Pastorale notitie
1991-06-21
Wat betekent opstanding voor u? (meditatie gehouden voor de EO-radio op 26-5-1991)- Jaargang 35
- nummer 13
Ik lees met u een klein stuk uit de Bijbel.
Het gaat over de eerste christelijke gemeente: De menigte van hen die tot geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één zei dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendO'm was, maar ze hadden alles gemeenschappelijk. En met grote kracht gaven de apostelen getuigenis van de opstanding van de Here Jezus, en er was grote genade over hen allen.
Tot zover dit stuk uit de Bijbel.
Als ik vragen mag: wat betekent opstanding voor u?
Jammer dat u geen antwoord kunt geven. U zit in de auto of u ligt op bed.
Laat ik dan mogen vertellen welke antwoorden ik onder meer heb opgevangen.
Iemand zegt: oostendinç betekent voor mij dat er iets is na de dood; een leven na dit leven, hoe dan ook.
Een ander zegt: voor mij is het reïncarnatie: ik krijg straks een herkansing in een volgend bestaan.
Voor weer anderen is opstanding de lente, nieuw leven, nieuwe inspiratie na de kou van de winter.
Dat zijn moderne antwoorden.
Veel mensen kunnen niet geloven dat Jezus na zijn dood het graf weer uitgewandeld is. Opstanding is niet banaal, zeggen ze. Opstanding is een symbool.
En ik begrijp dat. Ik liep kort geleden te mediteren op het kerkhof van Veenendaal, waar ik nu woon. Ik had daar een bedoeling mee. Ik wou wel eens zien, waar ik zelf naar alle waarschijnlijkheid kom te liggen.
Ik had nog een tweede bedoeling. Er wonen hier veel naamgenoten: ze dragen niet alleen dezelfde achternamen maar dikwijls ook dezelfde voornamen die in mijn familie voorkomen.
Ik wou wel eens een grafsteen zien met mijn eigen naam erop. Toen ik die gevonden had stond ik wel raar te kijken. Je gedachten vermenigvuldigen zich. Je denkt je in hoe die doden er nu uit zien, zoals we ze daar neergelegd hebben: netjes op stapeltjes, op elkaar, en het komt je totaal ongeloofwaardig voor dat die skeletten zullen wegwandelen.
Man, dat kan helemaal niet!
Ik ben met dat ongeloof in goed gezelschap.
De leerlingen van Jezus hebben er ook geen steek van geloofd.
Toen Jezus begon te spreken over zijn opstanding mompelden zijn leerlingen er onder elkaar over wat dat was, uit de doden opstaan. Ze snapten dat niet, zegt de evangelist. En toen op paasmorgen de vrouwen riepen: "We hebben de Heer gezien!", begonnen de hoogmogende apostelen te schamperen: .Leros, larie, vrouwenpraat!"
Maar toen was de Heer er weer, niet gewoon, maar helemaal nieuw. Zo maar door gesloten deuren heen. Heel anders, maar toch Dezelfde. En toen moesten zij er wel aan geloven. De Heer vroeg: "Hebben jullie hier iets te eten?"
Toen gaven ze Hem een stukje gebakken vis. Hij at het. En Hij zei: "Kom hier: leg je vinger in de littekens. Voel maar; een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals je voelt dat ik heb". Zo was Hij er weer, aan de overkant van de dood. Maar hij verscheen aan deze kant, aan onze kant.
Zo is het Pasen en Pinksteren geworden.
Petrus zegt: "Wij zijn er totaal andere mensen van geworden, we zijn wedergeboren door die opstanding van de Heer uit de doden"!
En Paulus zegt: "Er lopen nog 500 mensen rond, die Hem persoonlijk in de arm geknepen hebben. Ze hebben Hem gevoeld en getast. Ga ze maar vragen".
En zo is de kerk er gekomen.
De echte opstanding van de Heer heeft dat gedaan.
En de kerk heeft begrepen dat God de mens niet een beetje heeft geholpen, maar radicaal: Hij heeft de menselijke schuld weggedaan; de menselijke opdracht volbracht; de menselijke dood vernietigd.
Er staat een woord in de Bijbel, waar ik altijd ademloos van word. Dit: "
Zoals de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden er door een mens".
Ongelooflijk: God overwint de dood niet door zelf in te grijpen, loodrecht uit de hemel. Maar Hij laat het een mens opknappen. De mens die het mis deed. Die moet het goed maken. De mens die het onheil over zich haalde.
Die moet het heil brengen. Wat een verrukkelijke rechtvaardiging van de schepping van de mens. God zegt: "Zien jullie wel dat ik het goed gedaan heb, toen Ik de mens schiep naar mijn beeld en gelijkenis"!
Het spijt me lieve mensen. Of liever: het spijt me helemaal niet. Maar ik moet wel in de opstanding geloven.
Als je in God gelooft, dan moet je het goed doen. Een God die aardig is voor zondaren, dat is wat, maar hij is geen god. Een God die een beetje aan ons doktert is wat, maar geen god. Als God God is moet Hi].het goed doen en zo is Hij. Hij heeft de dood de stuipen op het lijf gejaagd door zelf mens te worden en te sterven, in Zijn zoon Jezus. Hij is als de rechtvaardige de dood binnen gegaan: Dat was nooit eerder gebeurd: de rechtvaardige in de dood!!
Dat is een paniek geworden! De dood is zich doodgeschrokken. Want Hem kon de dood natuurlijk niet houden. De dood moest Hem baren. Aan die bevalling is de dood opengescheurd. De dood waaraan wij nu sterven is de opengescheurde dood.
Op Pinksteren beginnen Jezus' leerlingen dit fantastische nieuws overal rond te bazuinen.
Met grote kracht geven de apostelen getuigenis van de opstanding en zo is die nieuwe gemeente ontstaan.
We hebben een levende Heer.
Mag ik u zeggen wat voor mij opstanding betekent? ' Drie dingen.
Punt één: dit dat de wereldrechter mij vrijspreekt. De idee dat een rechter, die al 2000 jaar dood is mij zou vrijspreken is absurd. Daar zou ik ook niets aan hebben, Maar de man die door God aangesteld is om de wereld te oordelen, voor wiens rechterstoel straks alle mensen groot en klein zuIlen verschijnen, zegt tegen me, wat Hij vroeger tegen een lamme man zei: "Jongen, je zonden zijn je vergeven!"
Dat is fantastisch. Want ik heb nogal wat op mijn kerfstok.
Het tweede is dat de levende Heer een mooie gemeente maakt. Moet u maar lezen: Niemand noemde iets het zijne, Ze hadden alles gemeenschappelijk.
Eigenaars van huizen en stukken grond verkochten hun bezit en gaven het aan de armen!
En buitenstaanders zeiden jaloers: Kijk eens, hoe lief ze elkaar hebben.
Een man die al 2000 jaar dood is kan geen mensen veranderen. Maar we hebben een levende Heer en daarom is het zo ongelooflijk fijn om lid van een christelijke gemeente te zijn. Het is een leugen dat we in de kerk alleen maar ruzie maken en malaise fokken.
Ik ben lid van een gemeente van zondige mensen en toch is het daar zo fantastisch mooi. Ik merk het ook aan mezelf. Ik ben bezig te veranderen op mijn ouwe dag. Ik ben opgenomen in een proces van verandering door de Geest van Jezus. Jezus doet me zoveel door zijn woord en Geest.
En tenslotte: als ik straks op dat kerkhof lig en weerkeer tot stof heb ik niks aan een man, die al 2000 jaar vergaan is tot stof. Dan is het heerlijk dat een levende Heer me opwacht. Dat ik net als de moordenaar aan het kruis, met Hem in het paradijs mag zijn. En dat
Hij me straks uit de dood roept. Ik zal niet broodnuchter dat graf uitwandelen.
Opstanding is niet banaal!! Het zal me een happening zijn! Onvoorstelbaar!
En mijn geliefden zullen er zijn: bruine ogen blijven bruine ogen. En Petrus en Paulus blijven Petrus en Paulus. Zo is dat.
Maar het grootst zal het zijn om Jezus te ontmoeten en in hem God. Er leefde in Duitsland een groot Bijbelgeleerde.
Hij heette Adolf Schlatter. Toen die op zijn sterfbed lag, zei zijn zoon: Vader, nu zult u gauw over de straten van goud wandelen. Toen richtte de stervende zich een beetje op en hij zei verontwaardigd: "Wat straten van goud. Nu zal ik gauw bij mijn Heiland zijn". Dat is het. Zo zullen we altijd met de Heer wezen.
En waarom zou dat onmogelijk zijn bij God?
Ik eindig met een uitspraak van Luther.
Hij zei: Het geloofsartikel van de schepping is veel moeilijker dan dat van de opstanding. Als het waar is dat God alle dingen geschapen heeft, dan heb ik geen enkele moeite meer. Niet met de geboorte van Jezus uit de maagd en niet met de opstanding. Zou voor de schepper van hemel en aarde iets te wonderlijk zijn?
Daar houden we het op vandaag.
Ik zeg het nog één keer met Luther:
Lied 203
Die in de dood gebonden lag
om ons en onze zonden,
is opgestaan met groot gezag;
Christus heeft overwonnen!
Hij bracht ons het leven weer,
laat ons nu loven God de Heer
en zingen: halleluja!
Halleluja.