Geloven; gewoonte of keuze (4)

1991-06-07
  • Jaargang 35
  • nummer 12
Na uitgebreid literatuuronderzoek heeft mevrouw Jongsma- Tieleman in haar proefschrift een aantal vooronderstellingen geformuleerd. Om te kijken of die uitgangspunten kloppen met de praktijk, heeft ze vervolgens een aantal vragen aan jongeren voorgelegd.

Steekproef
De vragenlijsten werden in oktober 1984 toegezonden aan 1000 jongeren van tussen de 18 en 25 jaar. Ze woonden allemaal in de stad Groningen en waren bij een ('synodaal') Gereformeerde kerk als lid ingeschreven of stonden bij de studentenadministratie als 'gereformeerd' geregistreerd.
Ruim 40% beantwoordde de toegezonden vragenlijst. Uiteindelijk werden 369 lijsten in de steekproef opgenomen (101).

Vragen aan jongeren
Evenals enkele andere onderzoekers gaat mevrouw Jongsma uit van de manier waarop jongeren naar hun ouders kijken. Dit is een beperking: de waarneming van jongeren wordt altijd vertekend door hun eigen gevoelens.
Toch is die subjektieve (door emoties· gekleurde) blik niet onbelangrijk. De manier waarop een kind naar het geloofsleven van zijn ouders kijkt, is van invloed op zijn eigen kijk op de godsdienst (100).

Jongeren over zichzelf
Hoe is de 'religieuze betrokkenheid' van deze jongeren? Het bidden blijkt een grotere plaats in te nemen dan het bijbellezen: 61% zegt regelmatig te bidden, 28% leest regelmatig in de bijbel. Wat is echter 'regelmatig'? Wie in kontakten met jongeren d66rvraagt, merkt dat 'regelmaat' een heel rekbaar begrip is. Daarom is het bij deze vragen jammer dat niet is geprobeerd om een konkreter antwoord te krijgen.
Bij de kerkgang werd wél gevraagd· hoe vaak de jongeren een kerkdienst bezoeken: 42% gaat minstens 3 keer per maand naar de kerk, 29% eens in de maand. Mevrouw Jongsma konstateert dan dat 71% van de jongeren met een zekere regelmaat naar de kerk gaat (105).
Minder dan een derde van de jongeren is aktief betrokken bij een kerk, heeft voorkeur voor een christelijke partij en leest artikelen over levensbeschouwelijke onderwerpen.

Jongeren over hun ouders
Uit de onderzoeken van Piet van der Ploeg (o.a.: Het lege testament) kwam naar voren dat voor jongeren het geloof van hun ouders vaak weinig inhoud heeft. De gegevens van mevrouw Jongsma laten een positiever beeld zien. Niet alleen werden de 'gewoonten' (kerkgang, bijbellezen, bidden) in stand gehouden; de ouders hebben in de beleving van 70% van de jongeren een persoonlijk gebedsleven, er wordt thuis gesproken over-het geloof (60%), de kerkgang is geen sleur (85%), de godsdienstige opvattingen werken door in het leven van alledag (70%).
Wat de opvoeding betreft hebben bijna alle jongeren de indruk dat hun ouders hen bewust een christelijke opvoeding wilden geven. Mevrouw Jongsma beperkt de vragen in dit hoofdstuk tot de bekende 'qewoonten bijbellezen, bidden, zingen, kerkgang en de zondagsheiliging.
Ze typeert een aantal regels als 'autoritair': het valt haar op dat ouders ten aanzien van kerkgang en catechisatie het minst demokratisch handelen. Bij niet-godsdienstige zaken geven ze vaker uitleg en treden ze minder vaak korrigerend op (b.v.: het op tijd thuis zijn). De' meeste jongeren hadden niet het gevoel dat ze minder mochten dan hun leeftijdgenoten (115).

Verschillende uitkomsten
Het is opvallend dat uit de onderzoeken van Piet van der Ploeq en van mevrouw P.E. Jongsma-Tieleman heel verschillende antwoorden naar voren komen. In beide onderzoeken werden vragen gesteld aan jongeren, afkomstig uit de.('synodaal') Gereformeerde kerken en op dat moment woonachtig in het noorden van het land. Het grootste verschil is dat Van der Ploeg 'kerkverlaters' heeft geïnterviewd, mevrouw Jongsma laat 'ook de andere kant zien: jongeren die lid zijn gebleven van een kerk. Bovendien behoren ze tot de groep (=40%) die de moeite heeft genomen om een lange vragenlijst in te vullen. Het zal duidelijk zijn dat deze jongeren 'gemiddeld' tot meer positieve antwoorden neigen.
Daarnaast is het onderzoek van Van der Ploeg heel beperkt (16 jongeren); men kan zich afvragen hoe betrouwbaar zo'n kleine steekproef is. Het onderzoek van mevrouw Jongsma omvat een veel grotere groep jongeren en is schriftelijk afgenomen. Van der Ploeg nam mondelinge interviews af: welke invloed heeft zijn eigen (kritische) houding (onbewust) tijdens die gesprekken gehad? Het is jammer dat zo'n beperkt onderzoek een eigen leven is gaan leiden. Dat heeft veel schuldgevoelens bij ouders veroorzaakt.
Gelukkig is het onderzoek van mevrouw Jongsma veel breder opgezet en beter gefundeerd.

Andere gegevens
Mevrouw Jongsma heeft de jongeren een groot aantal vragen op allerlei (Ievens)terreinen voorgeschoteld. Zo heeft ze gevraagd of odeouders geïnteresseerd waren in de politiek (en hoe die interesse aanwezig was bij hun kinderen), welk standpunt ouders en kinderen in namen ten aanzien van buitenparlementaire akties, (ongehuwd) samenwonen, abortus, homofiele relaties, het wonen in een kraakpand enz. enz. Het valt buiten het bestek van 'Opbouw' om op deze gegevens uitgebreid in te gaan.
Een opvallend gegeven is dat bijna alle jongeren het huwelijk van hun ouders als 'gelukkig' typeren. Toch wil slechts een klein deel net zo getrouwd zijn als hun ouders (117). Terecht merkt de auteur op dat dit waarschijnlijk te maken heeft met de sterk veranderde samenleving. Een meisjes ziet b.v. dat haar moeder zich prima kan vinden in haar rol in het gezin; toch wil ze zelf buitenshuis werken. Een deel van dit opvallende verschil zou m.i. mede verklaard kunnen worden uit de hoge eisen die veel jongeren stellen aan hun levensomstandigheden. De amerikaanse schrijfster Susan Littwin noemt in dit verband ook het streven naar perfektie in de sfeer van vaste relaties (zie 'Opbouw', 1988/16).

Verwerking
Het zal duidelijk zijn dat de antwoorden die mevrouw Jongsma uit de vragenlijsten verzamelde, een enorme hoeveelheid materiaal omvatten. Uiteindelijk moesten er tussen die gegevens verbanden worden gelegd. Welke invloed hebben de gewoonten van de ouders op het geloofsleven van jongeren?
Welk verband bestaat er tussen de houding van de ouders en de betrokkenheid van jongeren bij de kerk?
Is de relatie tussen maatschappelijke problemen en geloof bij de ouders merkbaar in het denken van jongeren?
Met behulp van de statistiek worden er in het proefschrift een aantal verbanden gelegd. Zoals het een wetenschappelijk werk betaamt, worden de procedures (toetsen, analyses) nauwgezet beschreven. Ik zal de lezer deze gegevens besparen.
In het laatste artikel van deze serie wordt geprobeerd de uitkomsten uit het onderzoek kort op een rijtje te zetten. Daarbij wordt ook ingegaan op de vraag welke waarde deze gegevens kunnen hebben voor de geloofsopvoeding in onze kerken.

N.a.v.: P.E. Jongsma-Tieleman: Geloven; gewoonte of keuze; 245 pagina's; f 45,-; Kok, Kampen, 1991

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief