(Nog wel niet het laatste woord over) Israël (3, slot)
1991-07-05
Zoals ik al aankondigde heeft de emeritus hoogleraar professor J. Kamphuis ook een duit in het zakje van ons gesprek over Israël gedaan. Ik wou hem maar eens integraal aan het woord laten komen. Van een gedicht kun je geen uittreksel maken. Professor Kamphuis' bijdrage is weliswaar geen gedicht maar wanneer ik hem verkort zou weergeven ben ik bang dat ik hem wat de toon van zijn artikel betreft tekort zou doen. Dat de Kamper hoogleraar vriendelijk en charmant kan schrijven wisten we al langer; dat hem dit vermogen naar een van ons toe bijblijft is minder bekend. Ook daarom laten we ons de volledige tekst van zijn column, overgenomen uit het Nederlands Dagblad van zaterdag 1juni jl., niet ontgaan. (Een tweede reden is dat ik niet sterk ben in het geven van een samenvatting.) Wel veroorloof ik mij hier en daar een cijfertje te zetten dat verwijst naar mijn puntsgewijze reaktie op zijn verhaal.- Jaargang 35
- nummer 14
Evangelieverkondiging onder de Joden
door prof. J. Kamphuis
De roeping ontkend'
Moet het evangelie ook aan de Joden worden verkondigd? We kennen vanouds in de Gereformeerde Kerken de drieslag 'zending onder Joden, heidenen en mohammedanen'. Mag die drieslag gehandhaafd? Is hier één roeping - het evangelie verkondigen aan wie daar niet van weten - in een drievoudige zin? De vraag is niet: hoe zullen wij voor ons deze roeping concretiseren?
Daar gaan natuurlijk allerlei overwegingen een rol spelen. Dan moeten we ook in het afwegen van de argumenten wijsheid van boven verwachten en is het gebed onmisbaar om concreet de weg van de Here te zien. Maar nu is de vraag in algemene zin: geldt die drieslag voor ons als gemeente van Christus, die uit het evangelie leeft én onder de roeping het evangelie ook te (doen) verkondigen?
Het wordt ontkend van de kant van het blad 'Christenen voor Israël' met verwijzing naar de positie van Israël, als nog altijd het eigen volk van God. De heer Pee Koelewijn schrijft: "God zal zelf met zijn volk klaar komen". En als mensen daarbij worden ingeschakeld, dan is hier aan de Joden onderling te denken. Wij moeten terzijde met onze geschiedenis van de 'holocaust', enz.
Een erbij komend advies
Drs. H. de Jong kan zeker niet verdacht worden van een filosemitisme dat in de kring van 'Christenen voor Israël' heerst. Hij valt in het blad 'Opbouw' toch Koelewijn bij. Zijn beschouwing is in de 'Geret. Kerkbode van het Noorden' overgenomen in de Persschouw door ds. Tj. Boersma, die voor De Jongs betoog aandacht vraagt. De Jong zegt: Paulus wilde na zijn bekering ook het evangelie onder de Joden te Jeruzalem brengen (verg. wat Paulus vertelt in Hand. 22:17, 18).
Maar de Here was 'wijzer' en zei tegen hem: "Haast u en vertrek spoedig uit Jeruzalem, want zij zullen van u geen getuigenis over Mij aannemen. "
En dan vervolgt De Jong: "Paulus had moeten inzien dat hij daarvoor nu niet de geschiktste figuur was. Enig psychologisch inzicht zou hem niet misstaan hebben. Hij had tenslotte in een ogenblik tijd een draai van 180 graden genomen. Dat zette natuurlijk kwaad bloed bij zijn vroegere geloofsgenoten.
Die zijn nog altijd boos op hem.
Van Paulus wilden en willen zij de goede boodschap niet horen. Zo nu moeten ook wij verstaan dat de Joden van ons West-Europeanen geen getuigenis over Jezus Christus zullen aannemen.
Daarvoor is er teveel gebeurd en door ons christenen ook teveel nagelaten in de achter ons liggende eeuwen. Inderdaad zijn wij voor het brengen van het goede nieuws aan hen niet de eerst-aangewezenen."
Dit 'bijbels-psychologisch' argument wil De Jong nog met een, laat ons zeggen 'heilshistorische' redenering versterken". De gemeente in Jeruzalem werd gekenmerkt door een middelpuntvliedende kracht: van "Jeruzalem en geheel Judea en Samaria tot het uiterste der aarde", Hand. 1:8. Wij lopen gevaar "het achterhaalde middelpunt van het tegenwoordige Israël en Jeruzalem te zoeken (-) wij moeten als christenen Israël eens wat meer met rust laten". Dan kan een 'zwarte evangelist' uit de Derde Wereld t.z.t.
Tel Aviv nog wel eens aandoen!"
Het advies gewogen
Ds. Boersma noemt dit advies van "ver strekkende" betekenis. Is er wel een speciale opdracht het evangelie aan de Joden te verkondigen?
Ik geloof van die verre strekking niet zoveel. Eigenlijk niets. Paulus hàd al de speciale roeping tot de heidenen te gaan (Gal. 1:16). Daaraan werd hij, toen hij in extase was in de tempel in Jeruzalem, herinnerd. Hij moest zich aan zijn éigen werk houden. Het gaat niet aan dat zo maar in de persoonlijke concretisering naar ons, Nederlandse christenen, over te brenqen".
Naast Paulus met het evangelie voor de onbesnedenen staat Petrus met de taak het aan de besnedenen te brengen, Gal. 2:7,8. Dat 'naast elkaar' naar de beschikking van de Here moet Paulus erkennen. Ik lees in Hand. 22 ook niet van wat De Jong erin leest, dat Paulus had moeten bedenken, dat hij met z'n draai van 180 graden niet de eerst aangewezene was en - volgende sprong - dat wij dat nu ook niet zijn.
Het is dit keer: inlegkunde bij een bekwaam uitlegger. Zelfs Homerus slaapt wel eens.
De roeping
Wanneer de apostel had moeten bedenken dat hij in psychologisch opzicht de aangewezen man niet was, waarom predikte dan Paulus op zijn reizen het evangelie altijd eerst aan de Joden, in de synagoge? Waarom riep hij te Rome gekomen "de voormannen der Joden" bij zich om met hen over "de hoop van Israël" te spreken (Hand. 28:20)? Ná verwerping van zijn woord zegt hij niet: dit was een psychologische blunder van mij, maar: de profetie heeft gelijk: "het hart van dit volk is vet, het oor hardhorend, het oog is gesloten" (Hand. 28:25)s Z6 blijkt dan de weg naar de heidenen te lopen, vers 28. Maar Paulus was een uitverkoren instrument om Christus' naam uit te dragen (allereerst) voor de heidenen en koningen, (maar dan ook) voor de zonen van Israël (Hand. 9:15).
De roeping is universeel en blijft universeel.
Terecht zegt ds. De Jong - en daarin herken ik zijn stem - "Israël staat net als alle andere mensen onder de wet dat wij alleen door het geloof in Jezus Christus behouden worden".
Ik zou liever spreken over 'het Joodse volk'. Maar dat is een tweede en niet zo belangrijk in dit verband.
Nooit de universaliteit van het Evangelie te kort doen! Daarom ook nooit de universaliteit van de roeping van het Evangelie te brengen verkorten.
Wanneer we die roeping erkennen, zoeken we dan een "achterhaald middelpunt"?
Dat hangt er helemaal van af. Als je het Joodse volk een uitzonderingspositie geeft en dáárom dit adres van de prediking prioriteit geeft, dan zit je fout en is er een judaïserende trek in je denken. Maar als je aan het universele evangelie vasthoudt en daarom aan de universele roeping -, ja dan kàn het zijn dat je op joodse eigengerechtigheid stuit, waardoor de grond een rotsbodem is, die weigert het zaad van het evangelie te ontvangen. De kracht van eigengerechtigheid in religieuze zin of in geseculariseerde vermomming moeten we niet onderschatten. Het altijd maar roepen 'het is toch Gods volk' kan olie op het vuur van het zionisme werpen!
Maar het heil dat 'uit de Joden' is (Joh. 4), heeft als adres nog steeds heel de wereld van God, ook hen die naar het evangelie wel vijanden zijn, maar naar de verkiezing geliefden om der vaderen wil, Rom. 11,28.
Dàt woord zit niet opgesloten in de eerste eeuw!
Is 'ons' verleden belast? Dan met des te meer ootmoed bedenken, dat Gód het is die de wasdom geeft naar zijn wetbehaqen".
1. Ik ben er niet gelukkig mee dat ik gerekend zou moeten worden tot degenen die in algemene zin de roeping tot evangelieverkondiging aan de Joden zou ontkennen. Ik ben destijds niet zomaar als getuige-deskundige opgetreden in de rechtzaak tegen het echtpaar Goeree dat zich met het evangelie tot de Joden wendde. Ik had en heb geen goed woord over voor de ruwe methoden waarvan ze zich bedienden, maar voor het recht om ook de Joodse medemens met het evangelie te benaderen ben ik publiek opgekomen. En wel om reden dat een christen altijd naar een gelegenheid daarvoor zal blijven zoeken. Daar sta ik nog steeds achter. En ook wanneer ik nu beweer dat wij West-Europeanen niet de eerst aangewezenen zijn om het evangelie aan de Joden te brengen moet dat niet opgevat worden als een bijval aan de opvatting die bedoelde roeping kategorisch ontkent ('een erbij komend advies', zoals een kopje in het artikel het noemt). Wanneer Kamphuis dan ook schrijft: "De vraag is niet: hoe zullen wij voor ons deze roeping concretiseren?", heeft hij m.i. ongelijk en moet ik zeggen dat dit nu juist wel mijn vraag was. En als hij vervolgens zegt dat bij die vraag naar het hoe allerlei overwegingen een rol gaan spelen, dan is dat precies het nivo waarop ik mijn opmerking heb gemaakt. Tot die overwegingen zou namelijk de vraag kunnen behoren of wij West-Europeanen niet beter naar een meer indirekt aandeel in de evangelieverkondiging aan de Joden kunnen omzien door steun te verlenen aan mensen die niet of minder psychologisch belast zijn. Een evangelieverkondiging aan de Joden vanuit de Amerikaanse of Canadese kerken bijvoorbeeld zou door het genoemde bezwaar al veel minder gedrukt worden.
2 Hoewel ik mijn bedoeling er niet in herken heb ik tot deze opmerking van Kamphuis wel enige aanleiding gegeven.
Maar met het aanwijzen van die heilshistorische weg-van-Jeruzalembeweging in de bijbel wilde ik toch eigenlijk meer een ideologisch bepaalde (zendings)bemoeienis met Israël de pas afsnijden. Je hoort immers wel de opvatting verkondigen dat het evangelie na zijn tocht over de wereld zijn 'thuis'(?)land weer gaat opzoeken en dat daarmee de heilsbedoeling van God haar klimax zou bereiken.
Ik kan daar onmogelijk in meegaan.
Het zou betekenen dat de gemeente uit de volken op deze manier in de kleine lettertjes van de kerkgeschiedenis terecht kwam, als een soort interim bij wat uiteindelijk altijd een Israëlse aangelegenheid is gebleven.
Dat druist tegen de hele bijbel in, die immers niet met Abraham maar met Adam begint en niet met het heilige land maar met de heilige aarde eindigt.
Maar laat ik hierover ophouden, want Kamphuis en ik zijn het op dit punt volledig eens, is mijn indruk.
3 Mijn opmerking over de kerk uit de derde wereld is serieuzer bedoeld dan de frivoliserende weergave van Kamphuis suggereert. Het zou de Afrikaanse kerken goed doen wanneer ze meer oog kregen voor de Joden, de beminden om der vaderen wil die alleen alom het feit dat uit hen naar het vlees de Christus is voortgekomen altijd recht zullen blijven houden op onze liefde en respekt. Veel kerken uit Afrika zijn voortgekomen uit het zendingswerk van Amerikanen en hoeveel waardering deze ook voor hun inzet en ijver verdienen, een oudtestamentische verworteling van het geloof hebben zij de jonge christenen daar niet geboden. Was dat wel het geval geweest dan zouden onze Afrikaanse broeders en zusters de Joden nog anders kennen dan alleen via hun gehaaide Zionistische staat die zoveel op de trotse Verenigde Staten lijkt.
Naast de vernederende Entebbeervaring (weten we het nog: met een overweldigende overmacht van techniek en vernuft een gegijzelde vliegtuigbevolking in hartje Afrika uit handen van de wrede onverlaat Idi Amin gaan bevrijden - wat nog lukt ook?), die zweepslag in het Afrikaanse gelaat die niet alleen in Uganda een woedend gevoel van minderwaardigheid heeft achtergelaten, zou er dan een besef van verbondenheid zijn ontstaan, het weten ook van een blijvende ereschuld aan de vleselijke kinderen van Abraham die het best kan worden ingelost door hen te laten delen in datgene waar we zelf het allergelukkigst mee zijn. Het is werkelijk heel jammer dat het Oude Testament in de Afrikaanse kerken zo weinig bekend is. Onze zending op dat kontinent valt daar gelukkig niet voor te blameren, getuige bijvoorbeeld het proefschrift van de in Zuid-Afrika werkzame dr. B. Wielenga waarin het Oude Testament en de christelijke zending nadrukkelijk met elkaar worden verbonden. (Helaas wacht dit lijvige boek al lange tijd op bespreking in Opbouw.) En zelf heb ik mijn leeropdracht in Bangui ook steeds in dat perspektief willen zien.
Toen ik dus naar de Afrikaanse kerken wees als degenen die de taak van evangelie-verkondiging aan de Joden van ons Westeuropese christenen, psychisch geblokkeerd als we op dit punt zijn, zouden kunnen overnemen, was ik behalve op het heil van Israël ook op dat van Afrika bedacht. Dat kwam er zo niet uit maar ik grijp de gelegenheid die Kamphuis mij biedt aan om me op dit punt te verduidelijken.
4 Wanneer gaat zoiets dan eigenlijk wel aan? Het is toch niet verboden de Schrift als een scholing in praktische wijsheid te ondergaan? Natuurlijk zijn situaties nooit gelijk, maar is het nu juist niet de kunst om in het ongelijke het overeenkomstige op te merken?
Wanneer we wachten tot de situaties van de Schrift terugkeren zoals ze zich voordeden dan frustreren we het praktische bijbelgebruik. De Schrift is ons ook tot wijsheid gegeven.
5 Het is waar, Paulus heeft de Joden in de verstrooiing wèl met het evangelie benaderd. Maar mijn punt was qat God hem bij dat werk onder de Joden in Jeruzalem, temidden van wie hij eerder geleefd had, weggehaald heeft.
Daar was hij duidelijk niet de meest aangewezen persoon voor. Dat ze hem eerder in Jeruzalem zo totaal anders gekend hadden, dat leverde de blokkade op. Zijn verleden stond hem in de weg - zoals dat bij ons ook, maar weer anders, het geval is. Tegenover de Joden in de verstrooiing stond de apostel vrijer. Dat geldt mutatis mutandis (= nadat gewijzigd is wat wijziging behoeft) ook voor de christenen in Amerika, Canada of Afrika die minder gemakkelijk dan wij West-Europeanen met Auschwitz in verband te brengen zijn. Natuurlijk blijft het mogelijk zulke anderen wanneer zij inderdaad de taak van ons zouden overnemen te ondersteunen. Psychologische bezwaren zijn met enige vindingrijkheid altijd te ondervangen.
6 Zo nog wat doormijmerend over het verschil tussen professor Kamphuis en mij schiet me een latijnse zegswijze te binnen: fortiter in re, suaviter in modo (= krachtig in de zaak, gemoedelijk in de behartiging ervan). Krachtig bepleit Kamphuis de universaliteit van het evangelie en ik val hem daarin bij. Zou hij het mij eens kunnen worden dat in de behartiging van wat ons beiden hoog zit het psychologische argument niet misplaatst is? Het komt me voor - en nu verlaat ik ons verschilletje en probeer iets algemeners te zeggen - dat de beide kerken waartoe wij behoren gevaar lopen zich elk in een deel van dat latijnse motto te verschansen, terwijl dat 'fortiter' en 'suaviter' alleen maar samen iets bruikbaars opleveren. Voorlopig echter zullen we nog wel door de komma tussen de beide zinsdelen gescheiden blijven. Maar geen (al te grote) nood, een komma is geen punt.