zo met mensen gaat werken heb je zelf bepaalde vaardigheden nodig. Je moet goed kunnen luisteren en inlevingsvermogen hebben, op het juiste moment het goede advies kunnen geven en ook weten wanneer te verwijzen naar meer gespecialiseerde en maatschappelijke hulp.
Op Nkande is een moeder ziek, ze is ongeveer 30 jaar en heeft twee zonen (14 en 7 jaar), waarmee ze alleen woonde. Onze medewerkster mevrouw Dlamini zocht haar op, nadat ze gehoord had dat ze zo ziek was en nam haar, na een gesprek, mee naar de dokter om getest te worden.
Ze bleek inderdaad HIV+ en er werd TBC ontdekt. Een tijd heeft ze in het hospitaal doorgebracht en daar de cursus gedaan die je moet lopen voordat je TBC en anti-retrovirale middelen mag gebruiken, in verband met het gevaar van resistentie. De familie van de moeder heeft zelf al veel problemen, dus kan ze niet op hen terugvallen. Gelukkig is er een gezin in de gemeenschap die haar in huis heeft genomen en ook haar twee jongens krijgen van hen te eten. Onze medewerkster zorgt ervoor dat de kinderen meer hulp krijgen en zorgt voor meer toezicht op deze twee kinderen.
Zo zijn er veel verhalen te vertellen en is er veel werk te doen. Onze medewerkers zijn nog bezig met de cursus, ze zullen nog leren over counseling vaardigheden, over armoede en AIDS, over hoe ze (groot)ouders kunnen helpen hun (klein)kinderen openlijk over seksualiteit te leren praten en hen daarover voorlichting te geven met als uitgangspunt bijbelse normen en waarden.
We mochten dit voorjaar in een aantal gemeenten via een presentatie laten zien hoe er gewerkt wordt in Nqutu. Veel gemeenteleden waren geschokt over de hoeveelheid mensen die besmet zijn met HIV of AIDS hebben.
Het AIDS-probleem is zo levensgroot aanwezig in ons gebied.
Bidt U alstublieft voor ons allen.

Marga Baron is werkzaam bij Sizanani South Africa.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief