(Nog wel niet het laatste woord over) Israël (2)

1991-06-21
  • Jaargang 35
  • nummer 13
Niet formeel
Of wij nu met de Joden tweederde van de bijbel gemeen hebben, ja of nee, daarover wil ik het in dit artikel nog een keer hebben. Ds. Houtman zegt dat ik daar "niets van geloof". Dat is wel te boud beweerd. Ik had geschreven: "Ik verwerp ( ) de redenering dat de Joden tweederde van de Schrift al hebben, vooral wanneer daar de suggestie in mee moet komen dat zij al voor tweederde op weg zijn naar ons geloof. Zij hebben een ander geloof want zij hebben als het erop aankomt een andere bijbel." De woorden 'vooral' en 'als het erop aankomt' probeerden te nuanceren. Ik wilde een onnodig getouwtrek voorkomen over de formele kant van dit vraagstuk. Er bestaat immers formeel gesproken een verregaande overeenstemming tussen de Joodse en de christelijke kanon. Op dat punt zijn wij protestanten het zelfs meer met de synagoge dan met de Rooms Katholieke kerk eens (terwijl ik me toch met de laatste veel meer verwant voel dan met de eerste). Weliswaar is er met de Joden verschil wat betreft de volgorde der bijbelboeken, maar het is niet nodig de konklusies die daaruit worden getrokken of de opinies die daaraan worden vastgeknoopt te delen. Dat tel-verschil wordt tegenwoordig van Judaïserende zijde nogal flink opgeblazen, is mijn indruk. De Joodse traditie zou de boeken zo gerangschikt hebben dat de Thora (de Wet) in het centrum kwam te staan en de andere boeken zich daar in koncentrische cirkels omheen hebben gelegd. Terwijl de christelijke kerk door haar rangschikking een meer historische lijn door de oudtestamentische kanon zou hebben laten lopen.
Nu, hoewel ik dat verschil wel zie, vermag ik dat toch niet uit het onderscheid in kanon-opbouw af te lezen of op te maken. Ook in Tenach immers staan de boeken min of meer in een historische volgorde, terwijl het christelijke ordeningsbeginsel behalve historisch ook literair (proza en poëzie) is geweest. Het verschil lijkt me daarom op de keper beschouwd lood om oud ijzer. Ondanks mijn lichte voorkeur voor onze bijbel zou ik als christen dan ook stellig met de Joodse kanon kunnen leven.

Inhoudeljk
Nee, ik heb mijn bewering niet formeel maar inhoudelijk bedoeld. Inderdaad is het zo dat de Joodse traditie de Thora in het Oude Testament centraal heeft gesteld. Het zwaartepunt heeft zich bij hen verschoven van 'David' naar 'Mozes'. Of, beter gezegd: het oorspronkelijke Oude Testament was een ellips met twee brandpunten, 'Mozes' en 'David', maar is in de Joodse theologie geworden tot een cirkel met 'Mozes' als middelpunt. En van deze theologisch op de ene noemer van Mozes gebrachte bijbel beweer ik dat dat niet mijn bijbel is en spreek ik met Jezus uit het evangelie naar Johannes van 'jullie wet' (Johannes 10:34). Het is werkelijk opvallend dat de Heiland zich zo uitdrukt. Hij had toch gewoon van 'onze wet' kunnen spreken? Of desnoods van 'de wet', zoals in Lukas 10:26? 'Jullie wet', het is wel zeer afstandelijk gesproken. Men heeft gezegd dat dit en ander spraakgebruik bij Johannes dateert uit de tijd dat het vierde evangelie vervaardigd is. Het was de tijd dat kerk en synagoge al uit elkaar waren gegroeid en de scheiding tussen christenen en Joden zich reeds had voltrokken. Wel, ik zal niet ontkennen dat dat feit zijn sporen in het vierde evangelie heeft nagelaten, maar wil er anderzijds toch aan vasthouden dat Johannes reden moet hebben gehad om Jezus een dergelijke spreekwijze in de mond te leggën. Als dat nergens op sloeg zou je van falsifikatie moeten spreken en dat kunnen we voor wat de bijbel betreft toch niet aanvaarden. Johannes moet van overtuiging zijn geweest dat de scheidslijn die hij in zijn dagen (omstreeks het jaar 100?)tussen kerk en synagoge zag lopen in essentie dezelfde was als die welke Jezus 'en zijn tegenstanders verdeelde. Aan die overtuiging zijn wij gebonden. Wij hebben het derhalve serieus te nemen dat Jezus de bijbel van het Joodse establishment waarmee Hij te maken had niet als de zijne heeft erkend. Het was 'hun wet'.

Overeenstemming
Het is waar, je zou dit wat kunnen afzwakken, in die zin dat Jezus alleen onder bepaalde omstandigheden zo sprak omdat Hij immers blijkens het aangehaalde vers uit Lukas' beschrijving ook een andere toon wist aan te slaan en iets meer verbindende woorden koos. Inderdaad is het in de gesprekken tussen Jezus en de Joden zoals Johannes die verslaat een en al scherpte en tegenstelling. Christus heeft echter met de Joodse schriftgeleerdheid ook vriendelijker kontakten gehad. Het mooiste voorbeeld daarvan is het gesprek over het grote gebod, en dan volgens de beschrijving die Markus daarvan geeft (12:28-34). Het mooie bij Markus is namelijk dat je bij hem zo duidelijk de Joodse echo hoort op het onderwijs van de Here: "Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt Gij gezegd, dat Hij een is en dat er geen ander is dan Hij. En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers".
Ik heb deze perikoop vaak gebruikt in de eredienst bij de wetslezing.
En meer dan eens is het me gebeurd dat bij de voorlezing van die 'echo' de tranen me in de ogen sprongen.
Dit is een ontroerend moment in het evangelie en ik stel me voor dat de Meester zelf een brok in de keel moest wegslikken toen Hij antwoordde: "Gij zijt niet ver van het koninkrijk Gods".
Wat is de overeenstemming hier groot!
Wat hongert en dorst deze Joodse mens naar de gerechtigheid! En het lijdt geen twijfel, Jezus en de schriftgeleerde staan hier heengebogen over dezelfde bijbel, - juist zoals dat het geval is in de gesprekken waarvan ds.
Houtman vertelt. Hier is voor dat afstandelijke 'jullie wet' geen plaats.

Verschil
Maar nu loont het toch de moeite om vanuit dat gesprek over het grote gebod verder te lezen in het evangelie.
Bij Markus zowel als bij Matteüs volgt namelijk de passage over Davids Zoon en Davids Heer. Is dat toevallig? "En Jezus antwoordde ...", begint die perikoop bij Markus. Dat is eigenaardig gezegd want er gaat geen vraag aan vooraf. Maar 'antwoorden' betekent ook wel eens, en zeker wanneer er geen vraag voorafgaat, dat ingehaakt wordt op een ontstane situatie. En dat zou dus beduiden dat het van Jezus uit om een soort voortzetting van hetzelfde gesprek ging. Zou het kunnen zijn dat de Heiland die gevonden overeenstemming over het grote gebod benut heeft om nu van 'Mozes' naar 'David' door te stoten? We zagen al dat in het Joodse bijbellezen 'Mozes' het van 'David' gewonnen had. Het gaat hierbij natuurlijk niet om een waardering van personen. Als dat het geval was zou je de Joodse voorkeur kunnen bijvallen want zonder enige twijfel is Mozes groter dan David geweest.
Maar nee, het is bovenpersoonlijk bedoeld. 'Mozes' staat voor de wet en 'David' voor de profetie. 'Mozes' en 'David' verhouden zich in het Oude Testament zo ongeveer als opdracht en uitvoering, of beter gezegd: als opdracht en belofte van uitvoering.
Zonder die belofte zou de opdracht in de lucht blijven hangen en niet 'landen'.
Met 'Mozes' alleen immers was de verbondsgeschiedenis volkomen vastgelopen. Op het eind van de Richterentijd staan we voor het echec.
Toen kwam David. Niet als superverbondsmens, maar als de drager van de messiaanse belofte. David zou volgens de profetie van Natan een zoon krijgen die tegelijk zijn Heer zou zijn. In Hem zou God een draad van Boven in het weefsel van het verbondsvolk inbrengen en door Hem ZO'U het verbond zijn eigenlijke vastheid vinden (zoals ik onlangs in mijn bijdrage voor de christelijke gereformeerde predlkanten-konferentie geoogd heb duidelijk te maken, zie Opbouw van 10 mei jl.). Is het werkelijk te ver gezocht wanneer ik vermoed dat die opeenvolqinq van de twee perikopen over 'Mozes' en 'David' het resultaat is van Jezus' poqinq het gesprek van de wet op de profetie, dat onderbelichte deel van de Joodse kanon, te brengen? Niet om nu op zijn beurt die wet in de schaduw te plaatsen en zo tot een tegenovergestelde eenzijdigheid te vervallen maar om een oplossing te vinden voor het probleem dat de wet had opgeworpen en telkens weer opwierp: het probleem van het menselijke niet-kunnen. Door naar 'David' te switchen nam Jezus 'Mozes' juist serieus en gaf Hij aan hoe iemand die niet ver was van het koninkrijk Gods dat koninkrijk metterdaad zou kunnen binnengaan. Zo beschouwd is er door het hele gesprek tussen Jezus en de sympathieke schriftgeleerde een strijd om de kanon gaande, met de vraag die we in Lukas 10:26 al teqenkornen: hoe leest gij?
Hebben wij echt dezelfde bijbel?

Wet en profetie
In het Joodse kanon-qeloof is de Wet het een en het al geworden. Iemand als Paulus wist dat van binnenuit, hij was in die opvatting gepokt en gemazeld.
Ook hij echter heeft daar door zijn bekering tot Christus het eenzijdige van leren inzien. En hij zei: de belofte was er eerder dan de wet, de wet is vierhonderd en dertig jaar na de belofte gekomen (Galaten 3:17). Dat is weer een andere aanpak dan je in het evangelie tegenkomt. Het pikante van Paulus is dat hij in de wet zelf (immers in de geschiedenis van Abraham die in Genesis dat tot de vijf boeken van de wet behoort wordt verteld) een argument gevonden heeft dat de wet van de suprematie die de Joden eraan gegeven hadden berooft. Maar hierin stemt de apostel weer met Christus in het evangelie overeen dat hij het profetische element (de 'belofte'] in de bestaande bijbel van zijn dagen naar voren haalt. Dat element was en is in de Joodse theologie verkommerd, En dat maakt de Joodse bijbel anders dan de onze. Afwijkend ook van de oorspronkelijke bedoeling. Die komt zo duidelijk naar voren in een van de laatste stemmen die uit het Oude Testament opklinken. die van de profeet Maleachi. Deze zegt eerst: "Gedenkt de wet van Mozes mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, inzettingen en verordeningen"
(4:4). Daarmee lijkt hij het Joodse verstaan van de kanon te bevestigen.
Maar daarna komt er nog dit achteraan: "Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en doorluchte dag des HEREN komt" (vs. 5). Daar is de tweepoliqheld, zoals je die ook zo betekenisvol tegenkomt in het begin van het Psalmboek: eerst een lied over de wet (Psalm 1) en vervolgens een over de profetie (Psalm 2), als de schering en de inslag van de gehele navolqende bundel. Wet en protetle, dat is het Oude Testament. En wie ZO'U tussen die twee durven kiezen of de een boven de ander wagen te verheffen?
Wie dat evenwel toch doet en de wet tot het een en het al maakt krijgt een Oude Testament waar het Nieuwe als een tang op een varken op past.
We sluiten nu dit onderwerp en de diskussie met ds. Houtman af. Op de vraag van het begin of wij nu met de Joden tweederde van de bijbel gemeen hebben, ja ot nee, moet het antwoord luiden: ja en nee.
De volgende keer hoop ik het gesprek met een andere deelnemer die zich gemeld heeft, de erneritus-protessor J. Kamphuis, voort te zetten. Het zal dan over de zending onder de Joden gaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief