Werkers in de kerk van morgen

2010-09-03
  • Jaargang 54
  • nummer 17
Op de tafel van de Landelijke Vergadering (LV) die op 9 oktober in Houten begint, ligt een flink aantal rapporten en voorstellen. Het meest veelomvattende en aandacht trekkende daarvan is het ruim honderd pagina’s tellende rapport ‘Tussen gisteren en morgen’ van de Commissie Predikantsprofiel (CPP). Het rapport met tientallen adviezen aan de kerken over het gewenste profiel van predikanten en andere werkers in de kerk is inmiddels ter voorbereiding op de LV op diverse regiovergaderingen besproken; vaak waren daar commissieleden bij om het rapport toe te lichten en vragen te beantwoorden. Andere regiovergaderingen gaan er nog mee aan de slag. Uit de vragen over de analyse en adviezen die her en der binnen de kerken loskwamen, selecteerde de commissie de tien meest gestelde vragen en voorzag die van een antwoord.

1. Welke kerkvisie gaat schuil achter dit rapport?
Een levende gemeente die een leesbare brief van Christus is en een omgeving biedt waarin mensen Hem leren kennen.

De snelle veranderingen in onze maatschappij en veranderingen in opvattingen van gemeenteleden vragen een heroriëntatie van het werk in de kerk.
Veel van de adviezen van het rapport zijn gericht op vooruitdenken en opbouwen, tegenover ‘repareren’ als het te laat is. Een deel van de huidige problemen vraagt om geestelijke vernieuwing en een deel om praktische verandering. Het komt er op aan om te onderscheiden wat geestelijk en wat praktisch is.

In het rapport kiezen we voor de lijn van de traditie waarin het de Here is die zowel roept als bekwaam maakt.
De toenemende aandacht voor de gaven van de Geest past in deze lijn, als ook het onderkennen van elkaars kwaliteiten. Gemeenteleden hebben net als de predikant gaven ontvangen.
We zien die terug in deskundigheid op het gebied van theologie, pastorale psychologie, gemeenteopbouw, organisatie etc. Het inzetten van gaven leidt tot een bepaalde mate van professionalisering.
Zolang de gaven ingezet worden ten dienste van de gemeente en niet als een doel op zich, geloven we dat het de gemeente ten goede komt.

2. Wat verstaan jullie onder geestelijk leiderschap?
De predikant is als theoloog bij uitstek degene die de gemeente kan voeden met het woord van God. De dienst op zondag is een belangrijke gelegenheid om de gemeente te stimuleren in geloof en mensen uit te nodigen om denken en doen op God af te stemmen.
Tijd voor bezinning en oriëntatie, rust en voorbereiding op de preken en het onderwijs horen daar bij. Als de predikant door tijdgebrek of oneigenlijke taken niet toekomt aan het maken van goede preken, verarmt de dienst. De predikant als geestelijk leider komt dan niet tot zijn recht.

3. Is het rapport niet te ambitieus?
We denken van niet, ook al staan er veel adviezen in. De adviezen zelf zijn niet wereldschokkend. Veel mensen zullen zaken herkennen vanuit hun werk of andere ervaring. ‘Grenzen stellen, taken afbakenen, een opleiding volgen om de laatste nieuwe dingen je eigen te maken’, daar kijkt niemand meer van op. Alleen in de kerk zijn we soms bang dat het geestelijke ondersneeuwt. Alertheid op dit punt is terecht.

Als commissie is onze zorg dat de gemeente zijn geloofwaardigheid en zijn aantrekkingskracht behoudt. Daarvoor is nodig dat je doet wat je belooft: een levende gemeente van Christus zijn, vraagt een dienst die aanspoort en een gemeente waar het goed is om deel vanuit te maken.
Diepgang, aandacht voor de jeugd, authenticiteit zijn belangrijke kenmerken.
Om daar te komen zijn over het geheel gezien, aanpassingen nodig.

4. Als er centraal wordt gestuurd, is het dan mogelijk locaal een eigen visie te ontwikkelen?
Ja. Het centrale aspect gaat vooral in op toerusting. Van de predikant, de kerkelijk werker en die van ambtsdragers.
Centraal heeft niet te maken met beslissingen nemen voor lokale gemeentes.

Het profiel van de predikant en de kerkelijk werker hangt samen met hunopleiding. Dat vraagt een gemeenschappelijke visie op de rol van de predikant en die van de kerkelijk werker.
In het profiel van de predikant staan volgens ons drie zaken centraal: Liefde voor de Heer en zijn gemeente, theologisch geschoold, gericht op het brengen van het evangelie in deze tijd.
Door diepgang, bevlogenheid en tijd voor geestelijke zaken hopen we de predikant te stimuleren zijn kerntaken te vervullen. Voor de kerkelijk werker geldt dat hij een eigen vakgebied heeft, waar de predikant nauwelijks in geschoold is. De kerkelijk werker kan praktisch aan de slag met de visie van de gemeente.

5. Kunnen we de nieuwe taken van de ambtsdragers vragen of wordt het dan moeilijker om vrijwilligers te vinden?
Uit onderzoek blijkt dat mensen zich graag inzetten voor vrijwilligerswerk, mits zij een zinvolle bijdrage kunnen leveren en een duidelijke afgebakende taak hebben. Het rapport probeert zowel de predikant als de kerkenraad te stimuleren om zich te richten op de kerntaken op basis van gaven.

In veel kerken zien we een beweging op gang komen om andere manieren van werken toe te passen en taken te splitsen: De voorzitter van de kerkenraad wordt vrijgesteld van bezoekwerk.
Een notulist neemt de verslaglegging van de scriba over. Het huisbezoek wordt ondergebracht bij pastorale bezoekers. In andere gemeentes zijn wijkkringen verantwoordelijk voor de onderlinge geestelijke zorg. De lokale invulling is aan de gemeente.
Op dit punt kunnen gemeentes veel van elkaars ervaring leren. Dat scheelt tijd en voorkomt dat het wiel steeds opnieuw wordt uitgevonden.

6. Waarom is het belangrijk dat de kerkenraad samen met de gemeente een visie ontwikkelt voor de gemeente?
Bij het ontbreken van een visie, vergt iedere discussie veel tijd, omdat er geen gemeenschappelijk kader is. Er zijn voorbeelden bekend van gemeentes waar alle initiatieven uitgevoerd werden en men op het laatst in een chaos belandde. In de dienst was inmiddels aandacht voor alles wat in de gemeente speelde, met als gevolg dat elke dienst zo lang duurde dat mensen zich ergerden.
Het omgekeerde was bereikt: betrokkenheid leidde tot afhaken. In de gemeente komt het vaak voor dat we achteraf zaken recht zetten, omdat het vooraf niet goed is afgesproken.

7. Waarom pleiten jullie voor 'toerustingsdagen’ voor voorzitters en scriba’s?
De ervaring leert dat iemand die toegerust is voor zijn taak, minder stress heeft en minder tijd nodig heeft om zijn taak te vervullen. Onbekendheid leidt vaak tot handelen ‘naar beste vermogen’.
Het is o.i. nodig om op de hoogte te zijn van eenvoudige, maar specifieke afspraken binnen de kerk.
Uit ervaringen met predikanten zijn genoeg voorbeelden bekend, waarin de predikant moet onderhandelen over salaris etc., terwijl hiervoor allemaal bestaande richtlijnen van de WAP bestaan. Dat kost mensen veel negatieve energie.

Een ander aspect van toerusting heeft te maken met het omgaan met verschil van mening. Enerzijds zien we in de kerk situaties waarin zaken worden toegedekt en onuitgesproken blijven.
Dat geeft veel negatieve emoties bij mensen. Anderzijds zijn mensen in de kerk soms geneigd heel principieel te worden in discussies als het punt voor hen belangrijk is. Mensen schromen soms niet om harde woorden te gebruiken.
Beide situaties dragen bij aan de belasting van ambtsdragers. Daar willen we iets aan doen.

8. Is het nodig om een kerkenraadsdag o.l.v. een extern deskundige te laten plaats vinden? Is dat niet te duur?
Het zal niet voor iedere gemeente ‘nodig’ zijn. Als een kerkenraad onvrede heeft over het eigen functioneren of moeite heeft om nieuwe ambtsdragers te vinden, is verstandig om iemand met een frisse blik mee te laten kijken. Tegelijk leert de ervaring dat externe hulp pas wordt ingeschakeld als er problemen zijn. Dan werk je vanuit een achterstand.

De kosten kunnen erg verschillen.
Binnen de NGK zijn veel mensen die beroepsmatig processen begeleiden.
We vinden het de moeite waard om te onderzoeken in hoeverre gemeenteleden voor andere gemeenten iets kunnen betekenen door hun professionele kennis in te zetten. Zie het als een vorm van tienden geven, maar dan in tijd.

9. Hoe zien jullie de rol van de prio?
Uit eerste reacties op het prio-schap (predikant in opleiding) bleek dat er een verdiepingsslag nodig was in de verwoording van het advies. Een tiental vragen met antwoorden over het prioschap zijn te vinden in het aanvullende advies van de commissie. Het staat op de website van de LV.
(http://www.ngk.nl/lv/092.htm, klik op: Aanvulling Rapport in de linker kantlijn)

10. Moet de NGK de nascholing van predikanten zelf verzorgen?
Wij denken van niet. We zien voor de NGP een rol weggelegd om het studie aanbod bij te houden en de registratie van de bijscholing te verzorgen. Zowel de GKV, als de PKN bieden een uitgebreid nascholingsprogramma, waar predikanten gebruik van kunnen maken. Het lijkt ons belangrijk om op dit gebied vooral de samenwerking te zoeken.

Marieke Jellema is lid van de Commissie Predikantsprofiel (CPP).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief