Pastorale notitie
1991-07-19
J. Kranenburg, Kampen - Jaargang 35
- nummer 15
Troost
In het overlijdensbericht van mijn moeder - zij stierf vele jaren geleden, staat dat de Here haar tot Zich heeft genomen. Wij geloven dat en het troost ons, maar als het aan ons, haar kinderen, had gelegen zou dat er niet gestaan hebben.
Ik weet nog hoe dat gegaan is.
Wij waren na haar sterven bij elkaar in de zeer kleine familiekring, in dat merkwaardig soort verdriet van volwassenen die een vader of moeder verliezen. Een verdriet waarop je niet meer gerekend hebt en waarmee je ook een beetje eenzaam bent. Ze vinden allemaal dat je geen reden- hebt om al te zeer te treuren want ze was er klaar voor en je mag blij zijn dat je haar zo lang hebt mogen houden.
Schrale troost, noemen ze dat.
De begrafenisondernemer verscheen.
Een man die vergrijsd was in het vak en één, die vanuit het christelijk geloof zijn beroep uitoefende. Dat was merkbaar.
Maar hij was wel behept met de eigenaardigheden die bij zijn beroep oessen. Ontkom daar maar eens aan.
Kritisch bekeek hij de tekst van de rouwbrief die al klaar lag. Hij zei - en het klonk een beetje vermanend: Hier staat dat de Here haar van u heeft weggenomen. Zou het niet beter zijn als we daarvan maakten dat de Here haar tot Zich heeft genomen?
Erg weerbaar ben je in zo'n uur niet en voor vrome woorden ga je meteen plat. We stemden dus zonder bedenken voor dit amendement. Zo is het gekomen.
We hadden dat niet moeten doen.
We hadden moeten bedenken dat verdriet van de Here God mág en dat een mens daaraan ook uiting mag geven en dat de ander dat niet meteen mag vertrappen met vrome overwegingen.
Dat drong nog eens helder tot mij door uit het verhaal van een goede vriend.
Een leeftijdgenoot die tot zijn 20ste jaar rooms geweest is. Toen ontmoette hij een gereformeerd meisje en ging om haar over naar de qeretormeerde kerk. "Om haar" denkt u nu stiekum.
Nou en? Je kunt slechter motieven hebben om gereformeerd te worden of te blijven.
Zijn overgang heeft hij nooit betreurd en wat ik zo in hem prijs is dat hij met liefde kan vertellen over het rijke roomse leven in het Brabantse land zonder ooit met één woord het nest te bevuilen waaruit hij komt.
Van hem komt dit verhaal.
Zijn zuster verloor door een ongeluk een zoontje.
Hij ging er heen en zat bij haar met dat benauwde gevoel dat je toch wát moet zeggen. Na lang aarzelen zei hij zo ongeveer: "We moeten maar bedenken dat hij nu daar is, waar we eens allemaal hopen te komen".
De treurende moeder was even stil.
Toen zei ze, en het klonk misschien een beetje pinnig: "Daar kan hij nog lang zat zijn, maar ik had liever dat hij nu nog een poosje bij ons was."
Daar klinkt Brabantse vrijmoedigheid in door, in zo 'n antwoord. Ja, maar ook het besef dat de Here God niet van ons vraagt dat we in uren van verdriet dingen zeggen, waar we nog niet aan toe zijn.