Er is geen God en Philipse is zijn profeet
2010-09-03
Apologetiek heeft in gereformeerde kring een matige reputatie. Rationele verdediging van het geloof? ‘Scholastiek!’, klonk vaak het (vage) verwijt, of ‘Gij zult niet nieuwsgierig onderzoeken’.- Jaargang 54
- nummer 17
Wie zich bezighield met argumenten voor het bestaan van God, die moest wel te weinig geloof in God, zijn heilige schrift en zijn genade hebben.
Intussen woeden als nooit te voren discussies over ontwerp en evolutie, over de basis van rechten en onrecht, over fundamentalisme en scheiding van kerk en staat, en vele andere.
Wordt er in kerkelijke kringen een taal gesproken die het christelijk geloof relevant en wervend maakt voor de belevingswereld van mensen die in deze tijd met dergelijke onderwerpen geconfronteerd worden?
Verdediging en presentatie
Het kan geen kwaad om ons opnieuw te bezinnen op de vraag of apologetiek ons niet heel goede diensten kan bewijzen om christen te zijn in onze wereld.
We kunnen hier onderscheiden tussen verdediging van het geloof en presentatie van het geloof. De eerste vorm van apologetiek gaat in op het punt dat er iets niet zou kloppen aan het christelijk geloof. De tweede vorm gaat in op het punt of het geloof betekenis heeft en, zo ja, wat dan. Wat dit laatste betreft, ik kan me voorstellen dat een leerdienst en een zoekersdienst gecombineerd kunnen worden in een ‘moeilijke woorden-dienst’. Laat gemeenteleden en bezoekers eens een maand lang opschrijven welke woorden ze in de kerk hebben gehoord maar niet begrepen. Goedertierenheid?
Verootmoediging? Of : Zonde?
Genade? Ik denk dat we er van zullen opkijken welke taal niet meer begrepen wordt, en niet alleen onder jongeren!
Van daaruit kun je ook weer diensten houden over de eerste vorm van apologetiek. Je hoort zo vaak zeggen – in je werk, bij je vrijetijdsbesteding, in je familie - dat er iets niet klopt aan het geloof, maar wat antwoord je dan? Daar kan apologetiek bij helpen.
God bestaat niet
Zoiets maar dan op academisch niveau doet de christelijke godsdienstfilosoof Gert van den Brink. In zijn directe werkomgeving wordt hij geconfronteerd met iemand die uitgesproken atheïst is (en er nog voor betaald wordt ook), de Utrechtse universiteitshoogleraar Herman Philipse. Deze bestrijdt in filosofische artikelen en in populaire schotschriften dat geloof in (het bestaan van een) God door redelijke mensen aanvaard kan worden.
Godsdienst of religieuze overtuiging is failliet, zo meent Philipse op grond van filosofische argumentaties, met name omdat beweringen als ‘God bestaat’ (a) nergens op gestoeld zijn of (b) geen zinvolle inhoud hebben. (En, niet onbelangrijk, als er geen beroep op de God van de Bijbel gedaan zou mogen worden, is ook de vraag waar redelijke mensen dan hun ethiek en moraal vandaan halen.)
Wat is ‘waar’?
Tja, wat zeg je als overtuigd christen tegen zo iemand? Er zijn ongetwijfeld verschillende wegen. Gezien zijn metier kiest Van den Brink in zijn boek (schitterende titel overigens) de weg van de filosofische apologetiek: hij verdedigt het geloof door eens goed te kijken naar de argumentaties van Philipse. Zo blijkt ook hier dat elke argumentatie zo z’n uitgangspunten heeft. Want het is natuurlijk niet zo dat geloof in God nergens op gebaseerd is of geen betekenis heeft. Gelovigen kunnen weldegelijk gronden en betekenissen van hun geloof aanvoeren.
Philipse gaat alleen uit van een achterliggende opvatting over wat telt als geschikte onderbouwing of aanvaardbare uitleg van een bewering als ‘God bestaat’.
Dat is namelijk de opvatting dat een bewering alleen een basis of betekenis kan hebben als die voortkomen uit het type waarnemingen zoals de empirische wetenschappen die doen.
Van den Brinks strategie is dan ook te vragen hoe het eigenlijk zit met die achterliggende opvatting van onderbouwing en betekenis. Want als de eisen die Philipse aan het geloof stelt niet deugen, dan is het geloof effectief verdedigd tegen zijn atheïsme.
Beoordeling
Het voert te ver om Van den Brinks betoog hier gedetailleerd weer te geven; dat is vooral interessant voor mensen die geïnteresseerd zijn in de techniek van een filosofische argumentatie (en die kunnen het boek zelf lezen). Het boek overtuigt in zo verre dat het heel goed mogelijk blijkt een schijnbaar indrukwekkend bezwaar tegen het Godsgeloof te bestrijden.
Sterker nog, Van den Brink laat op nuchtere wijze zien dat het christelijk geloof in veel opzichten een beter verhaal heeft over kennis, betekenis en moraal dan het atheïsme. Het zou heel goed zijn als kerken het vermogen van gemeenteleden versterken om in werk, familie en vrije tijd als christen hun woordje te doen. Velen van ons zullen niet zo veel hebben aan de inhoud van Van den Brinks boek (het is moeilijk te lezen voor een leek), maar wel aan zijn voorbeeld. Tot slot: het leek me een inkoppertje om te laten zien dat er iets zelfweerleggends zit in Philipses empiricisme.
Want waar heeft hij (of de wetenschap) ooit empirisch verifieerbaar waargenomen dat beweringen alleen redelijk zijn als ze gebaseerd zijn op empirisch verifieerbare waarnemingen?)
Brink, G. van den (2010), Er is geen God en Philipse is zijn profeet. De onredelijkheid van een atheïst. Kok, Kampen. 214 p. € 16,50.
Bart Cusveller is Lector Verpleegkundige Ethiek aan de Christelijke Hogeschool, Ede en lid van de NGK Ede.