Met Luther naar Afrika (2)
1991-08-30
Als onderwerp voor de door mij te geven cursus had ik 'de vrijheid van een christen' uitgekozen. Dat thema is ontleend aan de titel van een geschrift van Luther, waarin de Reformator in 1521 zijn reformatorische leer op verzoek heeft samengevat. In dat geschrift vindt men de kern van zijn reformatorische boodschap van de bevrijding van de mens door de rechtvaardiging in Christus, en ook van de vrijheid die van fundamentele betekenis is voor de ethiek. Maar eerst hebben we samen enkele passages gelezen uit een geschrift van Luther, dat hij onmiddellijk daarna geschreven heeft: het Magnificat. Dat is Luthers uitleg van de LOfzang van Maria (Magnificat betekent 'maakt groot', de beginwoorden van de Lofzang).- Jaargang 35
- nummer 18
Gods bevrijding
Duidelijker nog dan in 'De vrijheid van een christen' komt in het Magnificat Luthers ontdekking van Gods bevrijdend handelen in Christus tot uitdrukking.
Hij benadrukt dat God door Maria te verkiezen tot moeder des Heren aan rijke priesterdochters in Jeruzalem voorbij gaat. In zijn uitleg neemt Luther afstand van de gedachte, zoals die kenmerkend was voor de middeleeuwse mystiek, nl. dat God zich slechts wendt tot mensen die zich eerst voor Hem vernederd hebben. De mens wordt dan naar zichzelf verwezen: hij of zij moet zichzelf geschikt maken om Gods genade te ontvangen.
Wie recht wil doen aan Maria en haar lofzang moet zeggen, dat het omgekeerd is: Maria merkt dat God naar haar omziet en zich naar haar overbuigt; zij verwondert zich daarover.
Dat is de reformatorische ontdekking in haar kern: wij behoeven niets mee te brengen - Gods bevrijding is een geschenk. In zijn uitleg van de Lofzang van Maria leg1 Luther accenten, waaruit blijkt dat hij de kritische betekenis van de woorden van Maria heel goed heeft onderkend. Hij stelt vast dat wij naar boven streven. We spelen in maatschappij en economie een spel.
We doen met elkaar of de wereld draait om geld en invloed. We maken elkaar vandaag wijs dat de wereld om de economie draait. Dan lijkt het alsof het rijke Noorden de kern van de wereld vormt. Er is een bevrijdingstheologie, ontstaan in Latijns-Amerika, die dit aan de kaak stelt. Die bevrijdingstheologie heeft ook in Afrika invloed, die bij de studenten duidelijk te merken was. Men beseft maar al te goed in economisch opzicht onderworpen te zijn aan het rijke Westen, vooral sinds de Sovjet-Unie als geldschieter en hoeder van de socialistische zaak zich van het wereldtoneel teruggetrokken heeft. Het bleek heel ter zake hier de teksten van Luther te lezen. Het was alsof ze vandaag geschreven waren.
Maar waar de Bevrijdingstheologie vaak een is-gelijkteken plaatst tussen evangelie en bevrijding van de armen, en daarbij een appèl doet op de mens, is dat bij Luther geheel anders. Maria wordt niet het subject van een bevrijdingsstrijd, maar mag zich door het Woord van God laten inschakelen in Gods bevrijdend handelen. Door te horen en geloven. Immers - de diepste bevrijding is die uit de macht van de zonde. Bevrijding, die niet daarin haar kern heeft, blijft in de lucht hangen - hoe werkelijk ze ook lijkt te zijn.
Wezenlijk voor de bevrijding zoals de Lofzang van Maria erover spreekt, is dat God het doet. Dat mogen we bij alle aanbidding van lnvleed, geld en macht in onze wereld van vandaag niet vergeten. Gods 'revolutie' voltrekt zich langs deze weg. Die boodschap is van grote betekenis voor de kerk in Afrika, evenals bij ons. Heel duidelijk werd in die tekst van Luther ook zichtbaar, dat het een misvatting is te denken, dat kerkmensen of Europeanen in het algemeen een streepje voor hebben bij God. God verkiest tot moeder des Heren niet een meisje dat in het centrum van het kerkelijk en maatschappelijk leven thuishoort. Hij ziet om naar mensen die wij niet zien staan. Zijn 'zien' is scheppend. "Hij constateert niet wat Hem weIbehagelijk is, maar Hij schept het", zegt Luther ergens. Zulke passages werden met rode oren gelezen. Het betekent immers, dat Afrikanen hun afrikaanse identiteit niet behoeven op te geven om op europese wijze christenen te worden. Integendeel- ze mogen zich op hun eigen wijze verblijden over God, die hen vindt. Netzomin als het heil ligt in ons europese christenzijn, in onze europese geest die 'van nature christelijk' zou zijn, netzomin ligt het heil in het afrikaan-zijn als zodanig.
Maar zoals Maria met heel haar ziel, haar wezen, God looft - zo mag ook de Afrikaan zichzelf zijn en eigenlijk pas echt worden door die God te loven, over wiens genadig omzien naar ons we ons alleen maar kunnen verwonderen.
En het is van levensbelang dat we samen leren dat Gods zien niet kijkt naar macht, aanzien, geld enz., maar ons als Europeanen en Afrikanen losmaakt van deze ideologie van het rijke Westen en leert om metterdaad ernst te maken met het Evangelie van Gods genade.
De vrijheid van een christen
Daarnaast hebben we gedeelten uit Luthers geschrift 'De vrijheid van een christen' gelezen. Centraal daarin staan twee zinnen, die elkaar lijken tegen te spreken: 'Een christen is een zeer vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan' en 'Een christen is een dienstvaardige dienaar van allen en aan allen onderworpen'. In die twee zinnen brengt Luther de kern van zijn reformatorische ontdekking tot uitdrukking.
In de kerk van de Middeleeuwen heerste een moralisme, waardoor de mens klein en kort gehouden werd, onder de hoede van de kerk. De keerzijde daarvan was, dat Gods genade in Christus daaraan ondergeschikt gemaakt werd. Het gevaar is ook in de jonge kerken in Afrika acuut, dat men het christelijk geloof opvat als een nieuwe levensstijl. Daarom zijn die twee zinnen van Luther zo bevrijdend: een christen heeft alleen met God te maken, en is alleen om Gods wil dienaar van allen. Alleen - je kunt met Luther ook een verkeerde kant uit - en het is de vraag of de Reformator zelf voldoende dat gevaar heeft afgeschermd.
Men heeft Luther voor de voeten geworpen dat hij daarmee de bijbelse vrijheid heeft beperkt tot en opgesloten in het innerlijk van de mens. Als 'uiterlijke mens' moet hij dan gehoorzamen - 'Befehl ist Befehl'.
Het heeft fatale gevolgen gehad voor de invulling van de persoonlijke verantwoordelijkheid voor de politiek in lutherse gebieden. Kan er vandaag nog iets van Luther uitgaan? Kun je er ooit een ethiek inhoudelijk mee vullen?
Die vragen laten zich horen, want daar ligt ook een belangrijk verschilpunt met Calvijn. Het was verhelderend te zien, dat Luther niet een 'dubbele boekhouding' bedoeld heeft, waarbij we 'innerlijk' vrij kunnen zijn en 'uiterlijk' kritiekloos ons aansluiten bij de heersende orde. We mogen niet vergeten dat de spits bij Luther is, dat de mens de werken niet (meer) nodig heéft om zijn heil te verwerven. Onze werken geschieden niet om daarmee God gunstig te stemmen. Zo komt er ruimte om deze vraag centraal te stellen: hoe wordt de naaste geholpen? De aandacht voor de naaste in zijn of haar nood is een wichelroede voor de ethiek. Die vraag is van beslissend belang en geeft richting aan een hele ethiek.
Vrijheid en noodzakelijkheid
AI was de spits van de cursus gericht op de vragen van de ethiek - de studenten waren zeer leergierig en stelden vele vragen. Een belangrijke vraag, die steeds terugkeerde was die naar de gedetermineerdheid van de werkelijkheid. Anders gezegd: moeten we zeggen dat alles in de wereld met een ijzeren noodzakelijkheid gebeurteen noodzakelijkheid, die direct op God terug te voeren is? Met die vraag is men in de griekse oudheid en in de Middeleeuwen al fundamenteel bezig geweest. Maar hij speelt ook in Afrika heel sterk. Men kan zich maar heel moeilijk aan de gedachte ontworstelen, dat alles door God in Zijn voorzienigheid op dezelfde wijze zo gewild is als het gebeurt. Daarom kwam de vraag op: in hoeverre wordt de vrijheid van een christen doorkruist of zelfs ongedaan gemaakt door Gods voorzienigheid?
Op een extra college hebben we dat nog eens doorgesproken. Daarbij heb ik sterk benadrukt het verschil tussen een kijk op de werkelijkheid als bepaald door noodzakelijkheid, en de ontdekking in de Schrift dat God alles in Zijn handen heeft en houdt - en op een ongedachte en steeds weer verrassende wijze leidt. In Genesis lezen we in hoofdstuk 22 voor het eerst het woord 'voorzien'. Dat woord is daar niet een verklaring dat God alles op dezelfde wijze leidt, maar is een belofte voor Abraham, die in volstrekte en onvoorstelbare gehoorzaamheid de weg van het geloof gaat. De HERE zal voorzien in een offer - op de berg Moria. Zo worden de vragen van de voorzienigheid van meet af aan betrokken op Gods verlossend handelen.
In dat verband heb ik een anecdote over Prof. Van der Schuit - van 1922 tot 1954 hoogleraar dogmatiek aan de Theologische Hogeschool van de Chr. Geref. Kerken te Apeldoorn - verteld, die ik zelf van een toenmalige student gehoord heb. Die anecdote heeft diepe indruk op de studenten gemaakt. In het busje waarmee we naar het vliegveld gebracht werden kwamen de studenten er nog op terug als iets wat hen bijgebleven was. De anecdote is als volgt. Eind jaren veertig maakte een uit Apeldoorn afkomstige jongeman, die net kon vliegen, een vlucht boven Apeldoorn om aan familie zijn kunsten te vertonen. Tijdens een duikvlucht verloor hij de macht over de stuurknuppel, en stortte neer op een school.
Meer dan veertig jongeren kwamen daarbij om. Prof. Van der Schuit moest bij C:iebegrafenis als lid van het schoolbestuur aanwezig zijn. Zijn college dogmatiek, waarin hij net toe was aan de leer van de voorzienigheid, moest daarom worden verplaatst.
Toen Prof. Van der Schuit binnenkwam, liep hij naar de katheder, alsof hij met het college zou beginnen - als was er niets gebeurd. 'Mijne heren', begon hij, 'vandaag gaat het over de voorzienigheid van God.' Iedereen had de pen in de aanslag om het college vast te leggen. 'Schrijft u maar: God is goed. God is groot. En wij doorgronden Hem niet. Dit was het college.' In die paar woorden is wellicht meer gezegd dan in veel andere en vooral uitvoeriger colleges. De beperking van ons theologisch kennen werd beleden - maar ook en eerst: de goedheid en grootheid van God. Daaromdenk ik - sloeg deze anecdote zo aan.
Reformatorisch en evangelisch
Opvallend was - daarmee wil ik besluiten - dat de studenten Calvijn en Luther indronken als groot nieuws. Ze vielen van de ene verrassing in de andere. Meermalen zeiden studenten tegen mij, dat ze nu durfden te preken over teksten, waar ze tot dusverre met een boog omheen liepen, bijv. Johannes 8, 30-36. Het contrast met onze streken is groot. We krijgen in ons land vaak de indruk dat een 'evangelische' benadering meer bijbels is in vergelijking met de 'verstarde' gereformeerde traditie. Heeft de Reformatie afgedaan? Is het slechts een fase geweest in de geschiedenis van de kerk, die nu afgelost wordt door een evangelische benadering? Het bemoedigende van ons verblijf in Afrika was dat ons daar de kracht en actualiteit van de Reformatie weer zo duidelijk bleek. Het gereformeerde is daar wat het oorspronkelijk is geweest: niet een theologische en kerkelijke traditie naast andere, maar een wijze van omgaan met de Schrift waarin ten volle recht gedaan wil worden aan het 'sola gratia, sola fide en sola Scriptura'.
In de uitgave van de werken van Calvijn heeft men de Institutie - zeg maar: Calvijns 'dogmatiek' - geplaatst nà zijn commentaren op de diverse bijbelboeken en vóór zijn preken. Dat is de juiste plaats! De gereformeerde leer wil niet heersen over de Schrift, maar komt op uit het verstaan ervan en wil de verkondiging van het Evangelie dienen. Dat was voor ons gevoel de ontdekking tijdens dit verblijf: te merken hoe het gereformeerde structuur geeft aan het evangelische, en zo het verstaan en de voortgang van het Evangelie dient.