Uniek

1991-07-05
  • Jaargang 35
  • nummer 14
Er is veel geschreven en nagedacht over de verhouding tussen mensen en dieren en over de vraag wat de mens wezenlijk doet verschillen van het dier. In de natuurwetenschappen zijn daar heel wat theorieën over uitgedacht.
Nu is het mijn bedoeling niet daarover in diskussie te gaan, maar ik wil u laten zien welk antwoord de Bijbel geeft op de vraag 'Wat maakt de mens anders dan het dier? En u zult begrijpen, dat de Bijbel een geheel eigensoortig antwoord geeft. Een voluit religieus antwoord. D.w.z. de Schrift spreekt over de schepping van mens en dier van God uit, met de bedoeling, dat ook wij zó tegen de schepping leren aankijken. Als je de Bijbel leest moet je het biologieboek even aan de kant leggen, in het besef, dat Gods wijsheid boven onze wijsheid uitgaat.

Naar hun aard
Het scheppingsverhaal maakt direkt al duidelijk wat het verschil is tussen mens en dier. Als je goed leest, vallen een paar bijzonderheden je vrijwel onmiddellijk op. Van alles wat de aarde voortbrengt wordt gezegd, dat het geschapen is 'naar hun aard'.
We nemen als voorbeeld vs. 24: "En God zeide: dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo".
Dieren zijn geschapen naar hun aard.
Kenmerkend voor de dieren is, dat ze behoren tot een soort en dat bepaalt in belangrijke mate ook hun gedrag.
Dieren kom je tegen in soorten en elk soort vertoont een eigen gedrag. Als er gevaar dreigt gaat een hond blaffen, een musje houdt zich doodstil, en een stinkdier gaat er even flink tegen aan.

Mijn beeld. mijn gelijkenis
Bij de mens ligt dat anders. De mens heeft ook een aard. Mensen reageren vaak gelijk in overeenkomstige situaties, máár dat is niet het meest typerende voor de mens. Wat de mens nu juist zo kenmerkt, is dat hij in relatie tot God is geschapen. De mens mag in een geheel eigen relatie met God leven. Dat maakt hem zo bijzonder, zo uniek!
En zo brengt de Bijbelschrijver de schepping van de mens ook ter sprake. In een door God gewilde verhouding.
Als God de mens schept, dan gaat Hij heel intensief bij Zichzelf te rade, wat wordt uitgedrukt met de woorden: "Laat ons mensen maken ..." Je zou haast zeggen: aan de schepping van de mens ligt een apart raadsbesluit van God ten grondslag. God wil van dit schepsel iets bijzonders maken, iets wat hem onderscheidt van al het andere, dat Hij geschapen heeft.
Dit schepsel zal in een persoonlijke relatie tot God zelf staan. Zó, dat God zeggen kan: dit is mijn beeld, mijn gelijkenis.
In de relatie tot de Schepper wordt de mens pas echt mens. Dat betekent, van de mens uit gezien: luisteren en antwoorden. Ten volle partner van God zijn.
Net als het dier is de mens nauw met de aarde verbonden. Zie hoofdstuk 2:7, waar gezegd wordt: "toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens een levend wezen." De mens is uit de aarde genomen. (Iets soortgelijks werd in 1:24 ook gezegd van de dieren.
"Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard ..."). Toch beziet de Bijbel de mens niet allereerst vanuit de aarde, maar vanuit God. Zo kijkt God tegen de mens aan: mijn beeld, mijn gelijkenis. De partner, die mijn Woord beantwoordt. Dát bepaalt wezenlijk het gedrag van de mens. Niet z'n aard, maar het horen naar de stem van God.

De donkere wolk
Het mens-zijn in al z'n aspekten is één grote verwijzing naar God. God heeft Zichzelf groot gemaakt in de mens.
Zegt de Psalm niet: "Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond".
(Ps. 8:6) De mens, als schepping, mag één stralende jubel zijn op de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde.
Maar dan schuift over dit mens-zijn die donkere wolk van de zondeval.
Het niveau van Gen. 1 wordt door geen mens meer gehaald. Hij laat zich, vanwege de zonde meer leiden door het vlees (z'n door de zonde bedorven aard), dan door de Geest (leven naar het beeld, dat God van hem heeft).
Als mensen nog maar weinig Geest bezitten en slechts handelen naar hun aard, dan worden ze in de kortste keren aan de beesten gelijk. Dan is het dier zelfs meer een verwijzing naar God dan de mens.

Een nieuwe mens
Maar God zij dank, Gen. 3 eindigt niet in de mineur, want God, de Heer, gaat onmiddellijk op zoek naar de ware mens. Op aarde vindt Hij die niet en daarom doet Hij hem van bovenaf geboren worden. Ja, hij is echt mens, geboren uit een vrouw (laat daar geen twijfel over bestaan), maar de oorsprong van deze mens ligt niet op de aarde, maar in de hemel.
Hij is uit God en daarom hét beeld van God (2 Cor. 4:4, Col. 1:15) en door Hem worden wij weer nieuwe mensen, die volledig beantwoorden aan de bedoeling van God met zijn schepping ... Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping" (2 Cor. 5:17).
Radikaler kan de vernieuwing van het leven niet worden omschreven. In de verzoening door Christus grijpt God over Gen. 3 terug naar Gen. 1. Naar het beeld dat God zich van de mens gevormd heeft, toen Hij bij Zichzelf te rade ging en zei: ..Laat ons mensen maken ......

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief