Persschouw
1991-07-05
Rouwtaken voor achterblijvende partner - Jaargang 35
- nummer 14
Verdriet moet tijd hebben
's Morgens was hij gewoon vertrokken.
Ze had hem weg zien rijden. Om een uur of vier in de middag kwam de politie aan de deur. "Wij hebben u een heel droevige mededeling te doen", zeiden ze. "Uw man heeft een autoongeval gehad. "
Ze vroeg naar welk ziekenhuis ze hem hadden gebracht. De agenten stamelden dat hij niet meer naar een ziekenhuis hoefde. Langzaam drong het tot haar door: Was hij dan dood? De agenten bevestigden dat haar man bij het ongeluk was omgekomen. Ze bleef als vastgenageld aan de grond staan en kon geen woord meer uitbrengen.
Huilen kon ze ook niet. Het voelde alsof alles versteende. Ook in de volgende dagen kon ze niet huilen. Ze was totaal verdoofd en de hele tijd tot zelfs na de begrafenis drong de realiteit niet tot haar door. Pas na weken begon het verdriet haar te overmannen en pas na een maand kon ze eindelijk huilen.
Een weduwe van 38 jaar bleef met drie opgroeiende kinderen achter.
Het komt dagelijk voor dat er fatale boodschappen worden gebracht over het plotseling overlijden van een geliefde.
Het komt dagelijks voor dat mensen alleen achterblijven. Dagelijks worden in mensenlevens zulke onherstelbare beschadigingen aangebracht.
Alleen blijven ze achter: het ergste dat iemand kan overkomen.
Rouwen om het verlies van een geliefde is een zeer ingrijpende zaak.
Vorig jaar schreef ik hierover en kreeg toen nogal wat reacties. Ik vermeldde toen dat de rouw in fasen verloopt; het zijn a.h.w. bepaalde toestanden waar men doorheen moet.
Er is echter meer dan alleen maar gelaten door die fasen heen zien te komen. Onlangs schreef een klinisch psycholoog uit Leuven een artikel waarin hij aangeeft dat we beter niet kunnen spreken van rouwfasen, maar van rouwtaken. De mens die achterblijft, moet zelf iets doen om door de moeilijke fasen heen te komen. Maar eveneens dient de rouwende hulp te krijgen om dat moeilijke proces goed te doorstaan.
Welke rouwtaken heeft een achterblijvende te vervullen?
Na het verlies zien we vaak dat er een hevig verdriet met veel huilen optreedt.
Ook komt er nogal eens angst en opwinding voor. Men lijdt aan slapeloosheid en heeft geen zin in eten.
De verschijnselen lijken wel op die van een depressiviteit. Het heeft echter veel meer te maken met het feit dat iemand uit het evenwicht is geslagen.
Alle arbeid die moet worden verricht dient ervoor om weer in evenwicht te komen.
Rouwtaken
In de eerste plaats dient men de realiteit van het verlies te aanvaarden. Het is nodig om bewust ermee bezig te zijn, om te bedenken dat de overledene nooit meer terugkomt. Dat kost erg veel moeite. Men heeft vaak de neiging om de dood te ontkennen, hoort weer de stem en ziet hem of haar weer lopen. Het is heel normaal dat deze beelden aanwezig zijn. Toch zal men moeten proberen onder ogen te zien dat het afscheid definitief is.
Een tweede taak is om de pijn van het verlies te ervaren. Dit is nog moeilijker dan het vorige. Pijn probeer je immers zoveel mogelijk te vermijden. Toch kan het niet anders; men moet door de pijn van het verlies heen. Men moet er bewust aan werken om de pijn te voelen, om toe te laten dat men gekweld wordt door verdriet. Het kan niet zo zijn dat een verlies goed wordt verwerkt als men telkens maar de pijn wegdrukt.
Als derde rouwarbeid krijgen we te maken met het aanpassingsproces aan de omgeving. Men moet zich gaan realiseren dat men verder moet zonder partner, zonder degene waarvan men zoveel heeft gehouden. Dit vergt ook veel energie. Soms moet men dingen leren die anders de ander altijd deed: administratieve of huishoudelijke zaken.
Een laatste taak is om weer energie te steken in het opbouwen van nieuwe relaties. Men moet zich bewust losmaken van de overledene en energie gaan stoppen in relaties met anderen.
Lang duren
Als we zo eens nagaan hoeveel energie het kost om weer in evenwicht te komen, zal het niet verbazen dat rouwen lang kan duren. Het verdriet moet zijn tijd hebben en het is niet abnormaal dat pas na een paar jaar men iets over het verdriet heen is. Sommigen komen er zelfs nooit overheen en blijven steken in de onvoltooide rouwtaken.
Dit belemmert de groei en ontwikkeling.
De psycholoog Keirse zegt dat men pas van een voltooid rouwproces kan spreken als alle vier rouwtaken zijn voltooid. Het einde is dan een 'integratie' in een nieuwe leefwereld. De persoon kan aan de overledene denken zonder pijn, zonder van streek te raken.
Vergeten kan echter nooit. Men zal over de overledene moeten blijven spreken.
Rouwen moet dus tijd hebben, maar mogen we dan stellen dat die tijd alle wonden heelt? Zo is het niet. Mensen hebben vaak de neiging om tegen de rouwende te zeggen dat er wel weer betere tijden komen. We kunnen hier spreken van vluchtgedrag van de omgeving.
Men durft eigenlijk niet met de achterblijvende over diens verdriet te spreken. De tijd heelt niet alle wonden.
Men moet er zelf aan werken, maar men moet ook steun krijgen van anderen.
Het heeft jaren geduurd voor de 38-jarige vrouw die ik in het begin noemde, zichzelf kon redden. Pas na vier jaar ging ze zich weer met haar omgeving bemoeien. In die omgeving sprak men over haar in de zin dat ze teveel zelfmedelijden zou hebben. Ze werd door niemand geholpen. Ook de gemeente bemoeide zich niet meer met haar. Pas toen ze hulp kreeg van een maatschappelijk werker, is ze gaan inzien dat ze zelf aan haar probleem moest werken. Het 'omzien naar elkaar' heeft bij haar volledig gefaald.
Mensen die alleen achterblijven voelen zich vaak nog eenzamer omdat ze niet worden begrepen door anderen.
Dat maakt het voor hen nog moeilijker om weer goed in evenwicht te komen.
Dit artikel, geschreven door Doeke Post, knipten wij uit het 'CENTRAAL WEEKBLAD'. Het snijdt een veelzijdig onderwerp aan, dat zeker aktueel genoemd mag worden. Hoe gauw en hoe lang kan een rouwende medemens zich niet opsluiten binnen de enge cirkel van zijn intens verdriet!
De reaktie van de buitenwacht daarop is zonder meer duidelijk. Men verbreekt vaak het kontakt. Ergens begrijpelijk!
En toch klemt de vraag of wij per se moeten kapituleren voor de distantie, die iemand, die met zijn gemis niet kan klaarkomen, ten opzichte van de anderen schept. Moet zo iemand eigenlijk niet beschermd worden tegen zichzelf?!
Moeten wij tegen de mens in nood bij herhaald appèl niet zeggen, dat wij het kontakt begeren om alleen maar klankbord te zijn?! Misschien komt er dan door Gods goede hand toch een opening en kunnen wij zó iets voor de ander, die een gevangene geworden is van zichzelf, betekenen!
Enschede, O. Mooiweer