Pastorale notitie
1991-08-03
Ter nagedachtenis aan ir. Pit van Loo- Jaargang 35
- nummer 16
Het gebeurt regelmatig dat wij in ons blad aandacht wijden aan de nagedachtenis van predikanten en vroeger ook wel van hoogleraren. Dat is een goed ding. Wij zouden ons daarvoor zelfs kunnen beroepen op het apostolisch bevel dat wij onze voorgangers hebben te gedenken, die het woord Gods tot ons gesproken hebben. Toch getuigt het van een wat zuinige instelling bij de toepassing van apostolische woorden wanneer we ons daarbij beperken tot broeders of zusters die inderdaad gesproken hebben. Een wat royaler gebruik zou er ons toe kunnen brengen om wat vaker de nagedachtenis te eren van hen, die het woord Gods wel niet gesproken hebben, maar die het ons hebben voorgeleefd, bij voorbeeld op hun vakgebied.
Zelf had ik wel wat attenter kunnen zijn toen op 25 juni te Groningen overleed onze broeder ir. Pit van Loo. Hij werd 86 jaar. Ik wil alsnog deze notitie aan hem wijden.
Oudere lezers herinneren zich vermoedelijk nog zijn naam van artikelen die hij in de eerste jaargangen van Opbouw publiceerde.
Grote bekendheid genoot hij in het noorden van ons land. Eerst als architect-stedebouwkundige, in welke funktie hij voor verschillende groningse gemeenten werkte. In de provincies Groningen en Drenthe en in de Noordoostpolder bouwde hij als architect in zeven plaatsen kerken. Die in Haren, Emmeloord en Marknesse en mogelijk ook in andere plaatsen zijn nog als nederlands gereformeerde kerken in gebruik.
Maar al tijdens zijn jaren als student te Delft had de schilderkunst zijn belangstelling.
Zowel theoretisch als praktisch hield hij zich daar vanaf zijn delftse jaren mee bezig. In 1970 legde hij zijn werk als architect neer om zich volledig toe te leggen op het schilderen.
Als landschapschilder vooral maakte hij naam, ook door de herkenbaarheid van zijn werk.
Zijn inspiratie vond hij in het landschap van het groningse Hogeland, op het gebied rondom de Lauwerszee en op de waddeneilanden.
Om hem als christen-kunstenaar te typeren citeer ik het volgende uit de overdenking die ik bij zijn begrafenis hield.
"Pit heeft niet geloofd in christelijke kunst.
Wel geloofde hij in christenkunstenaars.
Hij was er ook van overtuigd dat een christen-kunstenaar er nooit aan zou ontkomen dat zijn geloof op een of andere wijze in zijn werk aan het licht zou komen.
Dat is bij Pit ook gebeurd.
Hij heeft geen engelen geschilderd en heeft ons geen portretten van heiligen nagelaten. Paradijselijke landschappen en zelfs pittoreske hoekjes schilderde hij zelden. Wel eerbiedigde hij in al zijn werk de door God geschapen werkelijkheid. Hij heeft de dingen nooit verminkt maar ze herkenbaar gehouden. Het is alsof hij ons in zijn werk wilde zeggen: Het zal déze aarde zijn, dit Hogeland en dit Lauwersmeer die op de grote dag, wanneer de aarde en de werken daarop gevonden zullen worden, er zullen zijn. Hij heeft de werkelijkheid gezien als schepping van God, niet op weg naar de vernietiging, maar op weg naar de voltooiing.
Het groen van de weiden en het blauw van wolkeloze luchten die zo eigen waren aan zijn werk heb ik altijd gezien als tekenen van de hoop die in hem was. Daarin kon hij zich goed vinden".
In de hoop op de dag waarop ook zijn werk gevonden zal worden hebben we hem op Selwerderhof in Groningen begraven.