Post uit Rwanda

1991-06-07
  • Jaargang 35
  • nummer 12
Post uit Rwanda
Moeder en zoon
Er loopt een kleine jongen over de straat. Hij is misschien een jaar of tien. Dat is natuurlijk niet zo klein meer, ik bedoel dan ook dat hij klein van stuk is: kort en dun. Waarschijnlijk krijgt hij niet zo goed te eten en dan groei je ook niet veel, natuurlijk.
Achter de jongen loopt zijn oude moeder.
Zij is misschien een jaar of veertig.
Dat is natuurlijk ook niet zo oud, maar als je weinig te eten krijgt en niet goed gezond bent zie je er gauw oud uit.
Ze gaan altijd samen op pad die twee.
Allebei houden ze de kant vast van dezelfde stok. De moeder is blind.
's Morgens vroeg lopen ze naar de stad. De jongen praat altijd. Misschien vertelt hij wat hij ziet en de moeder zwij~.Zeheefthaarogenopenen knippert een boel, het lijkt wel of ze altijd een beetje huilt, maar haar mond glimlacht.
Het is druk in de stad. Overal lopen mensen, rijden auto's, fietsen en brommers. Ze moeten voorzichtig oversteken. "We gaan naar de bakker", zegt de jongen. Hij pakt nu zijn moeder bij de arm, want de bakkerswinkel is op een kruispunt en van alle kanten komt verkeer. Zelfs met twee gezonde ogen is het al moeilijk oversteken.
Er komt een mevrouw op een fiets aanrijden. Ze stopt bij de winkel.
Gauw, de jongen rent naar voren, zijn moeder strompelt erachter aan. Hij wil op de fiets passen, maar hij is al te laat. Jonas is hem voor. Jonas is een doofstomme jongen. Hij is de baas buiten de bakkerswinkel. Hij lacht veel en praat de hele tijd. D.W.Z.hij kan geen woorden zeggen maar wel klanken.
"Wawawa!" roept hij en wijst op zijn ogen en op de fiets. "Ja goed, let er maar op", zegt de mevrouw van de fiets en gaat de winkel binnen. "Wacht maar moeder", zegt de jongen, "die mevrouw koopt vaak broodjes". Er komen nog een paar bedelaars aanlopen: een jonge man met één been, die op krukken loopt, een jongen met mismaakte handen. Jonas staat bij de fiets. Hij lacht nu niet. Hij kijkt boos naar die mensen. "Wawawa!" roept hij en zwaait met een stok. Iedereen blijft staan. Jonas roept nog harder en opeens laat hij de fiets alleen en rent op de jongen en zijn moeder af. Ze moeten wel weg gaan om geen klappen te krijgen en langzaam lopen ze weg. Jonas houdt niet van andere bedelaars en de baas van de winkel vindt het wel prettig dat hij ze wegjaagt.
Klanten houden er ook niet van.
Juist op dat moment komt de mevrouw naar buiten. Ze pakt de fiets nog voordat Jonas terug is en stapt erop. "Wawawa!"
roept Jonas haar na, maar ze rijdt zonder opkijken door, achter de moeder en zoon aan. Ze pakt twee broodjes uit haar tas en geeft ze snel aan de jongen. Hij is even helemaal verbaasd. De moeder blijft stilstaan, glimlacht en knippert met haar ogen.
"Dank je wel!", roept de jongen dan achter de fiets aan, "dank je wel", echoot de moeder. Maar Jonas is boos.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief