Boekbespreking

1991-05-10
  • Jaargang 35
  • nummer 10
K. Muller, Heerenveen

Titel: Informatieboekje 1991
Bij uitgeverij Buijten en Schipperheijn te Amsterdam verscheen onlangs het nieuwe informatieboekje voor de Nederlands Gereformeerde Kerken. Ds. K.H. de Groot uit Bunschoten- Spakenburg nam ook dit keer de redaktie voor zijn rekening. Hij en de uitgever zorgden evenals voorgaande jaren voor een keurig verzorgde uitgave van 216 bladzijden, die te koop is voor de prijs van' 14,70.

Predikantsweduwen
In deze uitgave vinden we nagenoeg dezelfde rubrieken als in voorgaande uitgaven. Nieuw is echter de naamlijst van predikantsweduwen. Dat ik blij ben met deze vermelding spreekt vanzelf: in een vorige recensie vroeg ik erom. Het is goed dat de namen en adressen van ruim twintig predikantsweduwen nu beschikbaar zijn voor een groter publiek.
Alleen: de lijst, die ik als sekretaris van de predikantenkonferentie bezit, is zes namen langer. Ik vermoed dat de oorzaak van dit verschil gelegen zal zijn in het feit dat niet alle onder ons levende predikantsweduwen een relatie met de Stichting Emeritaatsvoorziening hebben.

Een paar kleinigheden
Een paar kleinigheden vielen mij op bij het doorbladeren van het informatieboekje.
Nog altijd wordt er in onze kerken gesproken over legerpredikanten, terwijl het beter is om te spreken over krijgsmachtpredikanten. Want sinds wij in ds. Louwerse ook een luchtmachtpredikant in onze kerken hebben kunnen we niet meer van alleen maar leger( =landmacht)predikanten spreken.
In de lijst van theologische studenten staat ten onrechte de naam van R. de Haan vermeld. Deze student is volgens de overige en juiste gegevens namelijk al predikant van Kampen en zelfs zendeling in Zuid-Afrika!
De kerk van Ten Post wordt, in tegenstelling tot het voorgaande informatieboekje, nu zonder aantekening vermeid.
Alsof er wat deze kerk betreft een keer ten goede heeft plaatsgevonden!
De realiteit laat echter nog precies hetzelfde beeld zien als voorgaande jaren, nl. dat de kerk van Ten Post op geen enkele manier meedoet met het regionale en landelijke samenleven van onze kerken. De opmerking deze kerk is aangesloten bij regio: Noord" suggereert daarom meer dan waar is. De kerk van Alkmaar wekte mijn - wellicht begrijpelijkenieuwsgierigheid met de naam (of afkorting) Coniba, en dat zonder verdere toevoeging. Waar zou dat nou voor staan?
De kerk van Apeldoorn blijkt over twee pastorale medewerkers te beschikken, die bij nader inzien twee pastorale medewerksters blijken te zijn!

Het statistisch overzicht
Het statistisch overzicht laat opnieuw een kleine achteruitgang in het totaal aantal leden zien: 39. Dit verlies is het resultaat van het vertrek van 180 doopleden en de komst van 141 belijdende leden.
Het is de moeite waard om in dit verband in het bijzonder te letten op de vertrekkende doopleden. Het overzicht laat zien dat in 1990 het totaal aantal doopleden met 956 is afgenomen. Als we dat totaal verminderen met het aantal dat openbare belijdenis van het geloof heeft afgelegd (445), vertrokken is naar het eigen kerkverband (189- waarvan er blijkens een ander staatje 172 zijn aangekomen) en overleden is (7) houden we 315 doopleden over.
Deze doopleden zijn vertrokken naar een andere kerk, naar het buitenland, hebben zich onttrokken of zijn afgesneden.
Zeker: daar staan 159 binnengekomen doopleden tegenover, maar dat neemt niet weg dat in één jaar 3% van de 'eigen' doopleden onze kerken, en soms zelfs het geloof, heeft verlaten.
Schrijnender wordt het echter als we dit aantal eens vergelijken met het aantal geboortes. Dan zien we datwat 1990 betreft - tegenover 442 geboortes 315 kerkverlaters staan. Dat betekent dat tegenover 4 doopbedieningen 3 kerkverlatingen stonden.
Als we vervolgens eens veronderstellen dat het bij de 315 doopleden, die onze kerken hebben verlaten, gaat om jonge mensen tussen 20 en 25 jaar, hoe zou zich dit aantal dan tot het aantal geboortes tussen 1966 en 1971 verhouden? Helaas verschaffen de informatieboekjes uit die tijd niet de gegevens die we voor een dergelijke vergelijking nodig hebben. Maar zou ik er ver naast zitten als ik vermoed dat het aantal geboortes in die tijd 50% hoger heeft gelegen dan nu het geval is? Dan is het aantal geboortes in bv. 1970 ongeveer 650 geweest. En moeten we nu konstateren dat van de 650 baby's die in bv. 1970 de kerk werden binnengedragen er in 1990315, dat is bijna 50%, eruitgelopen zijn. Dat moet aan het denken zetten!

Het jaaroverzicht
In het gebruikelijke jaaroverzicht van de hand van ds. De Groot overheerst de teleurstelling. Zo wordt 1990ook omschreven: het jaar van de teleurstellingen.
Achtereenvolgens gaat het over de teleurstelling op internationaal-politiek vlak (Oost-Europa, Zuid-Afrika), dan over de teleurstellende ontwikkelingen in de verhoudingen tot andere kerken (Geref. vrijgem. en Chr. Geref.) en tenslotte over de teleurstellende gang van zaken in onze eigen kerken.
Wat het laatste betreft: De Groot doelt dan op o.a. de kerkelijke praktijk ten aanzien van de toelating van de zusters tot het ambt. Ik citeer: Heel de discussie over de plaats van de vrouw, over de scheppingsorde en noem maar op: het lijkt een uitgemaakte zaak te zijn. De commissie die door de vorige landelijke vergadering benoemd was, kan niet klaar komen met haar werk .... Het is niet ironisch bedoeld, maar je zou de indruk kunnen krijgen, dat de landelijke vergadering de verkeerde mensen heeft benoemd.
Ze had beter de kerkeraden kunnen aanschrijven, die allang met deze zaak klaar zijn." De schrijver ziet als het grote probleem van onze kerken dat de meningen al vastliggen en dat het daardoor maar moeilijk tot een echt gesprek kan komen. Ik denk dat de Groot gelijk heeft. Ten aanzien van het wellicht aktueelste onderwerp van dit moment - de zusters en het ambtgaat het er inderdaad op lijken dat standpunten van broeders en zusters, en ook van gemeenten, zich verharden.
Maar: is dat ook niet de schuld van de kerken die het landelijke gesprek over deze materie zo lang mogelijk hebben uitgesteld? Ook in de kerken moet het ijzer gesmeed worden als het heet is.
Indien de smid te lang wacht is het ijzer niet meer te buigen. Ik vrees dat het ijzer onder ons al aan het afkoelen is, dat wil zeggen: de maximale flexibiliteit om te luisteren naar de ander isalthans op dit punt - voorbij. De Groot kan wel klagen over de houding van sommige kerken die maar doorgaan met het openstellen van één of meer ambten voor zusters, maar hij zou op z'n minst ook kunnen klagen over de late reaktie van het landelijke verband op een uit de kerken opkomende vraag! Ik denk dat onze kerken hun beurt voorbij hebben laten gaan toen zij op de Landelijke Vergadering van Wezep (1978/79) wel een appèl tot de kerken deden uitgaan om niet over te gaan tot verkiezing en benoeming van vrouwelijke gemeenteleden in de kerkelijke ambten, maar tegelijkertijd weigerden een studiekommissie voor hetzelfde onderwerp in te stellen. Ik vermoed dat er toen een beweging op gang is gekomen waarbij de plaatselijke kerken in toenemende mate zelf de studie ter hand hebben genomen en tot een antwoord zijn gekomen.
Sommige van deze kerken kunnen het nu niet meer kunnen opbrengen om op de resultaten van een te laat gestarte landelijke studie te wachten. Plaatselijke ontwikkelingen gaan nu eenmaal gewoon door als de kerken in landelijk verband te laat reageren. Anders gezegd: naast het landelijke gesprek is er ook het plaatselijke en gemeentelijke gesprek, en welke van die twee moet nu het zwaarst wegen?
Genoeg over dit informatieboekje! We rekenen er op dat het zijn diensten weer volop in de kerken kan bewijzen!


J. Meulink, Enschede

Als het dak lek is ... Over kerkverlating en herstel van de kerk. Dr. A.J. Onstenk.
Uitg. Kok Kampen. 71 blz. prijs f 14,90.

Wanneer het dak van je huis lek is, zul je dat misschien niet direct bemerken.
Na enige tijd zie je echter toch tekenen van dat lekkende dak. Er komen wellicht wat kringen in het plafond, later strepen langs het behang totdat het water naar binnen drupt en tenslotte naar beneden stroomt.
Dit beeld van het lekkende dak gebruikt dr. A.J. Onstenk in zijn boek over kerkverlating en herstel van de kerk. Onstenk heeft anderhalf jaar lang artikelen uit kranten en tijdschriften verzameld, waarin de problemen van kerkverlating, ontkerkelijking, secularisatie en aanverwante verschijnselen aan de orde kwamen. Met dit materiaal ging Onstenk aan de slag als gewoon kerklid, zoals hij zelf schrijft.
Hij trachtte zich op grond van deze gegevens een mening te vormen, signaleerde wat er fout is en zocht dus naar oplossingen. Het boek heeft dus niet de bedoeling een theologisch wetenschappelijke publicatie te zijn.
Het doel van dit boek is om met elkaar in gesprek te komen. Het wil alleen maar discussiemateriaal leveren over het probleem van de kerkverlating. In het besef, dat hiermede de problemen niet opgelost zijn. Dat doel heeft de schrijver inderdaad bereikt.
Wat moet je doen als het dak van de kerk lek is? Je kunt potjes en pannetjes onder het lek zetten. Als voorbeelden daarvan noemt hij o.m.: benoemen van commissies, artikelen in kerkbodes, allerlei lokmiddelen (fietstochten, puzzelritten bv.), films of televisie uitzendingen, stunts in kerkdiensten, werkgroepen om kerkdiensten voor te bereiden, liturgie, de homilitiek of de 'preekkunde' , uitspraken van kerkelijke organen, politieke bedrijvigheid van de kerk, actiecomité's.
Zijn conclusie is, dat er wat anders nodig is dan al die potten en schalen.
Er is een nieuwe Reveil, bezieling en getuigen van die bezieling.
Daarna gaat hij in op de vraag hoe je dat lekke dak weer werkelijk dicht kan krijgen. Daarbij tekent hij aan, dat er geen recept of pasklaar middel is om de problemen de kerk in een ommezien weg te krijgen. Bij de een zal de aanpak weer anders moeten zijn dan bij de ander. Het valt op, dat hij bij de middelen om het dak te dichten ook zaken noemt, die hij onder de lapmiddelen rangschikte. Zo noemt hij de kunst van preken, benoeming van commissies, verbetering van de liturgie.
Terecht wijst hij op de noodzaak van het huisbezoek, zowel door kerkeraadsleden, pastorale medewerkers als wijkbezoekers/sters. De pastorale taak blijft een van de belangrijkste van een predikant. De gemeente moet een gemeenschap worden. We vergeten elkaar als kerkgemeenschap te vaak.
Hij doet verder tal van suggesties, waar we onze winst mee kunnen doen.
Toch mis ik bij dat alles iets wat zeer belangrijk is. De unieke plaats van de Bijbel als Woord van God, maar ook de Openbaring van God. Het Evangelie, de blijde boodschap van heil en genade is de unieke mogelijkheid om het lek te dichten. Daarop wordt in dit overigens wel leerzame geschrift te weinig de nadruk op gelegd.


M. Vrijmoeth-de Jong, Zwolle

Vertel mij toch ... /Nu dan, luister
T.M. Gilhuis: 'Vertel mij toch ...' Bijbelse verhalen - nieuw gehoord. illustraties: Liselot Ribbens, Uitgave: Kok, Kampen. Prijs f 27,50.
'Nu dan, luister' Bijbelse verhalennieuw gehoord. Een werk- en vertelboek.
Illustraties: Liselot Ribbens, Uitgave: Kok, Kampen. Prijs f 32,50.

In 1988 verscheen de eerste druk van 'Vertel mij toch ...' van drs. T.M. Gilhuis.
Deze oud-voorzitter van de Unie 'School met de Bijbel' schreef dit boek om een bijdrage te leveren aan het vertellen van Bijbelse verhalen in het gezin, de kerk en op school. Het werk sloeg zo goed aan, dat er nu reeds een tweede druk is verschenen. Tevens schreef Gilhuis een tweede deel onder de titel 'Nu dan, luister'. Kort voor zijn onverwacht overlijden maakte hij de aanbieding van dit boek aan publiek en pers nog mee.

Geïnteresseerd
In de aankondigingen van het eerste deel, ruim twee jaar geleden, werd mijn interesse reeds gewekt. Het boek was geschreven voor iedereen, die zich bezig houdt met het vertellen van bijbelverhalen aan kinderen van 8-14 jaar: onderwijsgevenden, leiders van kindernevendiensten en zondagsscholen, voorgangers in kerkdiensten en ouders. Nu er ook nog een tweede deel is verschenen, en ik het verzoek kreeg deze boeken te beoordelen, ging ik daar direkt op in, omdat ik zeer benieuwd was naar de inhoud. Gilhuis is de man, die bekend staat als de voorvechter van het christelijk onderwijs.
Hij formuleerde de doelstelling van de christelijke school eens als 'het kind de heenweg leren naar God toe en de terugweg van God naar de naaste'.
Daarmee gaf hij mijns inziens de essentie van het christelijk onderwijs weer.
Gezien zijn bekendheid met het christelijk onderwijs was ik benieuwd naar deze boeken, waarin hij per deel een dertigtal bijbelse verhalen heeft uitgekozen, om er in verhaalvorm zulke uitlegkundige notities bij te geven, dat het oude verhaal 'nieuw' gehoord wordt. Bovendien wordt elke uitleg gevolgd door een spiegelverhaal, waarin de bijbelse boodschap doorkomt en die aansluit bij het bevattingsvermogen en de leefwereld van het kind.

Vertellen
Een van de hoofddoelen van zijn beide boeken is het vertellen van de bijbelse verhalen te stimuleren. Zijn ervaring met de christelijke scholen had hem namelijk geleerd, dat het vertellen steeds meer in onbruik raakt. Voorlezen uit de kinderbijbel en kringgesprekken over een bijbels gegeven verdringen het echte vertellen van zijn vooraanstaande plaats op de christelijke scholen. Er wordt wel beweerd, dat wij in onze westerse wereld het luisteren en het vertellen veelal hebben verleerd. We hebben de verhalen van vroeger overboord gezet, omdat zij geen utiliteitswaarde hebben. Ze zijn voor onze economie, die wel van prijzen weet, maar niet meer van waarden, van geen belang. Het vertellen moet weer meer beoefend en in ere komen, want niets maakt op een kind zulk een indruk als een boeiend verteld verhaal. "Wij willen vertellen aan het volgende geslacht de roemrijke daden van de HERE" (Psalm 78:4).

Gedrongen tot schrijven
In beide boeken vertelt Gilhuis in het 'Woord vooraf' en de 'Inleiding' waarom hij ze heeft geschreven. Hij moest wel, omdat er in Nederland geen boek voorhanden is over "nieuw en verantwoord vertellen over God".
Letterlijk schrijft hij: "Te vaak worden de bijbelse verhalen nog verteld alsof het de vaderlandse geschiedenis van Israël betreft. Verhalen van toen en daar, ver weg en lang geleden gebeurd.
Maar ze zijn soms zo moeilijk te geloven voor nu en hier. Te zeer ook hangt men aan de letterlijke tekst van de bijbel, 'van kaft tot kaft'. Door zo met de bijbel om te gaan wordt veelzins een beeld van God ontworpen, waarin het kind als het ouder wordt en kritischer, niet de God van zijn leven kan ontdekken. "Veel vertellers volgen een traditie, die wel teruggrijpt naar het verleden, maar niets .geeft voor het heden".
De twee keer dertig verhalen zijn zo gekozen, dat ze illustratief zijn voor nieuw lezen en horen van de Bijbel.
"Door een verrassende exegese - niet eerder in brede kring gehoord - en door een boeiend spiegelbeeld" helpen ze de vertellers af "van het lezen van de bijbel van kaft tot kaft in de slechte zin van het woord. Deze krijgen zicht op het beeldend karakter van het verhaal, voor zijn symboolgevoeligheid, voor het zien met het z.g. 'derde oog' (Hubertus Halbfas) en zullen hun oor te luisteren leggen naar nog ongehoorde vertellingen".
Het oogmerk van de verteller moet zijn de verhalen van vroeger voor het kind over te zetten naar hier en nu.

Het probleem
Uit bovenstaande is op te maken, dat Gilhuis bewogen was met de jongeren, die een Christelijke school bezocht hebben, veel Bijbelse verhalen daar gehoord hebben en toch bij het ouder worden de HEREen Zijn kerk de rug toekeren. Deze jongeren stellen dan kritische vragen, waarop ze vanuit hun christelijke opvoeding geen antwoord hebben. De gehoorde verhalen kunnen zij in hun leven niet toepassen. Ze hebben er niets aan. Dit probleem is niet nieuw. In het verleden schreef prof.dr. e.G. van Niftrik een boekje met de titel 'Het geloof der kinderjaren in de branding van het latere leven'.
Deze hoogleraar stelt daarin de vraag: "Welke fouten maken wij bij het vertellen uit de Bijbel aan kinderen? Hoe komt het dat kinderen, die in hun jonge jaren geloven in de branding van de puberteit dat geloof verliezen? Hebben wij ze in onze verhalen een god voor ogen gesteld, die niet bestaat en die zich in de Bijbel ook anders openbaart?"
Dan behandelt hij een drietal fouten, die veel gemaakt worden bij het vertellen aan kinderen uit de Bijbel.
Gilhuis wil dezelfde kant op. Hij schrijft: "Zeker, geloof kun je niet overdragen. Dat kan alleen de Heilige Geest. Maar tot die overdracht kun je wel voorwaarden scheppen. En een ervan is: draag er zorg voor, dat er een brug ligt die de overgang van kind tot puber wat zijn ontwakend geloofsleven betreft, begaanbaar maakt". Ook hij wijst beschuldigend naar de vertellers van bijbelverhalen - inzoverre deze er nog zijn - omdat zij de kinderen niet op de juiste manier over God hebben verteld. Zij hebben hen niet goed voorbereid op de tijd, dat ze de abstrakte begrippen uit de Bijbel gaan begrijpen en de verbanden en realiteiten van het leven tot hen gaan doordringen.
De tijd, dat ze kritische vragen gaan stellen over het al of niet bestaan van God, het lijden, de zin van het leven, ziekte, dood en het nut van geloven.

De oplossing
Van Niftrik waarschuwt in zijn boekje geen eenzijdig beeld van God en de Here Jezus te tekenen bij het vertellen'.
Gilhuis ziet de oplossing van het probleem meer in de letterlijke tekst van de Bijbel zelf liggen. Er zijn zoveel verhalen, waarmee we in wezen geen raad weten, als we ze letterlijk nemen.
Daarom vertellen we ze maar oppervlakkig, onbewogen en als een verhaal, dat lang geleden en ver weg is gebeurd. Wat moet je ook met al die onschuldige dieren, die in de zondvloed verdrinken, met al die jongetjes die in de Nijl gegooid worden en met de onschuldige kinderen van Bethlehem?
Hoe kan God Abraham nu gebieden zijn zoon te slachten en hoe kan Simson nu in de nacht met twee stadspoorten op zijn rug 64 km lopen? Zo zijn er eindeloos veel vragen te stellen bij de verhalen uit de Bijbel. Zonder uitleg blijven de vragen bestaan en daarom is exegese nodig.
Verhalen vertellen aan kinderen zonder ze goed en duidelijk uit te leggen, is inderdaad verspilde moeite. Veel moderne kinderbijbels doen dit echter wel. Men vindt dat het Woord zelf moet spreken. De kinderen kunnen er datgene van oppikken, wat ze begrijpen en zelf hun konklusies uit trekken.
Naar mijn mening is dit onjuist. Want voor kinderen is zulk een uitleg dringend nodig, omdat ze nog weinig kennis van en inzicht in de Bijbel hebben.
Daarom is een juiste exegese van elk bijbelverhaal, dat verteld wordt een dringende noodzaak.
De verteller zal zich bewust moeten worden van de bedoeling van het verhaal.
Waarom staat het verhaal in de Bijbel en wat heeft het ons te zeggen?
Terecht wijst Gilhuis erop, dat kinderen soms feilloos kunnen navertellen, hoe een bepaalde persoon uit een benarde situatie werd gered of iets wonderlijks deed, terwijl ze de link naar hun eigen leven of situatie niet kunnen leggen. Naast de juiste uitleg kunnen ook spiegelyerhalen een schakel vormen tussen het behandelde verhaal en het kind. Het bijbelverhaal kan daardoor dichter bij het kind worden getrokken.

De nieuwe exegese
Voor een niet-theoloog als ik is het moeilijk te onderkennen, wat Gilhuis bedoelt met een nieuwe exegese, een nieuw lezen en horen van de Bijbel.
Wat bedoelt hij met het hangen aan de letterlijke tekst van de Bijbel en het lezen van kaft tot kaft in de slechte zin van het woord? Welke theologische gedachte zit er achter de begrippen symboolgevoeligheid en het zien met het z.g. 'derde oog'?
Bij de opvatting van Gilhuis over de Bijbel zet ik een vraagteken. Het begin van de Bijbel is volgens hem geïnspireerd door de Babylonische mythologie, Kaïn en Abel zijn mogelijke representanten van een landbouwers- en herderskultuur, de feiten van het verhaal van David en Goliath zijn onbetrouwbaar en het boek Jona beschrijft een parabel. God wordt in de Bijbel weergegeven, zoals het volk Israël Hem in de loop der tijden zag. Eerst zien ze Hem voornamelijk als een krijgsgod, langzamerhand verschuift het beeld naar een andere voorstelling.
De Bijbel is zo niet het boek, waarin God zich openbaart, maar waarin mensen beschrijven hoe zij zich Hem voorstellen. Past bij deze schriftopvatting nog wel het geloof in de inspiratie van de Bijbel door de Heilige Geest?
Bij het lezen van beide boeken heb ik soms met verbazing en soms met ontzetting kennis genomen van de voor mij vaak nieuwe, maar wel vrij willekeurige exegese van verschillende verhalen. Sommige uitleggingen vind ik bijbelgetrouw en bekend, andere om over na te denken, maar vele onaanvaardbaar op grond van de schriftgegevens, waarmee ze in strijd zijn.

Pedagogisch-didaktische bezwaren
Niet alleen op theologisch gebied wil ik kritische noten plaatsen bij de boeken van Gilhuis. Ook een pedagogisch bezwaar kwam hoe langer hoe meer bij mij boven betreffende de spiegelverhalen.
Deze verhalen zijn dikwijls genomen uit de literatuur. Enkele voorbeelden zijn: Elie Wiesel, Goert Poort, Willem Wilmink, Glara Asscher-Pinkhof en Mies Bouhuys. Het is de bedoeling van deze verhalen dat zij een bepaald aspekt van het bijbelverhaal verduidelijken. Bezwaarlijk vind ik, dat veel van deze verhalen een zeer negatief beeld geven van de menselijke samenleving. Wreedheden, onbegrip, oorlog, bedrog, martelingen en alles wat in de wereld plaatsvindt onder de mensen wordt aangrijpend weergegeven met de bedoeling de jongeren ervan te overtuigen, dat zij zich moeten inzetten voor vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping.
Ik vind het onjuist kinderen van 8-14 jaar te overspoelen met de ellende van deze wereld. Over het algemeen krijgen zij door middel van de televisie, andere media en het onderwijs daarvan al meer dan genoeg te horen en te zien. Het wanhoopsgevoel en het 'niet meer zien zitten' komt bij jongeren veel voor en werkt zeer negatief op hun ontwikkeling en schoolprestaties.
Hoop en idealisme zijn gevoelens, die bij jongeren horen en die hen helpen vormen tot evenwichtige volwassenen.
Een enkel spiegelverhaal uit deze boeken is positief gestemd en kan aan de vorming van een idealistisch levensgevoel wel meewerken, maar het merendeel is dèprimerend.
Verder is een didaktisch bezwaar tegen de meeste spiegelverhalen, dat zij voor de bedoelde kinderen van 8-14 jaar te moeilijk zijn. In het tweede deel heeft Gilhuis trouwens de leeftijd van de groep, waarvoor deze verhalen verteld kunnen worden al opgetrokken tot 10-14 jaar. Maar ook dat heft mijn bezwaar niet op. Bij verschillende verhalen ligt het abstraktienivo zo hoog en is het punt van vergelijking met het bijbelverhaal zo symbolisch, dat het heel moeilijk zal blijken, dit aan jongeren over te dragen.
Een tweede punt is, dat slechts een aspekt van het bijbelverhaal in een spiegelverhaal kan worden uitgewerkt.
Soms is de vergelijking met het bijbelse gegeven heel moeilijk te vinden, soms slaat het vrije verhaal op een ondergeschikt punt van het bijbelverhaal, terwijl de essentie van de bijbelse boodschap van het verhaal niet naar voren komt. Hieruit blijkt weer eens dat het zeer moeilijk is goede opstapverhaaltjes en spiegel- of resonansverhalen bij de Bijbel te vinden.

Geen aanbeveling
Uit bovenstaande zal het wel duidelijk zijn, dat ik deze werken van Gilhuis niet kan aanbevelen. Om een verhaal dicht bij een kind te brengen is het niet nodig zich te bedienen van een nieuwe exegese. Een vader, moeder, onderwijzer of clubleider, die het verhaal zelf doorleeft en betrokken is bij de gebeurtenissen, die hij of zij doorgeeft, vertelt het verhaal altijd zo, dat het kind het als belangrijk voor het hier en nu ervaart. Misschien ligt in dit gegeven wel het begin van het antwoord op het probleem, dat Gilhuis noopte deze boeken te schrijven. Want om een bijbelverhaal doorleefd te vertellen, moet de verteller het verhaal zelf geloven en belangrijk vinden.
Beide boeken zijn mooie uitgaven met ongeveer 250 bladzijden in een hardkartonnen band. Mede dankzij de illustraties zien zij er zeer aantrekkelijk uit.
• Wie regelmatig aan kinderen verhalen uit de Bijbel moet vertellen, raad ik aan dit kleine, prettig te lezen boekje eens uit een bibliotheek te halen om het even door te lezen en te overdenken.


P.J. van Kampen, Eck en Wiel

De Dingen hebben hun Geheim
A. van den BeukeI. De Dingen hebben hun Geheim
Gedachten over Natuurkunde, Mens en God.
Ten Have, Baarn. 1990. 190 pp. f 24,90.

Van de paar honderd boeken, die vorig jaar tot mijn leesmenu hebben behoord, is er geen geweest dat ik met groter plezier gelezen heb dan dit boek, geschreven door een hoogleraar Natuurkunde aan de Technische Universiteit Delft. Sinds ik het uit heb heb ik al menig andere lezer ontmoet; zonde' uitzondering bleek iedereen heel positief over dit boek.
Dit wordt met andere woorden een zeer lovende recensie! Want het is een heel boeiende wereld, voor velen van de lezers onbekend, die in Van den Beukels boek opengaat. De schrijver laat ons in een aantal hoofdstukken aan het begin een 'indruk' opdoen hoe het in de wereld van de natuurwetenschappen toegaat. Vervolgens spreekt hij over de vraag: kun je (als natuurkundige) in deze tijd nog in God geloven?, een vraag die hij positief beantwoordt.
In dat tweede gedeelte van het boek (mijn onderverdeling, overigens) is een aantal 'getuigen' opgenomen, die hem de weg naar het geloof hebben gewezen en hebben geholpen dat later niet meer kwijt te raken. In het vermelden van deze 'getuigen' komen meer dan indrukwekkende beschrijvingen naar voren.

Wat betreft de wereld van de natuurkunde, hoofdstuk een vertelt al dat dat een aparte wereld is. 'Het is koud in Delft' is de titel van dat hoofdstuk. Hij spreekt over "het Delftse huwelijk' en de problemen die opdoemen bij "de overwaardering van het verstand ten koste van het hart", de "beroepsdeformatie waaraan weinig beoefenaars van de exacte wetenschappen geheel ontkomen". (p. 13). AI in dat eerste hoofdstuk gaat het om de wijze waarop natuurwetenschappelijke publikaties pogen te spreken van een 'objektieve werkelijkheid'. In het volgende hoofdstuk gaat de dagelijkse gang van zaken in het wereldje van de natuurwetenschappen, over de druk om te presteren, de concurrentie. Het gaat daarbij om een "wereld van mensen, aan wie niets menselijks vreemd is" (27). Aan de orde komen momenten van geluk en van frustratie. Dat alles komt op de niet-ingewijde lezer over als een zeer authentiek portret.
Vervolgens gaat de schrijver in op ontwikkelingen binnen de natuurkunde: waar is men aan bezig, waarom en hoe? Portretten worden al doende getekend; we ontmoeten mensen als Newton, Pascal, beiden levend in de zeventiende eeuw, en de twintigste-eeuwers Einstein, Hawking, Simon vld Meer (de Nederlandse natuurkundige die een aantal jaren geleden de Nobelprijs ontving) en - korter - ook anderen. In het nadenken over de werkelijkheid gaat het om vragen als: wat is objektiviteit?, kun je wel stellen dat we iets objektief kunnen kennen?, etc. Er is een paragraaf met dezelfde titel als het boek, 'De dingen hebben hun geheim' (72 v.). In duidelijke taal, die ook voor deze volstrekte leek te begrijpen was, wordt gerept van de aktiviteiten, de methoden en de benaderingen in de hedendaagse fysica. Ook wordt er stelling genomen; de schrijver bevestigt bepaalde opvattingen, van andere neemt hij duidelijk afstand. 'Bescheidenheid' en 'nederigheid', in ons denken over ons kennen, blijken bij hem belangrijke woorden.
Er blijken wel collega's te zijn die minder 'nederig' spreken ...
Zoals de schrijver in de ondertitel van zijn boek al aangeeft bevat dit boek dus (heel wat) "gedachten over natuurkunde".

In (wat ik zelf ervoer als) het tweede deel van het boek gaat het nadrukkelijk in op 'vragen over God'. Dat begint met een hoofdstuk 'Vier Fysica en God' (heel boeiend!). gevolgd door een hoofdstuk 'Fysica: een weg naar God?' (eveneens erg de moeite waard). Dan een hoofdstuk over het leveren van een (natuurkundig) bewijs, de mogelijkheden en beperkingen in zo'n aanpak. "De basis van de natuurwetenschap is de evidence, het bewijsmateriaal dat wordt aangedragen door de waarnemingen van de onderzoekers.
Deze rapporteren de resultaten van hun experimenten in de vorm van publikaties, zij getuigen van hun ervaringen." (124).
Daarna komt Van den Beukei tot dat monumentale hoofdstuk 'De Getuigen'.
Dat zijn twee leermeesters en zijn vader. Daar worden mensen voor ons neergezet, die de schrijver ertoe hebben gebracht te geloven in de werkelijkheid van het geloof. Het zijn heel fijnzinnige portretten, twee kort en één ("mijn vader") aanzienlijk langer. Het lezen van die bladzijden kan werken als 'tegengif' tegen even knap neergezette 'christenen' in het werk van Maarten 't Hart. De integriteit van elk is zo vanzelfsprekend boven alle twijfel verheven dat men wensen mag ook zelf (veel) van zulke mensen te ontmoeten.
In het tiende hoofdstuk wordt 'de weg van de natuurkunde' vergeleken met 'de weg van het geloof'. Hoofdstuk 11 heeft als titel 'Kruispunten'. Het gaat daar over je geloof in het wezen van de werkelijkheid.

Afsluitend concludeer ik dat het een voorrecht is om dit boek te mogen lezen. Een paar keer had ik wel kritiek; een paar passages (b.v. pp. 76 vv.) hadden, wat mij betreft, er buiten mogen blijven. Van den Beukels visie op (het gezag van) de Bijbel zou ik hem niet geheel nazeggen. Maar dat.daargelaten, wat wordt ons in dit boek veel wetenswaardigs, en veel stof tot nadenken, geboden! Het is mijn hoop dat het boek veel lezers zal krijgen, ook in onze kring. Het zou een prima boek zijn voor gesprekskringen, lijkt me, mits er wat mensen zijn die dit verantwoord kunnen inleiden.
Daar komt voor mij persoonlijk nog iets bij. Het is de laatste jaren mijn lot geweest nogal wat boeken over New Age te moeten lezen. Daarbij kwam ook een aantal natuurkundigen voor het voetlicht, die met een (voor mij oncontroleerbaar) beroep op ontwikkeli, lgen in hun vak allerhande okkulte en gnostieke zienswijzen aanprijzen.
Na het lezen van een stel (pseudo) wetenschappelijke 'witte ravenpockets' - van de Capra's van deze bedeling - is het een verademing dit boek te lezen. Hier helpt een degelijke wetenschapper ons leken om enig inzicht te krijgen in wat er in de wereld van de natuurkunde gebeurt. We worden niet gepaaid om, door 'de nieuwe fysica' verblind, in wat voor 'kosmische handelswaar' dan ook te geloven.
We mogen wat inzicht krijgen in de manier waarop natuurkundigen proberen 'de fysische werkelijkheid' te verstaan.
Een fysicus als Van den Beukei kom ik heel wat liever tegen dan zo eentje, die zich net in goeroe-kleding heeft gestoken.

Ik hoop dat Van den Beukei doorgaat met schrijven. Tegelijk denk ik - en dat is als groot compliment bedoeld - wat móet hij na dit boek nu eigenlijk gaan schrijven? Er is al zoveel gezegd, en op zo'n niveau, dat het hem niet zal meevallen deze prestatie te evenaren.
Samengevat: u zou dit boek eens moeten aanschaffen, lezen en met anderen bespreken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief