Stel dat Benno L. je eigen kind is
2010-07-30
Niet alleen begaan zijn met het leed van de ander, maar ook bereid zijn, waar mogelijk, dat leed te verzachten.- Jaargang 54
- nummer 15
Zo omschrijft Toos Molemaker haar visie op barmhartigheid bij haar bezoekwerk aan prostituees. Jan Mudde schrijft dat wij het van dezelfde barmhartigheid moeten hebben als Benno L.. Het vierde deel van een serie tweeluiken over Bijbelse grondwoorden in de ogen van een theoloog en een niet-theoloog.
Je staat bij de couveuse van je kind. Je ziet de kleine vingertjes met de minuscule nageltjes, de fijne wimpertjes.
Overal zitten sensoren en lopen er slangetjes. Je voelt een aan pijn grenzende erbarming. Diep van binnen schreeuwt het in je: ‘God, mag het leven, blijven leven.’ Je kijkt tv. Iemand geeft zijn oordeel over Benno L., de zwemleraar die verstandelijk gehandicapte meisjes seksueel misbruikte. Het is even helder als meedogenloos: eerst moet het nodige met ‘s mans geslachtsdelen gebeuren en vervolgens mogen de gedetineerden in de gevangenis hun gang met ‘m gaan. Je kunt het begrijpen.
Soms maakt een medemens de diepst denkbare bewogenheid los, soms roept hij de hardste en meest onbarmhartige reactie op.
Maar stel dat Benno L. je eigen kind is?
Wie de Bijbel kent weet, dat God vol heilige woede kan reageren op het onrecht dat mensen Hem, elkaar en zijn schepping aandoen. En als God overkookt van woede, berg je dan. Sodom en Gomorra worden van de aardbodem weggevaagd. Het volk Israël moet eeuwenlang over de aarde dolen.
Velen vinden het barbaars dat de God van de Bijbel tot zo’n reactie in staat is, maar gegeven onze reactie op een Benno L. vind ik dat nogal hypocriet.
Gods toorn, die – geheel anders dan de onze – heilig en zuiver is, is een volstrekt rechtmatige reactie op onze zonden. Alleen is het niet zijn enige en definitieve. Als God ons hier op aarde in onze zondige misère ziet wegzinken, is zijn uiteindelijke reactie er één van intense bewogenheid.
Het verbijsterende en onbegrijpelijke van God is, dat zijn mededogen met de miserabele mens het wint van zijn woede op de zondige mensheid. In Efeziërs 2:4 lezen we: Maar omdat God zo barmhartig is, omdat de liefde die Hij voor ons heeft opgevat zo groot is, heeft Hij ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Wij kunnen ons bij Gods bewogenheid om zondaren heel weinig voorstellen. Wij zijn tot barmhartigheid geneigd als we een van honger stervend kind zien, of als we een blinde man op de straat zien bedelen. Het staat overigens niet vast dat we dan daadwerkelijk tot barmhartigheid genegen zijn; de priester en de Leviet in Jezus’ gelijkenis van de barmhartige Samaritaan waren het niet. Maar met een Benno L. willen we van onze levensdagen niets te maken hebben. Wij begrijpen niet dat God van zo iemand houdt, dat Hij zijn Zoon voor hem laat sterven en zelfs tot in alle eeuwigheid met zo iemand wil samenzijn. Toch moeten ook wij het van diezelfde barmhartigheid hebben.
Wij zijn mens en delen van nature in alle perversiteiten van het menselijk geslacht.Wij lijken van onszelf immers veel meer op Benno L. dan op de Here Jezus.
Tot Jezus’ geliefdste woorden behoren de zaligspreken uit Matteüs 5. Eén daarvan luidt: Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Ja, het zijn werkelijk mooie woorden, maar in het licht van Efeziërs 2:4 erg confronterend. Hoe barmhartig ben ik eigenlijk, gemeten naar Góds maatstaf?
Drs. Jan Mudde is predikant van de NGK Haarlem.