Mystiek in de literatuur V

1991-05-24
  • Jaargang 35
  • nummer 11

Nog iets uit Sara Burgerhart
In de 133e brief beschrijft Stijntje Doorzicht wat zij eens meemaakte tijdens een zogenaamde 'oefening', een bijeenkomst van vromen:

Ik zal u eens verhalen wat mij de eerste keer daar al tegenstond. Dit: een alleroneerbiedigste wijze van spreken over God en goddelijke zaken. Mijn hart rilde als ik hoorde: "jouw Woord, jouw volk, jouw Zoon". Als ik hoorde van "Vadertje". Als ik hoorde dat men tegen bekommerde zielen zei: "Hoe sta je zo beteuterd, jonge ziel; jouw Borg heeft voor jou voldaan; eis de genade; jij móet die hebben; jij hebt er recht op; daar is alles voor jou betaald.
" Ik zwijg van alle lage en schandelijke zinspelingen op het werk des Geestes. Dan vergeleek men "werkheiligen " met "galeiboeven die tegen wind en getij oproeiden "; men noemde die "gemoedelijke" christenen, "baarlijke duivels die loon voor hun werk vorderden en die, als God hun het loon opzei, Hem de dienst opzegden ". Men sprak van "Pelagiaans accorderen". En dan was er een geraas, een getier en geklop op de Bijbel, en de oefenzuster riep: "Riemen binnen! Laat het bootje drijven op Gods genade! Halt, zondaar!
Ben je al gearresteerd, booswicht? Wil je de duivel eens een poets bakken?
Leg de sleutel op de kist. Geef je hele zedelijke boeltje aan de Desolate Kamer (d.i.: de instantie voor faillissementen - T.H.)."

Uit Sara Burgerhart zou nog veel meer te citeren zijn, maar ik stap nu over naar een boek uit het midden van de negentiende eeuw:

De Pastorie te Mastland
Zo'n anderhalve eeuw geleden ontving een dokter op het platteland een traktement van honderdvijftig gulden per jaar waarvoor hij verplicht was alle arme mensen gratis te helpen. Dat, en nog veel meer interessante zaken kunt u lezen in: Schetsen uit de Pastorie te Mastland, geschreven door C.E. van Koetsveld. De schrijver vertelt daarin zijn belevenissen als dominee in een dorp en we komen er ook weer enkele personen in tegen die we tot de mystieke richting kunnen rekenen. We maken kennis met gewoonten die ons wel erg vreemd voorkomen. Zo is er vóór het Avondmaal 'huisbezoek' dat hierin bestaat dat de dominee en een ouderling álle gezinnen bezoeken, het liefst in één dag, en dat daarbij enkele vaste vragen worden gesteld en de kerkleden uitgenodigd worden aan het Avondmaal deel te nemen. Het is een verstarde, formele aangelegenheid en de dominee ziet zelf ook wel in dat deze gang van zaken niet zo erg zinvol is. Hier volgt een verslag van het eerste bezoek.

Er stonden twee stoelen gereed, waarvoor wij vriendelijk bedankten. Het was duidelijk dat men dit verwacht had: het werd niet voor de tweede maal gevraagd. Ondertussen waren meid en knecht binnengekomen. De eerste zat, de laatste stond als een standbeeld. De ouderling nam zijn hoed af, - dit was een vriendelijke wenk dat ik het ook zou doen - de mannen des huizes volgden, de vrouwen sloegen de ogen neder en vouwden de handen. Mijn keel was beklemd.
Gelukkig viel mijn oog op mijn zakboekje, en ik vroeg nog eens, ofschoon ik ze allang wist, naar al de namen. Hierdoor werd mijn tong los gemaakt, zodat ik de formule kon uitbrengen die ik reeds vijftig maal bij mijzelf had opgezegd: "Gij kent de reden van mijn komst, gij weet dat het binnenkort Avondmaal is, wij vertrouwen dat gij het belang van de plechtigheid gevoelt ... enz. enz." De huisvader zei zeer afgemeten: "Ik dank je wel, dominee!" en vervolgde terstond: "Gij treft geen mooi weer bij de ommegang."
De huismoeder had haar ogen opgeslagen, en vervolgde haar werk aan een half geschilde aardappel.
Meid en knecht gingen heen, zonder iets anders te doen dan heen te gaan, en zo - was dit huis bezocht. En wat zoudt gij mij nu vergezellen, mijn lezer?
Het is alles da capo, en nog eens da capo, van huis tot huis.

Natuurlijk zou de pastor in zijn jeugdig enthousiasme de zaken wel eens flink willen opfrissen, maar een oude collega brengt hem tot het inzicht dat je met vernieuwingen kalm aan moet doen en dat zulke huisbezoeken, al zijn ze dan ook grotendeels maar een formaliteit, toch de gelegenheid bieden contact met de mensen te houden.
Maar dat er heel wat aan te verbeteren valt, dat staat voor beiden wel vast.
De dominee maakt ook kennis met mensen die 'voor het goede' zijn: zwaar op de hand, streng in de leer en heel kritisch ten opzichte van de predikant.
Eén van hen is Perkens die op de uitnodiging tot het Avondmaal als volgt reageert:

,,O ja, ik zou wel verlangen de bondzegelen der vrije genade te gebruiken met Gods uitverkoren volk, en daar als een arm, blind en ellendig zondaar in de gerechtigheid van mijn Borg te roemen, want ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde, maar de nieuwe mens in mij roemt in de heerlijkheid der kinderen Gods. Doch de Geest getuigt mij dat ik niet mag naderen met hen die buiten het genadeverbond zijn, met onbekeerden en wereldlingen.
Nee, ik mag niet naderen, waar een priester van Baäl, een prediker van eigen gerechtigheid, het altaar bedient.
"Vermeng u niet met de zulken", staat er geschreven "en zit niet in het gestoelte der spotters." Zo sprak baas Perkens en zijn vrouw sloeg de ogen hoog op en zuchtte zo diep als zij kon, en zei toen met schelle stem: "Daar zeg ik Amen op".

Als de dominee iemand bezoekt die waarschijnlijk binnenkort zal sterven, treft hij daar ook een dergelijke ingeleide figuur aan. De vrouw van de patiënt laat de dominee weten: "Het is alles nog donker. Hij heeft volstrekt geen licht." En de andere bezoeker zegt: "Ja, wat is een mens, zo lang hij nog in zijn zonden ligt en God de hand niet aan hem geslagen heeft! Hier duurt de ziekte maar enige dagen, Leen-buur, maar in de hel is het een eeuwig vuur en knersing der tanden." De laatste woorden, naar het ziekbed gericht, werden met verheffing van stem uitgsproken. De zieke wendde het hoofd langzaam om, het holle oog vloog wild in het rond, en een bange, sidderende zucht ontvlood de beklemde borst. "En hebt gij daar nu wel gevoel van", vervolgde de ongenode ziekentrooster, "dat gij een verdoemelijk schepsel zijt, geheel in zonde ontvangen en geboren, en dat gij tot een vertoornde God gaat? Maar nee, daar kunt gij het rechte gevoel niet van hebben, zo lang de Here uw hart niet opent door zijn Geest. Welgelukzalig daarom, die Hij heeft verkoren en doet naderen, ja wonen in zijn huis!"

Het wordt de dominee erg moeilijk gemaakt een rustig gesprek met de zieke te voeren. Als die getuigt van Gods liefde, wordt hij door de andere bezoeker berispt:

"Maar mijnheer, God bezoekt hier niet vaderlijk, maar rechterlijk. Hij staat hier nog met vlammend zwaard des oordeels, want onze God is een verterend vuur. En zo lang er nu geen vlezen hart in plaats van het stenen hart gelegd is ...".

Gelukkig slaagt de dominee erin de man te doen vertrekken en dan draagt hij in een gebed de stervende aan de Here op. Kort na de begrafenis trouwt de weduwe met de vrome gast en ze raakt daardoor in grote ellende. We zien ook in dit boek het motief dat we in veel romans tegenkomen: de vrome mooipraters deugen niet; ze zijn lui en belust op het geld van goedgelovige mensen. Het risico bestaat dat er zo een verkeerd beeld van de werkelijkheid wordt gegeven. Daarom sluit ik vandaag af met een verwijzing naar de romans van Idsardi uit het eerste kwart van onze eeuw.

Idsardi
Idsardi was het pseudoniem van Gerben van der Ploeg. Het grootste deel van zijn leven heeft hij in Friesland gewoond en daar spelen zich ook de romans af die ik van hem ken. Idsardi stond onder invloed van het Réveil dat niet helemaal vreemd was van een zekere mystiek en bevindelijkheid.
Tussen 1913 en 1933 verschenen van hem 17 boeken; hij was één van de meest geliefde volksschrijvers uit die tijd.
Manke Murk is waarschijnlijk wel zijn bekendste roman. Als u nog eens een echte ouderwetse christelijke streekroman wilt lezen, kan ik u dit boek van harte aanbevelen. Het valt eigenlijk wel wat buiten het kader van mijn onderwerp, want echte mystiek treffen we er niet veel in aan, maar in het volgende fragment zijn toch wel verschillende elementen aanwezig. Japie is soldaat van het Leger des Heils, maar ook gewoon lid van de kerk. In een gezelschap wordt gesproken over het afnemende aantal kerkgangers:

,,‘t Komt doordat stenen voor brood gegeven worden", zei Japie. "De dominee is niet onder het Bloed geweest en in het vuur. Je moet onder het Bloed komen. En zo lang een mens daar niet van weet, is hij nog een onbekeerd zondaar. Dan leeft hij zonder God in de wereld, al is hij nóg zo geleerd of beschaafd. Ik weet dat ik bekeerd ben, nu precies vijf jaar en vier maanden geleden, op een maandag tussen acht én negen uur. Toen heeft de Heiland mij mijn zonden laten zien en ben ik tot het geloof gekomen en heeft Hij mij gezegd dat Hij mij aannam als zijn kind. En nu ben ik zo gelukkig en blij, als ik wel wilde dat alle mensen werden. Maar dat moet de dominee ook weten en anders kan hij nooit een gezant van Christus zijn.
Onze officieren weten dat ook en getuigen daar allen van, en als zij dat niet doen, kunnen zij geen officier zijn.
Zo moet het, dunkt mij, ook in de kerk wezen."

En nu stop ik een poosje. In juli of augustus hoop ik dit onderwerp af te sluiten. Daarna hebt u nog iets te goed over de 'Tale Kanaäns'.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief