De plaats van Christus (en Zijn Geest) in het verbond

1991-05-10
  • Jaargang 35
  • nummer 10
Over de toeëigening des heils
Referaat gehouden voor de vereniging van Christelijke Gereformeerde predikanten op hun konferentie van 23 april 1991 te Dalfsen

De argwaan van de Christelijke Gereformeerden
Waar zit het nu eigenlijk op vast in het niet aflatende gesprek dat de Christelijke Gereformeerden enerzijds en de Vrijgemaakt Gereformeerden en de Nederlands Gereformeerden anderzijds voeren over de zogenaamde 'toeëigening des heils'? Ten diepste hierop dat wij, Vrijgemaakt Gereformeerden en Nederlands Gereformeerden, de argwaan van onze Christelijke Gereformeerde broeders en zusters opwekken doordat wij vanuit het verbond sprekende onze gedoopte kinderen zo onbekommerd Gods kinderen noemen. De Christelijke Gereformeerden ontkennen bij mijn weten niet dat de Schrift zo inderdaad wel eens spreekt, maar zelf nemen zij die spreekwijze toch liever niet over. Men vreest dat door deze manier van spreken een voorschot wordt genomen op iets dat je als ouders en kerk vurig hoopt maar er intussen toch nog niet is. Een prediking die zich zo uitdrukt wekt daarom valse hoop en een pastoraat dat hiervan uitgaat kweekt aldus valse gerustheid, zo brengt men ertegenin.
Men vreest dat in deze eenzijdig-verbondsmatige benoeming van onze kinderen: 'zij zijn Gods kinderen', de wedergeboorte meegesmokkeld wordt en dat op deze manier onze kinderen nooit of veel te weinig voor de noodzaak van die wedergeboorte gesteld worden. En dat derhalve het bloed van deze kinderen van onze hand geëist zal worden wanneer zij met een ingebeelde hemel toch verloren gaan.

Van God uit en van de mens uit
Ik kan in dit bezwaar een heel eind meekomen. Inderdaad kan vanuit het verbond zo maximalistisch over de kinderen van het verbond gesproken worden dat er een veronderstelling van wedergeboorte in opgesloten zit.
Wel niet als grond voor de doop (dat hebben wij afgewezen), maar als uitvloeisel van de doop, als impliciet tot het pakket van de doop behorend. Dat kan wel degelijk een valse gerustheid in de hand werken. Maar eigenaardig, hoezeer we dit ook toegeven en hoezeer ook wij (en wel van het begin van de vrijmaking af) de noodzaak van de wedergeboorte stellen, men blijft ons wantrouwen en men is op dit punt zeer moeilijk gerust te stellen. Als wij dat verbondsmatige spreken nu maar eens opgaven, denk je als je de gesprekken volgt, dan zou het goed zijn.
Maar daar zijn we nu juist niet aan toe.
Wij willen van God uit blijven spreken en dan staat bij de doop inderdaad het perfektum van het heil voorop.
Voorop? Het is dan het een en het al!
Van God uit gezien is de doop het bad der wedergeboorte en van de afwassing der zonde. Alleen, we zullen meer dan tot dusver moeten toegeven dat er daarnaast een even bijbels recht bestaat om van de mens uit te spreken en dan te letten op het 'nog niet' van het gedoopte kind. Van God uit spreken of van de mens uit spreken, het is misschien wat onbeholpen gezegd maar ik voel me er toch in goed gezelschap mee. De Dordtse Leerregels zeggen ook ergens van de afval der heiligen dat deze "voor wat de mens betreft niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden maar ook ongetwijfeld geschieden zou. Doch ten aanzien van God kan ze niet geschieden ..." (V, 8). Hier heb je datzelfde onderscheid tussen het van de mens uit en van God uit spreken als waar ik nu mee kom. Ik denk dat dit onderscheid kan dienen om het verschil tussen de Christelijke Gereformeerden enerzijds en de Vrijgemaakt Gereformeerden en Nederlands Gereformeerden anderzijds wat naderbij te komen en beter te begrijpen. De Christelijke Gereformeerden benaderen het verbond meer van de mens uit, de anderen van God uit.
Maar denk erom, het ene lijkt mij niet onvromer dan het andere; beide hebben ze hun recht en beide vullen ze elkaar aan. Wie van de mens uit denkt heeft meer oog voor de realiteit van de menselijke zonde en zwakheid en derhalve voor de noodzaak van de wedergeboorte (de toeëigening des heils in de weg van de wedergeboorte), wie van God uit denkt is meer onder de indruk van Gods beloften, waartegenover je het volstrekt niet maken kunt nee te zeggen. Vanwege zijn hoogheid vermag je niet anders dan die gelovig te beamen (vgl. Job 31:23).
En dus is het voldoende voor de prediking dat God in de hoogheid van zijn genade voor ogen gesteld wordt.

De twee-fasen-struktuur van het verbond
Ik wil nu de rest van mijn tijd gebruiken voor een wat uitgewerkte bijbelstheologische opmerking waarmee ik meen in staat te zijn recht te doen zowel aan de vrees van de Christelijke Gereformeerden als aan het' Ani iegen' van de Vrijgemaakt en Nederlands Gereformeerden. De opmerking gaat over het verbond. Daarover zuilen wij samen tot meer klaarheid moeten zien te komen, is mijn indruk. Ik bedoel met mijn notitie te laten zien dat in het verbond inderdaad de noodzaak van de wedergeboorte ter sprake moet komen, zoals de Christelijke Gereformeerden ons met zoveel nadruk voorhouden, maar dan wel meer christologisch dan tot dusver het geval is geweest. 'Christologisch? Pneumatologisch, zult u bedoelen'. Goed, pneumatologisch. Mits duidelijk is dat de Geest zich op Christus oriënteert en niet op een duister verkiezingsbesluit, want daar kunnen we heilsordelijk niets mee. De verkiezing als voorbeschikking hoort thuis in de nabeschouwing.
Dit is mijn these: Het verbond is de kritische ruimte waarbinnen God ons zijn vriendschap biedt maar waarbinnen Hij ook belovend en waarschuwend zegt dat het alleen door en vanwege Christus tot een echte vriendschapsrelatie kan komen. Het verbond vertoont dus een twee-fasenstruktuur en het is krachtens de dynamiek die aan de verbondsrelatie met de Eeuwige eigen is dat van het vriendschapsaanbod van het begin naar de beproefde vriendschap van het vervolg toegewerkt wordt.

In- en uitwendig verbond?
O, ik hoor het al; zegt iemand, u wilt de kant op van een uitwendig en een inwendig verbond (want dat is ook zo'n onderscheiding in tweeën). Maar nee, dat wil ik niet. Wanneer dat wel het geval was zou ik het vertrouwen van de Vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerden onmiddellijk verspelen.
Die hebben namelijk een hekel aan die onderscheiding. En terecht, want ze is gewonnen uit een verkeerd gebruik van de verkiezing. De verkiezing werd als een breekijzer in het verbond gezet en deed dat toen in twee helften uiteenbarsten, een uitwendig en een inwendig deel. En het belangrijkste deel, het inwendige verbond, werd vanwege het verborgen karakter van de verkiezing een geheel onzekere zaak en kreeg zelfs iets geheimzinnigs en bedreigends. De noodzaak van de wedergeboorte werd dan ook gesteld vanuit die verkiezing of voorbeschikking die als een zwaard boven het verbond hing. Men sprak veel over de noodzaak van wedergeboorte omdat men het verbond met z'n frivole openheid aan de teugel van de veel serieuzere verkiezing wilde leggen. Maar zo nam de Heilige Geest het in zijn toeëigenend werk alles niet meer uit Christus maar uit het verkiezings- of voorbeschikkingsbesluit.
Daar moeten wij terecht niets van hebben. Mijn onderscheiding echter van de twee fasen van het verbond berust, zoals het vervolg zal aantonen, op iets anders dan op het ontijdig invoeren van het verkiezingsgegeven.

Grondslag en kritisch midden
Niet de verkiezing moet als een breekijzer in het verbond worden geplaatst, maar Christus wordt gezet tot een val en een opstanding van velen in Israël (vgl. Lukas 2:34). Dat is volgens mij de tweede fase van het ene verbond. Het verbond is de ruimte waarbinnen de Here God zijn volk met Christus konfronteert.
Christus is er ook al in de eerste fase van het verbond. Hij is van het verbond de grondslag. Immers, hoe zou God gemeenschap zoeken en hebben met de mens anders dan terwille van zijn geliefde Zoon? Maar in de tweede fase komt Hij ook nog als het kritische midden van het verbond naar voren. God wil namelijk dat alle bondgenoten hun houding zullen bepalen tegenover de Christus die de grondslag van het verbond is.
Het impliciete van de alles bepalende plaats van Christus in het verbond moet explicietqernaakt worden. Dat gebeurt in de tweede fase.
En zo komt Christus dus tweemaal in het verbond ter sprake: als grondslag en als kritisch midden.

David en Sion
Het is de verbondsgeschiedenis zoals die in de Schrift wordt beschreven die ons de dynamische beweging van de ene fase naar de andere (maar de ene wordt tegelijk ook weer in de andere vastgehouden!) laat zien. 'In het verbond heeft God zijn volk een weg laten afleggen waarop het tot het inzicht gebracht werd dat het voor het verbond totaal ongeschikt is en dat het alleen in Christus een been krijgt om op te staan. Let wel: dit behoort tot en is inherent aan het verbondsonderwijs.
Het is in het verbond zelf dat God ons uittest met de vraag: wat dunkt u van de Christus? God heeft met Israël een verbond gesloten en heeft vervolgens Israël in dat verbond laten vastlopen.
Het verbond kwam daardoor in de krisis. En toen kwam Hij met het nieuwe verbond, zegt u. Ja, maar al veel eerder dan de dagen van Jeremia (die de belofte van het nieuwe verbond mocht doorgeven) had de Here aan het oude verbond reeds een kritisch centrum gegeven: David en Sion, de beide grote voorgestalten van de Christus in het Oude Testament. Daar moest Israël zich op oriënteren.
Op het heil dat met die twee namen, nee, niet gegeven maar toch wel aangeduid was. God gaf in de dagen van David een verbond in het verbond. Het David-verbond in het Sinaï-verbond.
En voortaan hing het Sinaï-verbond aan het David-verbond. Het David-verbond was zo het begin van het nieuwe verbond.

De dynamiek van het verbond
Wij stellen het meestal zo voor dat het Sinaï- of volksverbond met geheel Israël gesloten was en het nieuwe verbond met de ware gelovigen, de zogenaamde 'rest'. Ik zeg niet direkt dat dat fout is maar omdat de ware gelovigen in dit leven vaak niet zo zichtbaar zijn als wij wel zouden wensen, worden zij al gauw de uitverkorenen.
En daar ls dan Weer de schimmigheid waar ik het over had, de onzekerheid waardoor het nieuwe verbond meer bedreigend dan vertroostend is.
Daaruit ontstaat namelijk als vanzelf de figuur van het uitwendige of onechte verbond en het inwendigeof echte verbond, met alle geestelijke schade van dien. Een verbond met de uitverkorenen, - dat is voor ons mensen niet te hanteren. Maar nee, het is alles veel helderder. In het Sinaïverbond stelde God het David-verbond (David, samen met Sion, beide de Christus voorafbeeldend) en de bedoeling daarvan was dat het volk zich op die heilskern zou richten om als volk van God te kunnen bestaan. Dat is de dynamiek van de bijbelse verbondsgeschiedenis en tegelijk van de bijbelse verbondsleer: Christus die in de eerste fase impliciet aan het verbond ten , grondslag ligt brengt in de tweede fase expliciet het verbond in de krisis om zo de ware Israëlieten om zich heen te verzamelen, degenen die de Christus (de komende of gekomene) met een waar geloof aannemen. In de verbondsgeschiedenis komen deze twee momenten pedagogisch na elkaar, in de prediking van het Nieuwe Testament liggen ze kerugmatisch in elkaar.

Christus die ons tegenkomt
Het verbond wordt zo op' het nauwst aan Christus verbonden.
Onontwijkbaar kwam reeds iedere Israëliet voor de vraag te staan: wat dunkt u van David? Wat dunkt u van Sion? Wat dunkt u van Christus?
Erkent u David of verwerpt u David?
Bent u een hater van Sion (Psalm 129:5) of bent u een beminner van Jeruzalem' (Psalm 122:6)?
Bent u voor of tegen Christus? Het verbond is zo de ruimte waarbinnen, de Heilige Geest Christus tot een val en een opstanding van velen maakt. In het verbondsonderwijs waarin ik in mijn kerk ben opgevoed heb ik vaak de expliciete plaats van Christus gemist.
Hij was wel de (bijna) verzwegen vooronderstelling van het verbond maar niet het kritische midden erin. Ik kwam Hem te weinig tegen, met de alles bestlasende vraag of ik Hem wilde volgen en of ik daarvoor mijn oude mens wilde afleggen. Israël kwam David en Sion toch ook tegen.
Ze vertegenwoordigden weliswaar heil van Godswege en daar past het woordje 'tegen' niet bij, zou je zeggen.
Maar als je ziet dat Israël vaak een ander soort koningschap dan dat van David en een ander soort eredienst dan die van Sion gezocht heeft, dan begint dat 'tegenkomen' toch vorm te krijgen. Israël kreeg in de ontmoeting met David en Sion te horen: laat los dat vleselijke koningschap en laat los die vleselijke eredienst! En zo zegt Christus in de ruimte van het verbond ook scherpe woorden tegen ons, woorden als bijvoorbeeld: "gij kunt niet God dienen en Mammon". Daarom: Christus draagt het verbond maar we komen Hem er ook in tegen, met het zwaard des Geestes in de hand.

II Samuël 7
Het tot dusver gezegde wil ik nu nog toespitsen op en illustreren aan een bepaalde Schriftplaats en wel uit het belangrijke hoofdstuk 11 Samuël 7. En speciaal daarin vs. 24. We zijn dan in het dankgebed waarin David mediteert, (het gedeelte van de verzen 18-29 is een prachtig voorbeeld van bijbelse gebedsmeditatie!) over de belofte die hem zojuist door de profeet Natan toegesproken is, dat hij een zoon zou krijgen die voor de Here God een huis zou bouwen. En ook hier geldt: de zoon van David + tempel op de Sion = > Christus. Te midden van andere beschouwende zinnen komen we dan dit meditatieve gebedswoord van David tegen: "Gij hebt U uw volk Israël voor altijd bevestigd tot uw volk, en Gij HERE waart hun tot een God". In deze zin zit de zo bekende verbondsformule opgesloten die je wel zo'n 35 keer in de Schrift aantreft: "Jullie zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal [ullle tot een God zijn" (of omgekeerd). Maar let er nu op hoe hier die verbondsformule gemoduleerd is. Ik parafraseer: "Door wat U nu gezegd hebt, Here, hebt Û Israël de stevigte gegeven om voor . altijd uw volk te zijn, terwijl wat Uzelf betreft Gij altijd al hun God bent geweest".
Voorafgaand aan Davids tijd zat het verbond dus zo in elkaar: God was zonder mankeren Israëls God geweest, maar Israël moest Gods volk nog meer worden dan dat het dat al was. God heeft nu Israël in en vanwege de grote Davidsbelofte een versteviging gegeven om voor altijd Gods volk te zijn. Zonder die Davidsbelofte kon Israël Gods volk niet blijven; het volk maakte zich voortdurend het verbond onwaardig. De Richterentijd had dat in alle schrilheid aan het licht gebracht.
Israël had van zichzelf in het verbond geen been om op te staan (zie Psalm 78:59-64). Christus zou nu voortaan zijn stevigte zijn, wanneer en in zoverre Israël zich aan de Christus zou houden. Je ziet hier voor ogen wat ik eerder zei dat namelijk het Sinaïverbond voor wat Israël betreft aan het Davidsverbond komt te hangen. En deze tendens vind je door heel het.
Oude Testament heen dat het verbond van God met zijn volk wordt ondergebracht onder de heilsker"nen van 'David' en/of het heiligdom, 'dat wil uiteindelijk zeggen: onder Christus. Om enige teksten te noemen: Exodus 29:45; Levitikus 26:11 en 12; I Koningen 8:15-21; Psalm 78:65-72; Jeremia. 30:21 en 22; Ezechiël 37:23 en 24, 27; (I Petrus 2:1-10). Het verbond wordt in de Schrift dus niet onder de uitverkiezing maar onder Christus gebracht. En de Heilige Geest werkt dat in zijn toeëigenende arbeid uit. Dat zich daardoorheen de uitverkiezing of voorbeschikking realiseert is ook waar maar valt predikmatig niet te verwerken, - tenzij dan in terugblik.

Aanvullend, niet aanvallend
Ik vind een tekst als 11Samuël 7::24 een kostbare variant op de aloude verbondsformule, eigenlijk van onschatbare waarde voor de verhouding tussen onze kerken. "Gij hebt Israël voor altijd tot uw volk bevestigd terwijl Gijzelf hun altijd al tot een God waart". In het eerste deel van deze zin zie ik recht gedaan aan de zorg van onze Christelijke Gereformeerde broeders en zusters. Het verbond is van Israël uit bezien zonder Christus en zijn Geest inderdaad niets waard. Het is niets anders dan een bouwval, een puinhoop. En daarop gelèt moeten we zeggen dat het verbond ons niet zal redden. Daar heeft ds Westerink volkomen gelijk in. Maar het tweede zinsdeel verwoordt het gelijk van de Vrijgemaakt en Nederlands Gereformeerden.
Want aan God ligt dit niet. Van Hem uit gezien is het verbond altijd al tot aan de rand toe met heil gevuld geweest.
En daarop gelet horen we in het woord verbond de liefste klanken en is ons de term dierbaar en onopgeefbaar, meer dan geschikt om er het diepste van de verhouding tot de Here God mee uit te drukken. Denken en spreken wij van God uit of van de mens uit over het verbond? Het waardevolle van deze tekst uit II Samuël is dat in één formule allebei gebeurt. De menselijke onmogelijkheid van het verbond wordt erin geattesteerd, maar ook de goddelijke verwerkelijking ervan. En wel door Christus en zijn Geest. En nog eens, dat gebeurt beide in één formule. AI zitten we nog lang niet in één kerk, in 11Samuël 7 zitten we alvast in één verbondsformule. En dat is niet niets. Laten wij zolang we nog niet kerkelijk één zijn een ieder rustig zijn proprium naar voren brengen, maar laten wij het liever aanvullend dan aanvallend doen. Dat zouden wij uit het vreedzaam bij elkaar staan van de dingen in 11Samuël 7:24 kunnen leren.

Goede en opbouwende kontakten hebben met christenen uit andere kerken is één ding, maar als kerken nu ook samen op weg gaan is duidelijk iets anders. In een tijd dat de officiële samensprekingen tussen de drie kerken van de kleine oekumene wat stagneren is het een goed ding te merken dat het onderlinge gesprek daardoor niet stil gevallen is. Gelukkig maar, want waar niet meer gesproken wordt daar woekert het wantrouwen. Professor Trimp van de Vrijgemaakte en ik waren beiden te gast op de jaarlijkse konferentie van de Christelijke Gereformeerde predikanten in Dalfsen waar we samen met ds Starreveld uit Kampen ons gehoor hebben trachten te boeien met een (20 minuten durende) inleiding over een op het eerste gezicht afgezaagd onderwerp ('toeëigening des hei Is') dat we 'naar eigen kreativiteit' (zoáls de sekretaris ons geschreven had) mochten behandelen.
Anders dan het opgegeven thema deed verwachten was de belangstelling tamelijk groot en de diskussie erover levendig. Naar wat ikzelf daar te berde heb gebracht wil ik onze lezers laten meeluisteren. Hier en daar heb ik me een kleine verduidelijking veroorloofd in de oorspronkelijke tekst, mede op grond van wat in de bespreking naar voren kwam.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief