De betrouwbare dateringen van de bijbel (1)

1991-06-21
  • Jaargang 35
  • nummer 13
1.1 Bijbelse dateringen zijn geheel betrouwbaar
Hier volgen enige artikelen over de betrouwbaarheid van de bijbelse dateringen.
Dat onderwerp is o.i. van veel belang.
Want bijbelse dateringen hebben betrekking op de voor de mens meest belangrijke gebeurtenissen. Wij bedoelen daarmee te zeggen dat de Schrift niet alleen volkomen betrouwbaar spreekt over de grote heilsdaden Gods, maar niet minder vast en duidelijk over de tijd waarop God Zijn grote daden heeft verricht. Want de dateringen die wij in de Schrift tegenkomen zijn niet minder door de Geest Gods geïnspireerd dan de feiten die ze dateren.
Dat te bedenken en in de praktijk te geloven is van grote betekenis voor de gehele levenswandel. Het kan voorkomen dat het geloof van ons en van onze kinderen in deze tijd schipbreuk ·Ieidt.
Want het werkelijk durven steunen op bijbelse dateringen is onder christenen zeer in verdrukking geraakt. Dat is ook wel te begrijpen. We leven temidden van een vloed van informatie die op een of andere wijze steunt op nietbijbelse dateringen. De hedendaagse mens is in meer of mindere mate gehersen-spoeld met evolutionistische gedachten. Boek en krant suggereren dat alles het produkt is van een miljoenen-jaren ontwikkeling. De macht om die informatie te corrigeren ontbreekt. Universiteiten en hogescholen hebben reeds lang gebroken met de bijbelse dateringen. Wie durft nog te geloven dat er tussen de schepping van Adam en de geboorte van de tweede Adam, Jezus Christus, onze Heer, Israëls Messias, slechts 4000 jaren liggen. Niet meer en niet minder.
Op de 'School met de Bijbel' te Heerenveen, aan de Verlengde Dracht, onder hoofdmeester J. Leenstra, leerde ik, in 1916 meen ik, op 7-jarige leeftijd: "Veertig eeuwen van te voren heeft de Heer Zijn Zoon beloofd." In die eenvoudige versregel lag een geloofs- en Schriftvisie besloten die doorwerkte in alle dateringen. Wie durft die visie nog aan? De hedendaagse prediker voelt zich genoopt met bijbelse dateringen gereserveerd om te gaan, want ze zijn zo aangevochten en hij voelt zich niet bij machte, begrijpelijk, boven de critiek uit te komen.
Nu is het zeker geboden met Schriftgegevens zorgvuldig en met kennis van zaken om te gaan. Dat geldt ook voor bijbelse data. Maar dat is niet het punt.
Er is met de bijbelse dateringen veel meer aan de hand. Wij durven met de bijbelse dateringen de wereldse dateringen niet echt te bestrijden. De laatste hebben met hun gezag de bijbelonderzoekers min of meer verlamd. Bijbelgelovige exegeten hebben hun toevlucht genomen tot het standpunt dat het in de Schrift niet om de dateringen is begonnen.

1.2 De Christelijke Encyclopedie
In de Christelijke Encyclopedie, tweede druk, blz. 210, schrijft prof. J. SCHONEVELD onder 'Chronologie' dat allen het er wel over eens zijn dat het bekende kinderversje 'Veertig eeuwen van te voren was het Vrouwenzaad beloofd', hoe goed ook bedoeld, "niet overeenkomt met de historische kennis, welke God ons heeft geschonken door middel van opgravingen." Hij ontleende deze uitspraak aan prof. C. VAN GELDEREN die haar in de eerste druk van de Christelijke Encyclopedie reeds had gedaan. Prof. SCHONEVELD vervolgt:

"Principieel gezegd: de Bijbel is er niet op berekend om gebruikt te worden als leidraad voor chronologische onderzoekingen, waarvan de uitkomst maar zeer zijdelings met de boodschap van de Bijbel samenhangt. Omdat het het doel van de Bijbel niet is om overeenkomstig onze wetenschappelijke maatstaven een bijdrage te leveren voor de studie der geschiedenis, moeten we niet verwachten, dat de Bijbel het eerste en het laatste woord zal spreken in zaken de chronologie betreffende."

Zo is het dus gesteld met de bijbelse dateringen. Zij hebben licht van buiten nodig.

In het slot van zijn artikel concretiseert prof. SCHONEVELD zijn visie aldus:

"Hoe het ook zij (met de bijbelse dateringen, A.K.) tot een tijdrekenkundige bepaling van uittocht en intocht durven we niet over te gaan. Wij moeten in deze wachten op meer licht (van opgravingen, A.K.). Hetzelfde geldt dus ook voor het tijdperk der aartsvaders, dat ook met Gen. 14 (Abrahams strijd met de koningen van Sodom, enz. A.K.) zich niet duidelijk laat bepalen."

Deze uitspraken van prof. J. SCHONEVELD en prof. C. VAN GELDEREN geven een duidelijk beeld van de stand van zaken met betrekking tot de bijbelse dateringen in de christelijke exegese. Bijbelse dateringen geven ons geen houvast. Zij stellen ons niet in staat de wereldse dateringen te corrigeren en aldus de gemeenten ook op dit gebied te beschermen tegen de grote macht van de geesten in de lucht. Neen, de bijbellezer zal met betrekking tot de tijd van de bijbelse gebeurtenissen moeten wachten totdat opgravingen, kleitafeis, gevonden documenten enz. hem over die tijden nader inlichten. Voordien zal hij niet nauwkeurig weten wanneer Adam is geschapen, wanneer de aartsvaders hebben geleefd, de zondvloed is gekomen, Abraham is geroepen, David en Salomo hebben geleefd en bovenal Jezus, de Christus, de Heer, is geboren.
Dat is een ernstige stand van zaken met verstrekkende gevolgen voor de betrouwbaarheid van geheel de Schrift. Die gevolgen zijn ook niet uitgebleven. Zij zijn een bron geworden van Schriftcritiek. Gods Woord was niet meer een lamp en een licht voor de geschiedenis van de aarde en de mensheid, het Woord was afhankelijk van het licht van de opgravingen.
Maar opgravingen geven geen jaartallen.
Integendeel, alles wat zij te voorschijn brengen moet gedateerd worden door mensen. Mensen gaan aldus de tijd vaststellen van de gebeurtenissen die de Schrift vermeldt. Als die tenminste werkelijk gebeurd zijn.
Zo is de bijbellezer overgeleverd aan de wijsheid van de opgravers. Daarmee is ernstig afbreuk gedaan aan het feit dat de dateringen van de Schrift evenzeer van Godswege geïnspireerd zijn als de feiten die ze dateren. Daarmee is echter de gehele Schrift disputabel gesteld.

1.3 De dwaling van COPERNICUS
In dit verband zij terloops opgemerkt dat de twijfel aan de betrouwbaarheid van de dateringen van de Schrift zich ontwikkeld heeft in het voetspoor van het niet vertrouwen van de onfeilbaarheid en duidelijkheid van de Schrift in haar astronomische mededelingen. In de dagen van de Reformatie heeft de Boze COPERNICUS doen schrijven, in de geest van PLATO, dat de zon in het centrum van de schepping staat en niet de aarde. Hoewel de Schrift uitdrukkelijk vermeldt dat de zon en de maan eerst op de vierde dag hun opdracht t.a.v. de aarde zijn gaan vervuilen.
En hoewel Jozua uitdrukkelijk de zon beveelt stil te staan! En zij stond stil! Neen, de wetenschap is na COPERNICUS gaan zeggen: de zon stond reeds stil en de aarde wentelt zich rondom de zon. Met behulp van deze grote dwaling heeft de Boze de terugkeer tot de Schriften in de Reformatie van zijn doorwerkende kracht beroofd.
Dáár ligt het openlijke beginpunt van de wetenschappelijke twijfel aan de Schrift. In de Middeleeuwen kwam die reeds op. Deze twijfel is ook de betrouwbaarheid van de bijbelse dateringen disputabel gaan stellen. GOETHE doorzag de gevolgen van COPERNICUS.
Het is hier niet de plaats verder in te gaan op de grote strik die de Boze door COPERNICUS de Reformatie heeft gespannen, want we willen immers over de betrouwbaarheid van de bijbelse dateringen spreken. Om echter de lezer die door deze critiek op COPERNICUS in conflict komt met wat hem in de school, in boek en krant is en wordt voorgehouden niet geheel ledig heen te zenden zij slechts opgemerkt dat ook de wetten van NEWTON geen bewijs zijn voor COPERNICUS, want deze wetten gelden ook voor een stilstaande aarde en een wentelende zon. Ook de diverse proeven die zijn genomen om de omloopsnelheid van de aarde te meten, stelden steeds weer teleur. Hun uitkomst was steeds nul. Toen kwamen de relativiteitstheorieën, laatstelijk die van EINSTEIN, waarin alles om alles draait en over heliocentrisme of geocentrisme niet eens meer zinvol gesproken kan worden.
En deze relativiteitstheorieën beginnen ook al weer in hun voegen te kraken. Maar de ruimtevaart dan, die heeft het toch wel bewezen? Het geval wil dat de ruimtevaart eenvoudigheidshalve niet eens gebruik maakt van zon-centrische astronomische modellen, maar van het aardecentrische model van de astronoom TYCHO BRAHE, die ook leefde in de tijd van COPERNICUS. De vermaarde Engelse filosoof BERTRAND RUSSELL concludeerde dat het niet te bewijzen is dat de aarde om de zon draait, maar ook niet dat de zon om de aarde draait. Inderdaad, de wetenschap is daartoe niet bij machte. Zij zou, als God, buiten de schepping moeten kunnen staan om het astronomische bestel te kunnen overzien. Informatie van buiten is nodig. Die geeft de Bijbel.
Wie hierover meer informatie wenst leze het boek van de deskundige Schriftgelovige Nederlandse Canadees WALTER VAN DER KAMP: 'Houvast aan het hemelruim', Kampen 1985, of A. KEIZER: 'Wetenschap in bijbels licht', blz. 89-93, Amsterdam 1986.
In het volgende artikel willen we spreken over de diverse pogingen die bijbelgelovige onderzoekers in het verleden hebben gedaan om een sluitende bijbelse tijdrekening samen te stellen, vanaf Adam tot Jezus Christus. Wij zullen aangeven waardoor de meesten niet tot een bevredigend resultaat konden komen. Vervolgens willen we aandacht vragen voor een bijbelse chronologie die er wel in geslaagd is alle in de Schrift gedateerde feiten in een ongekunstelde chronologische volgorde te stellen en dat onafhankelijk van buitenbijbelse informatie. De resultaten waren indrukwekkend, soms haast sensationeel. De exegese had zich echter reeds vastgebeten in haar: we kunnen niet weten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief