Publieke eredienst
1991-07-19
De uitdrukking de 'naam des Heren aanroepen' kom je nogal eens tegen in de Bijbel, m.n. in het psalmboek. Het is min of meer een technische term geworden voor het gebedsleven, maar ook voor de eredienst. Op dat laatste wil ik nu de nadruk leggen. Het aanroepen van de naam des Heren als karakterisering voor het nouden van de eredienst als een publieke zaak.- Jaargang 35
- nummer 15
Ik heb twee Schriftgedeelten samengenomen, waar dat aanroepen van Gods naam niet alleen een smeekgebed tot God is, maar ook'een publiek getuigenis t.o.v. hen, die van Gods naam niet willen weten.
Lamech
Allereerst Gen. 4, dat bekende hoofdstuk over Kaïn en Abel en hun (geestelijk) nakomelingschap. Kaïn, de geweldenaar, die uit woede tegen God z'n broer doodslaat. En Kaïns nageslacht blijkt nog veel gewelddadiger te zijn dan Kaïn. De lijn van Kaïn vindt haar 'hoogtepunt' in Lamech. Bij Lamech is het geweld ongelimiteerd. Hij kent geen enkele remming. Hij keert zich tegen z'n naaste in een maat, die alle perken te buiten gaat. 'Meer dan Kaïn is hier', dat zou je de lijfspreuk van Lamech kunnen noemen.
"Kaïn wordt zevenvoudig gewroken, maar Lamech zevenenzeventig maal'.
Lamechs vergeldingsdrang is buiten elke proportie. "Ik sloeg een man dood om mijn wonde, een knaap om mijn striem." Wijs niet met je vinger naar Lamech, want je ligt in de kortste keren in het ziekenhuis.
Lamech heeft drie zonen. Jabal, Jubal en Tubal-Kaïn. Zij worden getypeerd in een merkwaardig soort vaderschap.
Ze worden genoemd: de vader van hen, die in tenten en bij de kudde wonen, de vader van allen, die citer en fluit bespelen, de vader van de smeden, allen, die koper en ijzer bewerken.
Waarin zijn de zonen van Lamech groot geworden? In het beheersen van de schepping op een veelheid van terreinen. Daarin ligt hun vaderschap, hun meesterschap. Zij brengen een' geslacht voort, dat zich sterk maakt in de moqelljkheden; die zij zelf ontwikkelen.
Daarin ligt hun kracht, daardoor denken zij te overleven. En God hebben zij niet nodig.
Enos
Tegenover de lijn van Kaïn naar Lamech laat de Schrift ons een andere lijn zien, die van Abel via Seth naar Enos. Deze lijn wordt getypeerd met de woorden: "Toen begon men de naam des Heren aan te roepen".
(4:26).
Hier ontmoeten we een volk, dat zich niet sterk waant in zichzelf, maar dat zijn kracht zoekt in het aanroepen van Gods Naam. "Onze hulp is in de naam van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft."
Een mensengeslacht, dat de macht van de zonde onder ogen ziet, en dat gaat schuilen bij de Almachtige. Zij zullen de Kaïnieten bezig hebben gezien, zij zullen gekonfronteerd zijn met hun goddeloze praktijken, ze zullen meer dan eens (denk aan Abel) het slachtoffer zijn geworden van het beestachtige en gewelddadige optreden van de Kaïnsmensen. Maar zij zoeken niet hun kracht in zichzelf, ze zeggen niet: om te overleven zullen we ieder, die ons een strobreed in de weg legt, uitmoorden, maar zij maken zich sterk in God.
Ook de mensen uit het geslacht van Seth en Enos zullen zich ontwikkeld hebben. Zij zullen de handen uit de mouwen hebben gestoken in de strijd tegen de weerbarstige schepping, maar daar stellen ze niet hun vertrouwen op. Zij vertrouwen op God en gaan daarom, bij wijze van spreken, naar de kerk. In de strijd tegen de boze roepen zij Gods naam aan.
Daarin ligt hun kracht. In het gebed.
De voorbede, de lofprijzing en dankzegging.
De eredienst aan God, daar steken zij veel tijd en energie in. Dat is hun wapen tegen de Kaïnieten. En daar schamen zij zich niet voor, daar komen ze rond voor uit. De Heer is onze Helper. Hij zal ons redden.
Abraham
Ook aartsvader Abraham kreeg in Kanaän te maken met een volk, dat de Here niet kende. Vanuit Haran komend, trekt Abraham het hele land door tot bij de plek Sichem, tot de terebint Moré (12:6). En dan staat er in datzelfde vers een veelzeggende opmerking: "en de Kanaänieten waren toen in het land". D.w.z. Abraham kwam in een volslagen heidense omgeving, in een land waar de afgoden hun voeten stevig in de aarde hebben gepoot.
Naar men aanneemt wordt met de plek bij Sichem, de terebint Moré, een kultusplaats van de Kanaänieten bedoeld.
Een heilige plaats dus. De Groot Nieuws-vertaling geeft dit vers als volgt weer: "Abram trok het land door tot bij de eik van Moré, een heilige plaats in de buurt van Sichem." Wanneer Abraham oog in oog staat met deze kultusplaats van de Kanaänieten (in het hart van het heidense land), verschijnt de Here aan hem en zegt: "Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven." In dit land, dat nu nog in de greep ligt van de Kanaänitische vruchtbaarheidsreligie, zullen je kinderen wonen en Mij dienen. God proclameert zijn Koninkrijk. In antwoord op deze belofte van God bouwt Abraham daar een altaar. Pal voor de deur van de plaats, waar de Kanaänieten hun goden vereren. D.m.v. dat altaar neemt Abraham in naam van God het land in bezit: dit land is van God. Hier zal het Koninkrijk van God zich baanbreken.
En dan lezen we, dat Abraham, die voortdurend verder moet trekken (vanwege een godsdienstige konfrontatie met de Kanaänieten?), op elke plaats, waar hij een altaar bouwt, de naam des Heren aanroept. In Kanaän, waar tot nu toe alleen 'erediensten' voor de afgoden werden gehouden, wordt nu ook de eredienst gehouden voor de God, die Abraham geroepen heeft. De eerste kerkdiensten in het beloofde land zijn begonnen.
Afrika
Het is als met een zendeling, die in een volslagen heidense omgeving terecht komt. Zo gauw als het kan bouwt hij een kerkje, d.w.z. het samenkomen van de christelijke kerk is een publieke aangelegenheid. Iedereen mag het zien en horen. Alle mensen mogen het weten: Onze hulp is in de naam van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft. .
Naar de kerk gaan zou je een openbare demonstratie kunnen noemen.
Wij verwachten het in dit leven van de Here. Hij is onze Heer en Verlosser.
En dan denk ik aan die kleine zwarte kerkjes op het zendingsterrein in Natal.
De gemeenten worden bedreigd door het geweld tussen het ANC en Inkatha. Onder de christenen zijn doden gevallen, onder wie ds. Ncwane van Umbubulu. Ze worden gedwongen om te kiezen. Maar wie je ook kiest, je kiest altijd voor het geweld. En in die situatie, waarin de boze lijkt te triomferen, belijdt die gemeente van de Here Jezus: Onze hulp is in de naam van de Here! Wij verwachten de oplossing voor Zuid-Afrika van God. Niet het geweld, maar de Geest van Jezus Christus maakt een mens, een natie, waarlijk vrij.
De naam des Heren aanroepen, het lijkt zo gemakkelijk, maar het heeft geweldige konsekwenties. Want de boze zit niet stil. Waar de vlag van het evangelie geplant wordt, daar kan een geestelijke strijd niet uitblijven.