Pastorale notitie
1991-09-13
Vrije tijd- Jaargang 35
- nummer 19
't Is weer voorbij die mooie zomer.
Vandaag - ik bedoel dus de dag waarop ik dit schreef - was het nog stralend, maar het kan nu elke dag afgelopen zijn. Dan kunnen vaders korte broek en moeders bikini weer in de koffer voor het zomergoed in de hoop dat ze volgend jaar nog passen en niet door de mode zijn ingehaald.
Nee, wij zijn niet wèggeweest. Wij behoren tot de bevoorrechte klasse die kan gaan wanneer zij wil en wij kiezen dus voor het voor- of naseizoen en ook wel eens voor het voor- én naseizoen.
,,Jullie hebben altijd vakantie", horen wij nog wel eens zeggen en op de achtergrond meen ik dan een licht verwijt te beluisteren. Tegenwoordig geef ik dat zonder enig spoor van schaamte toe: "Ja, wij hebben altijd vakantie".
Maar het is nog niet zo lang geleden dat ik het nodig vond, dergelijke beweringen te beantwoorden met een reeks verontschuldigingen. Hoe vaak ik nog preekte en dat er op ons nog voor van alles en nog wat een beroep wordt gedaan en dat ik vanaf mijn jonge jaren altijd hard gewerkt had en dus heus wel aan een beetje rust toe was.
En pas na zo'n pleidooi was ik er zelf ook weer een beetje rustig op.
Ik heb heel lang gedacht dat er voor vrije tijd een verontschuldiging nodig was of een gegronde reden. Dat zit er diep bij ons in: wij zijn op de wereld om te werken en zelfs onze vrije tijd is er alleen maar om er daarna weer des te harder tegenaan te kunnen gaan.
Men zegt dat deze houding typerend is voor de nazaten van Calvijn maar dat is een vergissing. De socialisten hebben de Partij van de ARBEID uitgedacht en in de grondwet van de Sovjetunie is de bijbeltekst opgenomen: 'Wie niet werkt zal ook niet eten'.
Trouwens, om wat dichter bij huis te blijven: puriteinen, piëtisten en methodisten hebben in niet mindere mate de arbeid verheerlijkt. In het Labadistenklooster van Wieuwerd ging men na de godsdienstoefening weer aan het werk en onder de preek zaten de vrouwen te breien. Ook Luther vond het maar het beste om na de kerkdienst weer zo snel mogelijk aan de arbeid te gaan.
Typerend is het woord vrijetijdsbesteding.
Vrije tijd mag, maar ze moet wel besteed worden. En op de zondag voor de vakantieperiode wordt in de kerken gebeden of wij de vakantie zo mogen besteden dat we met vernieuwde krachten de arbeid weer kunnen hervatten.
Ook in dit gebed moet de vernieuwde kracht de vakantie verontschuldigen.
Okke Jager vertelt ergens dat hij van een vriend een boek kreeg toegezonden met de opmerking: "steel maar wat tijd hiervoor". Vrije tijd als diefstal!
In een novelle van Cremer ligt een jonge knecht op een mooie zomerdag languit in het geurende hooi en zegt tegen zijn vriend: ,,O Gartjan, als dit eens warken was!" Blijkbaar zou hij dan pas onbekommerd kunnen genieten.
Misschien denkt u dat dit stukje passender geweest zou zijn vóór de vakanties, als aanmoediging om zonder schuldgevoelens vrij te nemen en zonder het drukkende gevoel dat de vrije weken nuttig besteed moeten worden. Maar ik wilde deze dingen juist nu zeggen.
Alles gaat weer beginnen en u hebt er echt zin in. Dat is in u te prijzen. Maar laat u bevrijden van de gedachte dat "de essentie van ons leven de roeping tot arbeid is en dat onze vrije tijd ontspanning is van onze arbeid en niet méér tijd in beslag mag nemen dan nodig is voor die ontspanning". (Van Riessen, 'De maatschappij van de toekomst') Onder de druk van deze stelling kunnen predikanten hoogstens besluiten tot het nemen van één vrije dag per week met de bedoeling, er de andere dagen des te harder tegen aan te gaan.
Mooie vrijheid!
Ook van Okke Jager is het verhaal van de man, die na een begrafenis tot een weduwe zegt: "Hij was een buitengewoon man ", waarop de vrouw antwoordde: "Dat zegt men. Ik heb hem niet zo goed gekend." (dr. Okke Jager, Bevrijde Tijd)