Persschouw
1991-08-30
Deo Volente- Jaargang 35
- nummer 18
Dat er zich binnen onze taal veranderingen voltrekken is niet van vandaag of gisteren. Het is ook niet toevallig, want die veranderingen weerspiegelen doorgaans verschuivingen in de cultuur. Wij beleven onszelf en onze wereld anders en dat uit zich in de taal, die wij spreken. Zo kan men constateren, dat wij ons in toenemende mate van afkortingen bedienen: velen hebben een PC in huis of luisteren naar muziek via een CD. Engelse woorden zijn steeds meer gaan behoren tot de taalschat van iedereen. De krantenjongen staat met een walkman bij onze brievenbus en als je de bedrijfsadvertenties wilt begrijpen moet je wel weten wat een producer is of een sales manager en een product manager. Een Nederlandse tekst op het gebied van economie of electronica is niet te volgen zonder een dosis kennis van de Engelse taal. De andere kant van deze verschuivingen is, dat sommige woorden of uitdrukkingen geruisloos uit onze taalschat verdwijnen.
Dat is o.a. het geval met de uitdrukking Deo Volente of de afkorting D.V. Nog niet zo lang geleden kwamen wij dat vaak tegen o.a. bij een huwelijksaankondiging of bij het bericht van een aanstaande samenkomst. Naar mijn waarneming begint dit steeds meer zeldzaam te worden en is dit gebruik meer en meer teruggedrongen tot de codetaal, die in reservaten van godsdienstig Nederland nog wordt bewaard. En daar naar mijn indruk zelfs met een zeker fanatisme. Zo las ik onlangs in een degelijke kerkbode het wijkbericht van een dominee, die elke aankondiging van de aanduiding D.V. had voorzien, dus wel een keer of tien in één kolom. Dat lijkt mij eerlijk gezegd toch een beetje van het goede te veel. In een kerkelijk weekblad stond kortgeleden een nogal uitvoerige artikelenreeks, waarvan ieder artikel eindigde met de opmerking, dat de schrijver D.V. in het volgende nummer verder op de behandelde stof hoopte in te gaan. Dat werkt op de duur toch wat ridicuul: je denkt dan onwillekeurig dat dat volgende artikel wellicht al kant en klaar op de drukkerij gereed ligt. In zulke tere zaken geldt bij uitstek, dat overdrijving schaadt; of anders gezegd: het gevaar van ijdel vertoon van woorden ligt altijd op de loer.
Zulke excessen kunnen echter niet verhelen, dat in het algemeen gesproken het gebruik van de uitdrukking Deo Volente in ons taalgebruik meer en meer zeldzaam is geword4i:lnen dat wij bezig zijn het daarmee samenhangende levensgevoel te verliezen. Ik aarzel niet dat als een verarming van de Nederlandse taal te beschouwen.
Lange tijd heeft de leefwereld van de bijbel een stempel op onze taal gedrukt.
Er groeit nu een geslacht op, dat van deze dingen nauwelijks meer weet en dat zulke uitdrukkingen als een antiquiteit beschouwt. Ik werd op deze verschuiving attent gemaakt door een opmerking van prof. dr. H.A. Oberman in zijn boekje 'De erfenis van Calvijn' (Kampen 1988). Hij zegt daarin: "Kende de doorsnee Nederlander tot voor kort nog twee Latijnse woorden: Deo Volente, vandaag trekt hij zijn agenda zonder het voorbehoud van Jacobus voor een afspraak in de statistisch gezien zekere toekomst. Wij raken hier veel meer dan het verlies van vrome woorden". Hij constateert, dat daarmee gepaard gaat een verarming van het gebed als een indringend gesprek met God over de gang van zijn bestuur en zegt: "Zo verkommert het gebed 'tot brave intentie of tot politieke manifestatie".
De uitdrukking betekent: zo de Here wil en wij leven, en is ontleend aan de brief van Jacobus. Daar staat in 4:13-15: "Welaan dan, gij, die zegt: Vandaag of morgen gaan wij op reis naar die of die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen, zaken doen en winst maken; gij, die niet eens weet, hoe morgen uw leven zijn zal! Want gij zijt een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt; in plaats van te zeggen: Indien de Here wil, zullen wij leven en dit of dat doen".
Voor sommigen onder ons zal met deze tekst een concrete herinnering verbonden zijn. Ik denk aan de gruwelijke treinramp, die destijds bij Harmelen heeft plaatsgegrepen. In de dagen daarna stonden de lijkkisten in lange rijen in de Buurkerk opgesteld, voordat ze naar elders zouden worden getransporteerd. De zondag daarna was er een kerkdienst in de Buurkerk, die door de radio werd uitgezonden en waarin ds. G. Spilt vanuit deze tekstwoorden het Woord Gods bediende.
Deo Volente, dat was het wat toen als woord van bemoediging en beschaming mocht en moest verkondigd worden.
Deo Volente is mits goed verstaan een belijdenis. Wij zeggen ermee, dat wij in alles afhankelijk zijn van God en dat wij ons zonder Hem noch roeren noch bewegen kunnen.
Wij kunnen in de taal van Jacobus ons wel voornemen hier of daar naar toe te gaan en dit of dat ter hand te nemen, maar als wij daarbij vergeten niet meer te zijn dan een damp, die vervliegt, is dat alleen maar hovaardij en een zekerheid, die op niets berust. Het geslacht, dat deze uitdrukking in de taalschat heeft opgenomen, heeft iets van deze afhankelijkheid beseft en zichzelf beleefd als kleine mensjes, die van stap tot stap door Gods hand geleid worden. Er zit een besef in van betrekkelijkheid en ook van vergankelijkheid, dat zich niet verdraagt met het levensgevoel van mensen, die menen het leven in eigen hand te hebben of tenminste doen alsof.
Natuurlijk geldt ook hier, dat het bederf van het beste het slechtste is. Het kan ook de uiting worden van een levensgevoel, waarin God en het noodlot bijna identiek geworden zijn en het Goddelijk bestuur zo iets is als een zwaard van Damocles, dat voortdurend boven ons hoofd hangt. Te belijden: Deo Volente veronderstelt, dat wij in ons gebedsleven gedurig vragen naar de wil des Heren en dat wij in alles bereid zijn ons leven en onze plannen te toetsen aan de gang van het Evangelie. Met D.V. buigen wij niet voor het noodlot, maar stellen wij ons in al onze gedragingen onder de tucht des Heren. Het is al te gemakkelijk zulke uitdrukkingen in de kortste keren in het belachelijke te trekken en ze te verbinden met een passieve berusting en met een gebrek aan verantwoordelijkheid voor zichzelf en voor de wereld. Het meest aktieve is toch immers het dagelijkse gesprek met God over alle gewone dingen en het intense overleg met Hem, die werkelijk alle wijsheid in pacht heeft.
Dat het Deo Volente bezig is uit onze taalschat weg te zakken is helaas begrijpelijk. Ons levensgevoel is in vele opzichten anders geworden. Wij zijn mondige mensen, die tot veel in staat zijn - ten goede en ten kwade-, die de schepping kunnen maken en breken, en wij geloven in de houdbaarheid van onze planning en prognoses.
Wij overzien althans het naastbijliggende deel van onze toekomst en zijn in staat ons daarop in te stellen.
En dat er een God is, van wie wij volstrekt afhankelijk zijn en die de geschiedenis van mens en wereld leidt in de banen van Zijn wijs bestuur - dat is voor ons huidige geslacht meer en meer vreemd geworden. Niet meer de bijbel, maar veelmeer de secularisatie stempelt onze taal en drukt bepaalde termen inclusief het daarbij behorende gevoelsleven naar de rand. Zo is onze taal bezig breed te worden, internationaal en mondiaal, maar tegelijk verliest zij aan diepte. Zij wordt vlak en bergt nauwelijks meer geheimenissen in zich. De taal van het Deo Volente staat in een nauwer of wijder verband met de vroomheid des harten en is ingebed in de stroom van het gebed en in het respekt voor de wijsheid en de goedertierenheid van God. Zij dreigt verdrongen te worden door een nieuwe vroomheid en spiritualiteit, waarin het zelfbesef van de mens en de hanteerbaarheid van het leven het voornaamste thema zijn. Op een prachtige zomerdag stond ik met mijn auto bij een benzinepomp en knoopte met de pompbediende plichtmatig een gesprek aan over het mooie weer. Die jongen zei: "Ja meneer, waar hebben wij dit aan verdiend?" Toen ik hem om nadere verklaring vroeg zei hij simpelweg: "Dat komt toch alles van Boven".
Dit artikel van de hand van wijlen Dr. S. Gerssen troffen wij aan in het bekende blad: ECCLESIA - v/h 'Kerkblaadje' - Orgaan van de Stichting Vrienden van Dr. H.F. Kohlbrugge. Het is zonder meer een schot in de roos!
Met de gesignaleerde verandering kom je regelmatig in aanraking. Men is afgezakt naar een pure verzakelijking van het levenspatroon. Dat uit zich heel sterk in het intermenselijk verkeer. Als we steeds minder vrijmoedig over de HERE en zijn dienst spreken sijpelt dat door in onze opstelling in de maatschappij. En waarom zou dan het kerkelijk sementeven daarvan geen tik meekrijgen? Sekularisatie voltrekt zich procesmatig! Je vraagt je af waarom men dergelijke horizontalistische trouw- en geboortekaarten de wereld inzendt. Het zou goed zijn om met de desbetreffende mensen daarover eens liefdevol door te praten. Dit is wel zeker: Waar men de Naam van God noemt is men in zijn hele leven daarop aanspreekbaar. Het memoreren van de unieke Naam van de Almachtige vraagt om een konsekwent getuigenis in woord en daad in elke levenssituatie! Daartoe dient een dynamische prediking waarin de Naam van de HERE centraal staat sterk te stimuleren. Dat behoort bij het appèl, dat uitgaat van de Heilige Doop.
Want via die Heilige Doop zijn wij verbonden met de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest!
"God roept, en in Hem is de kracht, die onze zwakheid staalt". (gez. 474:2).
Enschede, O. Mooiweer