Een stukje Afscheiding-herdenking 1884

1991-05-10
  • Jaargang 35
  • nummer 10
Ongevraagd kreeg ik een familiedossier in handen en ongevraagd geef ik u een brief uit 1884 door. Blijkbaar werd de brief geschreven door een afgescheiden arbeider, aan zijn familie. Ongeacht de gebrekkige stijl tekent de brief zowel iets van de Afscheiding (1834) als van de Herdenking in 1884.
Daar gaan we:


Groningen 15 October 1884

Lieve Broeder!

Ofschoon er gisteren veel water is gevallen is toch naar ik hoor het afscheidingsfeest niet in twater gevallen of verwaterd. Veel weet ik er niet van, wel dat het feest een gemeentelijk karakter droeg.
Eerste opmerking: u hebt de woordspeling in de eerste zin herkend. En voorts: dat de herdenking van de Afscheiding een 'kerkelijk karakter' droeg. U zegt: wat anders? Dat zult u nog wel merken.
Wel was de kerk vol als er gesproken werd, maar buiten de geëntamineerden waren er toch weinigen. Nou, een kaartje van twee gulden en toegang tot de maaltijd weer twee gulden, dus vier gulden, dat slaat er in.
'Geëntamineerden' is een verouderd woord. Vandaag zouden we kunnen zeggen: geëntameerde en dan bedoelen we de initiatiefnemers; maar het woordenboek zegt dat entameren van het latijnse entaminare komt, dus in geletterde kringen kan het wat mooier. Wat echter onze aandacht trekt is: dat de toegangsprijs tot de kerkelijke samenkomst en daarop volgende maaltijd meteen de 'kleine man' heeft buitengesloten. Een prijs van zeg f 40 om deel te nemen aan de maaltijd der rijken (in een tijd dat men voor twee kwartjes de buik op smakelijke wijze kon vullen) is naar wij vrezen een uiting van de Groningse klassestrijd uit die dagen: boeren telden, arbeiders niet. De briefschrijver heeft dus alles van horen-zeggen.
Er waren nog drie leden in Ulrum, die de afscheidingsacte hadden geteekend, en Juffrouw Poelman, dat is nu weer vier. Verscheidene sprekers hadden zich laten boeren, o.a. ook R. (welbekend).
Grappig, dat men de manslidmaten telde, drie totaal. En 0 ja, ook nog een zuster, bijna vergeten. Men wist toch in 1884al, dat "ook een vrouw een ziel" heeft?
Een kandidaat voor de tweede kamer is hier van onze zijde nog niet gesteld.
't Is wel waarschijnlijk dat vandaag de deputatenvergadering geraadpleegd is. 'k Heb er met de dominee over gesproken, die het oog had op de vorige kandidaat. Ofschoon de zienswijze over de eed van deze Heer wel eenig bezwaar opleverd.
U weet: in deze tijd gold bij kamerverkiezingen nog het districtenstelsel, zoals dat in Groot-Brittannië bestaat; in eigen kring kon meneen kamerlid kiezen. Dit in tegenstelling tot ons huidig lijstenstelsel. Het zal u ook opvallen dat men van kerk naar politiek zonder modulatie overstapte. En wat de eed betreft: pas in 1916 is de eedplicht bij procedures wettelijk vastgelegd.
Voordien waren de meningen verdeeld tussen "zweert ganselijk niet" (Jac. 5:12) - en "tenzij de overheid het vordert", Zd. 37 HC. Een interessant discussiepunt dus.
Volgens de krant zou vanavond 'Eendracht maakt macht' een kandidaat stellen. Wat 'Burgerplicht' maandagavond gedaan heeft weet ik niet.
Zo tellen we al drie kiesverenigingen in Groningen; we horen er meer van.
De jong Iv. word er niet minder op.
Verleden Zondag zijn drie nieuwe leden ingeschreven, toen veertien dagen geleden ook drie o.a. ook J.F. en G.B.
Onder jonglv kunnen we gevoegelijk de jongelingsvereniging verstaan, maar dat begreep u al. En dat die 'er niet minder op wordt' is een typisch-Groningse 'understatement', waarbij bedoeld wordt 'gaat goed vooruit'. Een aanwas van 6 leden in een paar weken zegt toch wel iets. We slaan nu wat privé-geheimpjes over en bepalen ons tot wat te publiceren lijkt.
Ds. K. heeft het preeken hervat, sedert Paaschen was hij uit de stad. Een lid der Herv. Gem. die hem had gehoord vreesde dat 't weer mis zou gaan met zijn hoofd".
De vrees gold niet het hervormde maar het afgescheiden hoofd; maar dat de vrees uit een hervormde mond kwam maakte de mededeling in die omstandigheden niet voor 100% geloofwaardig.
'De stad' is altijd Groningen; daar is maar 1stad en de rest heet ommelanden. Tussen () wist u dat Groningen in het Keltisch Glasgow betekent? Gow, het Nederlandse gouwe = landbouwgrond; glas = groen. Groningen, groene ingen = akkerland.

16 October

Dominee vertelde gisteravond op de zangvereeniging een en ander omtrent de Cock. Aan de maaltijd gezeten, zoo verhaalde hij, stond Van Velzen op.
Voorspelden we niet, dat die herdenkingsfeestmaaitijd van vier gulden nog wel eens aan de orde zou komen? Nu, dominee behoorde blijkbaar bij de geëntamineerden en de zangvereniging niet. Er blijft altijd verschil van differentie van onderscheid in kerk en wereld, ja die beide. En laat daar nu ds. Van Velzen geweest en opgestaan zijn. Ds. Simon van Velzen, 1819-11396, was een zwager van di. Brummelkamp en Van Raalte, een tijdgenoot van ds. H. de Cock; die kon dus uit ervaring over De Cock spreken. En daar gaat hij: Meermalen was aan dien Heer gevraagd, hoe was het uiterlijk en de houding van De Cock? De Cock was een eenvoudig man, reisde altijd zonder bagage, maar met een duitsche pijp van groote afmeting. Zoo reisde hij per snits, zoo wandelde ZEW langs de straten en pleinen van Amsterdam.
Ziet u hem gaan? Zonder buidel of male, zegt de statenvertaling. Maar met een duitse pijp (wat de SV niet zegt) en dan herinnert u zich die pijp van een klein saxofoonformaat, nietwaar?
De snits is, als wij ons onze Friese kinderjaren herinneren, een sjees, of chase, een jachtwagentje; klein rijtuig.
De Cock was heel vrij en had altoos geleegenheid te praten. Een niet onaardige senne wil ik je nog even vertellen.
Toen Koning Willem 11 aan de regeering kwam, werd er door de synode der afgesch. kerk eene commissie benoemd om naar de audiëntie te gaan, die Z.M. gaf. Deze commissie bestond uit: De Cock, Brummelkamp en Van Velzen. Een der beide laatsten voerde het woord. Gewoonlijk moet een spreker op de audiëntie kort zijn, de koning antwoord dan heel kort, maakt een buiging en de zaak is achter den rug.
Een der beide laatsten voerde het woord; reeds nu wijzen wij erop, dat v. Velzen de laatste was en die voerde het woord. Zoals nader blijkt.
Zoo ging het hier niet. Nadat de woordvoerder het zijne gezegd had antwoord Z.M.: "maar de kerk was toch immers goed!"
Een uitdagend gezegde tegen deputaten van een kerk, die zich van de Hervormde Kerk had afgescheiden en van wie geen tegenspraak tegen een koninklijke uitspraak verwacht mocht worden. Bovendien was de Hervormde Kerk tientallen jaren staatskerk geweest!
De Cock zegt: zal ik U dat eens zeggen, Sire? Neen, de kerk is niet goed.
Als 's morgens een prediker optreedt die leert dat Jezus Christus God is, kan er 's middags iemand optreden die het loochent en 's avonds een ander die zegt: beiden hebben ongelijk."
Enzovoort.
Aldus redeneerende staat De Cock onmiddellijk bij de koning en slaat deze al sprekende op de schouder (alsof het zijn intieme vriend ware) zoodat de vele ordeteekenen, waarmede Z.M. revers omhangen eigenaardig beginnen te klingelen. Van Velzen trekt hem aan de slip van de jas, maar hij liet zich niet trekken.
Blijkbaar had Z.M. smaak in deze gast.
"Onmiddellijk" slaat niet op tijd maar afstand: hij stond vlak naast de koning.
Dat Van Velzen hem trachtte te kalmeren wijst erop, dat v. Velzen de sprekende deputaat was - en niet De Cock.
Met des te meer recht kon hij de anecdote dan ook doorgeven, die in onze tijd niets van zijn smakelijkheid heeft verloren. En met een lachje van napret eindigt de brief: Wij zijn al/en wel. Groeten ook aan Uw Anne. Uw broeder G - 'Eendracht maakt macht' heeft Van Houten kandidaat gesteld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief