Over leven en dood (1): Verwondering
2010-10-01
- Jaargang 54
- nummer 19
| Genesis 1:1 – 2:3 In het begin maakte God de hemel en de aarde. De aarde was leeg en stil. Duisternis lag op de oerzee. Maar Gods Geest zweefde over de watermassa. Toen zei God: ‘Laat er licht zijn.’ En er was licht. God zag hoe goed het licht was. [God zag het licht: wat goed!] Hij scheidde het licht van het donker. Het licht noemde Hij 'dag' en het donker 'nacht'. Het werd avond en het werd morgen: dag één. Daarna zei God: ‘Laat er midden in de watermassa een afscheiding zijn die het water in tweeën deelt.’ God maakte de afscheiding die het water in tweeën deelt – water ònder en water bóven het hemelgewelf. Zo gebeurde het. Het werd avond en het werd morgen: de tweede dag. Toen zei God: ‘Laat het water ònder de hemel naar één plaats stromen en laat het droge zichtbaar worden.’ Zo gebeurde het. God noemde het droge 'aarde' en het samengestroomde water 'zeeën'. God zag hoe goed het was [God zag: wat goed!]. God zei: ‘De aarde moet planten met zaden laten opkomen, en bomen met vruchten en zaden.’ Dit deed de aarde. Zo gebeurde het. God zag hoe goed het was. Het werd avond en het werd morgen: de derde dag. Daarna zei God: ‘Laten er lichten aan het hemelgewelf zijn om onderscheid te maken tussen de dag en de nacht. Laten zij tijden, dagen en jaren aangeven. Laten zij dienen als lampen aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde.’ Zo gebeurde het. God maakte de twee grote lichten. Het grootste als koning van de dag, het kleinste als koningin van de nacht. En ook de sterren. God gaf ze – aan het hemelgewelf – om licht te geven op de aarde. Zij moesten de dag en de nacht beheersen, en onderscheid maken tussen het licht en het donker. God zag hoe goed het was. Het werd avond en het werd morgen: de vierde dag. Toen zei God: ‘Laten de zeeën krioelen van levende wezens. En laten er vogels over de aarde vliegen, langs het hemelgewelf.’ God maakte de grote zeedieren en de talloze levende wezens die de zeeën bevolken, volgens hun ontwerp. En alle vogels, volgens hun ontwerp. God zag hoe goed het was. God zegende hen met de woorden: ‘Wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de zeeën. En, vogels, word talrijk op de aarde.’ Het werd avond en het werd morgen: de vijfde dag. Daarna zei God: ‘Laat de aarde levende wezens voortbrengen, naar hun ontwerp – vee, kruipende en wilde dieren, volgens hun ontwerp.’ Zo gebeurde het. God maakte de wilde dieren volgens hun ontwerp, het vee volgens hun ontwerp en alle kruipende dieren volgens hun ontwerp. En God zag hoe goed het was. Toen zei God: ‘Laten we een mens maken, met onszelf als voorbeeld, als onze eigen gelijkenis. En laten zij heersen over de vissen in de zee, de vogels in de lucht, het vee op het land en alles wat over de aarde kruipt.’ En God maakte de mens naar zijn eigen voorbeeld. Naar Gods eigen voorbeeld maakte Hij hem. Mannelijk en vrouwelijk maakte Hij hen. God zegende hen. God zei tot hen: ‘Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar. Heers over de vissen in de zee, de vogels in de lucht en alles wat over de aarde kruipt.’ God zei: ‘Kijk, overal op aarde geef Ik jullie alle planten met zaden en alle bomen met vruchten en zaden. Dit is jullie voedsel. Voor vogels, wilde en kruipende dieren heb Ik het groenvoer bestemd.’ Zo gebeurde het. God zag alles wat Hij gemaakt had, en kijk: heel goed! Het werd avond en het werd morgen: de zesde dag. De hemel en de aarde waren klaar, met alles erop en eraan. Op de zevende dag voltooide God zijn werk; toen rustte Hij. God zegende de zevende dag, Hij maakte er een bijzondere, heilige dag van. Op die dag rustte Hij van zijn werk. |
Het eerste dat ik mij kan herinneren is zwart met rode, gele en witte bloemetjes – het schort dat mijn moeder over de box legde. Op de kamerdeur plakte ze een briefje: 'Stil, Cootje slaapt'. Maar dit hoorde ik natuurlijk pas later.
Verder kan ik niet terugdenken. En toch moet er vóór dat schort zoveel geweest zijn: een kinderstoel, een wieg, een geboorte, een man en een vrouw die vrijen, ouders en kinderen die vergeten wegen gaan. Leven dat even oplicht in de nacht.
| Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen (Genesis 2:7). |
Het eerste dat Adam zich kon herinneren, was de geur van de grond en het blauw van de lucht: de leefruimte die zijn schepper voor hem maakte. Dit wist hij niet meteen, maar dit ontdekte hij stap voor stap, van achteren naar voren.
Ik haal adem, in en uit. Ik ga en sta, heen en weer. Kijk, andere wezens die ook ademen en bewegen – op het land, in het water, in de lucht! Maar ook, dingen die stilstaan en groeien, rood geel en wit! En wat apart: soms schijnt er een fel licht, en soms is er alleen maar een zachte glans! In elk geval heb ik vaste grond onder de voeten en een veilig dak boven mijn hoofd. Een groots en tegelijk klein gevoel stroomt door mij heen. 'Wat hemel loop ik onder? Ik vouw de handen en aanbid Dit grootsche, stille wonder' (Jaqueline van der Waals). Ik verwonder me, dus leef ik. Ik leef, dus verwonder ik me.
De schepper zélf verwondert zich: 'Dat het zo goed gelukt is!' Hij ziet hoe goed alles is: licht en donker, aarde en zeeën, zeedieren en vogels, wilde dieren en mens (zeven keer).
Scheppen is: onderscheid maken tussen licht en donker, heelal en aarde, land en zee, dag en nacht, zeedieren en luchtdieren, landdieren en mens. Scheppen is ook: ontwerpen maken, een bouwplan voor alle dieren, elk dier te land, ter zee en in de lucht (zes keer).
Maar voor de méns is geen werktekening nodig! Voor de mens staat God zelf model: met zichzelf als voorbeeld, als zijn eigen gelijkenis (vier keer).
Van begin tot eind schakelt hij zijn helpers in – van het licht af tot en met de mens: 'Laat dit er zijn, laat dat gebeuren!' Daar is tijd mee gemoeid, veel tijd: zo gebeurde het (zes keer). Wat een werk, wat een bedrijvigheid! En in deze enorme ruimte en lange tijd past een pas op de plaats: de schepper rustte en genoot van zijn werk.
Dat ìk leef, betekent ik me verwonder. Je verwonderen is grondhouding voor de mens. Wij zullen leren leven van de verwondering (Gezang 252:2).
Wat je ook denkt of gelooft over het ontstaan van heelal, aarde, dingen, planten, dieren en mensen – één ding staat als een paal boven water: de wereld is níet gemaakt door de méns!
| Zou God alleen zijn dat hij de mens gemaakt heeft naar zijn beeld een vriend die met hem wandelt in de hof? |
Zou God alleen zijn dat hij vader werd een zoon kreeg een kind dat hem gehoorzaamt en van hem houdt? |
| Zou God alleen zijn dat hij een vrouw gaf aan de mens een hulp die hem begrijpt en bij hem past? |
Of – zou God alleen alleen geláten zijn door ons en bleef hij die hij altijd was: ons één en al? |