Wat is 'vervulde blijdschap'? (1)

1991-09-13
  • Jaargang 35
  • nummer 19
Zevenmaal is er in het NT sprake van 'iemands blijdschap vervuilen'. Eén keer wordt het gebruikt door den apostel Paulus (Filipp.
2, 2); de overige plaatsen waar het gebezigd wordt, zijn alle bij den apostel Johannes te vinden, en wel in zijn evangelie 3,29; 15, 11; 16,24 en 17,13, en in zijn brieven 11, 4 en 11 12.
Hoe moeten wij die uitdrukking verstaan? Is in zo'n geval de man of vrouw om wie het gaat, al een beetje blij, maar doet een ander daar nog een schepje bovenop, zodat die blijdschap compleet wordt? Men zou dat uit de gangbare nederlandse weergaven kunnen opmaken.
Maar laten we eens kijken, hoe het woord dat hier door 'blijdschap' is vertaald, elders gebruikt wordt.

Wat blij máákt
Dan zou ik, om te beginnen, aandacht willen vragen voor het feit, dat met 'blijdschap' niet altijd wordt aangeduid een gemoedsgesteldheid, maar ook wel - concreet - datgene wat die gemoedsgesteldheid teweegbrengt.
'Blijdschap' (of ook 'vreugde') kan dus niet alleen uitdrukken dat iemand blij is. Nee, ook een persoon of een zaak die iemand blij máákt, aan wie of waaraan iemand vreugde beleeft, wordt wel met 'blijdschap' aangeduid.
Zo noemt Paulus in Filipp. 4, 1 zijn broeders in Filippi: "mijn blijdschap en krans". De gemeente van Filippi is er een waaraan hij schik heeft.2 Ze is als het ware de overwinaarskrans op zijn hoofd, die hij met trots laat zien.
Die toevoeging ("die hij met trots laat zien") verzin ik niet: ze is van Paulus zelf. Zie maar 1 Thess. 2, 19.20: "Want wat anders is onze hoop of blijdschap of krans om op te pochen dan o.a. jullie, als we straks tegenover onzen Heer, Jezus, komen te staan bij zijn komst? Jullie immers zijn onze eer en blijdschap". Ook in Thessalonica is er - net als in Filippi - zo'n gemeente waarmee Paulus eer inlegt, waar hij plezier aan beleeft, ja waarop hij zijn hoop heeft gevestigd met het oog op het komende gericht. Als zijn Heer hem straks rekenschap zal vragen over zijn dienst, zal hij kunnen zeggen: "Kijkt U maar naar de gemeente van Thessalonica. Die mag gezien worden.
En die is vrucht van mijn werk".
Behalve een persoon, zo zei ik, kan 'blijdschap' ook een zaak zijn die iemand blij maakt. Een voorbeeld vinden we in Jac. 1, 2: "Beschouwt het als louter blijdschap, mijn broeders, wanneer jullie in allerhande beproevingen terecht komen".

Aansluiting bij het OT
In dit gebruik van het woord 'blijdschap' (of 'vreugde') sluit het NT aan bij het OT.
Jeruzalem wordt genoemd "een vreugde voor heel de aarde" (Ps. 48, 3; Klaagl. 2, 15), d.w.z. een stad waar heel de wereld plezier aan heeft (had).
En evenzo heeft Gods heiligdom in Jeruzalem "de vreugde van hun (d.i.
van de Israëlieten) sieraad" (Ez. 24, 25); dat betekent: "die prachtige tempel waar zij zo blij mee zijn". Aldus Groot Nieuws. De Friese Vertaling heeft "har skoandere taflecht, dêr 't se sa wiis mei binne".
Als die stad met tempel en al is verwoest, is ze geworden "een vreugde voor de wilde ezels" (Jes. 32, 14), d.w.z. een plek waar wilde ezels zich graag ophouden, waar ze het naar hun zin hebben. Maar eens zal God haar weer "stellen tot een eeuwige praal, tot een vreugde voor geslacht op geslacht"
(Jes. 60, 15).
Voor een man zonder verstand is dwaasheid 'blijdschap' (Spr. 15,21).
Dat betekent: zo'n onverstand schept behagen in dwaasheid. Voor een rechtvaardig mens daarentegen is recht doen 'vreugde' (Spr. 21, 15).
Dáár heeft hij schik in.

Vergelijkbaar gebnaik in het Nederlands
Ook wij drukken ons soms op dezelfde manier uit. Wij kunnen b.v. zeggen - al doet het misschien ietwat deftig aan - : "Het is mij een genoegen u hier te mogen begroeten" i.p.v. "het doet mij genoegen". De zaak die ons plezier bereidt wordt in zo'n geval met het plezier dat wij eraan beleven, vereenzelvigd.

Vreugde in het verschiet
Het tweede punt dat aandacht verdient, is het volgende. 'Blijdschap' wordt in het NT niet alleen gebruikt om aan te duiden, dat je met iets wat je al hebt in je schik bent, maar ook om aan te geven, dat je ergens blij mee zou zijn, als je het kreeg. Er is nu eenmaal ook 'vreugde' die nog in het verschiet ligt, Hebr. 12,2. Het gaat in zo'n geval om iets dat je graag wilt hebben, om iets waarin je zin hebt.
Zo lees ik in Mt. 13,44 van een man die een schat blootlegt in een stuk grond. Hij dekt die dan eerst weer toe, maar "uit blijdschap erover gaat hij heen, maakt al zijn bezittingen te gelde en koopt dat stuk grond".
Die man handelt zo "uit blijdschap over die schat", zo staat er. Dat wil zeggen: omdat hij met het bezit ervan zo blij zou zijn; anders uitgedrukt: omdat hij die schat zo graag wil hebben.
In zo'n geval is die 'blijdschap' er op het moment van handelen nog niet, want hij kan zich nog niet den gelukkigen bezitter van die schat noemen. Wij zouden in zo'n geval ook kunnen vertalen: "uit verlangen (of uit begeerte) naar die schat".
Nu, ook zo'n 'blijdschap' kan - juist zoals we eerder zagen - worden overgedragen van onze gemoedsstemming (in dit geval dus: ons verlangen) op datgene wat die gemoedsstemming teweegbrengt, m.a.w. op dat waarnaar ons verlangen uitgaat. Zo staat in Davids laatste woorden o.a. te lezen: "al mijn heil en alle vreugde - zal Hij het niet doen uitspruiten?" (2 Sam. 23, 5). Prof. de Groot heeft hier in zijn vertaling al de concretisering aangebracht: "al wat mij tot heil en 'vreugde' strekt"." Maar Groot Nieuws heeft 'alle vreugde' weergegeven met "alles wat ik wens". En de Friese Vertaling zit op hetzelfde spoor: "alles wat te winskjen is".

Als er in Pred. 2, 10 staat: "niets dat mijn ogen wensten ontzegde ik ze, noch hield ik mijn hart van enige vreugde terug", dan vraag ik mij af, of men - gezien de parallellie met 'wat mijn ogen wensten' - het woord 'vreugde' hier niet moet opvatten in de zin van 'wat mijn hart wenste (begeerde)', 'wat mijn hart vraag wilde hebben'."
En als de dichter van Ps. 137 in v. 6 verklaart: "mijn tong kleve aan mijn verhemelte, ... als ik Jeruzalem niet verhef boven mijn hoogste vreugde", dan zal hij, denk ik, bedoelen: boven mijn hoogste verlangen. Hij mag sterven van dorst, zo verzekert hij, als hij (het herstel van) Jeruzalem niet helemaal bovenaan op zijn verlanglijstje zet.

Opnieuw naar het Nederlands
Wij kunnen, dunkt mij, die wissel 'vreugde> wens (verlangen)' heel gemakkelijk mee maken, wanneer we bedenken, hoe wij ons uitdrukken, als we een attentie willen geven, b.v. aan iemand die ons een dienst heeft bewezen.
Dan kunnen we veiligheidshalve vooraf aan zijn vrouw vragen: "Heeft je man nog wensen?". Maar ook: "Waarmee zou ik je man nog eens blij kunnen maken?".

Vervulde blijdschap'
En nu terug naar de teksten uit het NT die we aan het begin van dit artikel noemden.
Laten we beginnen met die ene van Paulus, Fil. 2, 2. Kennelijk gaat het daar in 'blijdschap' om Paulus' wens dat zijn lezers eensgezind zullen zijn.
Aan de feitelijke eensgezindheid ontbrak nl. het een en ander, zoals uit andere plaatsen in deze brief blijkt. In 4, 2 vermaant hij Euodia en Syntyche, eensgezind te zijn. Ook 3, 16 zal, dunkt mij, zo verstaan moeten worden: "Maar ... één ding, waar we al eerder op kwamen" - nl. in 1, 27, D.H. - ,,: de gelederen sluiten!" Een herhaald bevel tot eensgezindheid dus.
Die 'wens' nu (dat ze eensgezind zuilen Zijn) wil hij vervuld zien.
Wij kunnen hier het element 'vreugde' in de weergave heel goed vasthouden; door namelijk te vertalen: "doet me het plezier, dat je eensgezind bent".

De teksten bij Johannes
Het bleek al aanstonds, dat de uitdrukking 'vervulde blijdschap' verder alleen nog bij Johannes voorkomt. Wij willen die plaatsen nu een voor een bekijken.
In Jh. 3, 26 komen de leerlingen van Johannes den Doper hun meester ietwat spijtig vertellen, dat Jezus nu ook doopt en hem stevig concurrentie aandoet: "allemaal gaan ze naar Hém toe". Dan antwoordt Johannes: "Maar dat had ik toch gezegd, dat Hij de Messias is, niet ik? Ik heb alleen maar tot taak de aandacht op Hém te vestigen".
En dan gebruikt Johannes een beeld om de verhouding tussen Jezus en hem te tekenen. Jezus is de bruidegom.
En het volk, de bruid, hoort in zijn armen. Hij, Johannes, is enkel 'de vriend van den bruidegom', die tot taak heeft de bruid op de komst van haar bruidegom voor te bereiden. Hij staat in dienst van den bruidegom, Jezus, en geeft acht op diens bevelen."
En wat doet hem nu groter plezier dan de jubelroep van den bruidegom over de ontmoeting met zijn bruid te horen?
Dat is toch de kroon op zijn werk?
Daar heeft hij toch al die tijd verlangend naar uitgezien? Zo besluit Johannes dan met deze woorden: "Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld", v. 29 slot. D.w.z.: nu is dus dit verlangen, nl. naar de jubelroep van den bruidegom, dat in mij als 'vriend van den bruidegom' leefde, bevredigd. Nu is aan die wens van mij voldaan.
In Jh. 16,23 heeft Jezus zijn leerlingen bemoedigd voor de tijd wanneer Hij zelf niet meer bij hen zal zijn: "Heus, ik verzeker jullie: wanneer je mijn Vader iets vraagt in mijn naam, dan zal Hij het geven". En dan sluit Hij in v.
24 daarbij aan met de aanmoediging "Vraagt maar, dan zul je het krijgen".
En dan volgt: "opdat uw blijdschap vervuld zij", d.w.z. om je verlangen bevredigd te krijgen. Vragen aan den Vader is de manier om te krijgen wat je wenst.
Het doel van Johannes' eerste brief is, zo zegt hij in 1,4: "dat onze bliidscbep vervuld zij", d.w.z. dat dát gebeurt wat wij zo graag willen, nl. dat ook jullie samen met ons gemeenschap hebben met den Vader en met den Zoon, v. 3.
(Vgl. Jh. 17,20, waar Jezus zegt: "Ik bid niet alleen voor dezen - dat zijn de discipelen, onder wie Johannes -, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, dat ... zij in Ons - Vader en Zoon - zijn" .).
Aan het slot van zijn. tweede brief (v. 12) lezen we, dat hij zijn korte schriftelijke vermaningen eerlang mondeling breder hoopt uit te werken, "opdat onze blijdschap vervuld zij", dat is: om te bereiken wat hij zo graag wil, nl. dat de leden van de gemeente waaraan hij schrijft, "in de waarheid blijven wandelen" (v. 4). Dat is immers iets waaraan hij meer plezier heeft dan aan iets anders (111 4).

Een overgenomen begeerte
Twee teksten uit het Johannesevangelie, t.w. 15, 11 en 17, 13, heb ik voor het laatst bewaard, omdat daar een complicatie optreedt, die diep nadenken vergt.
In 15, 11 lezen we: "Dit heb Ik tot udat zijn de discipelen - gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde" . Het zou mij niet verbazen, als deze tekst voor vele lezers, evenals lange tijd ook voor mij, abracadabra is. Laten we zien, of we na wat we tot dusver over 'blijdschap' hebben ontdekt, eruit kunnen komen.
Wat is Jezus' 'blijdschap'? Waaraan heeft Hij plezier? Wat is zijn diepst begeren? Het antwoord vinden we in 4, 34: "Mijn spijs is, dat Ik de wil doe van mijn Zender en de taak uitvoer die Hij Mij opdroeg". Dit woord herinnert door zijn beeldspraak ('spijs') sterk aan Jer. 15,16. Daar zegt de profeet, die nogal wat onheilsboodschappen van God kreeg door te geven aan het volk, dan toch maar: "zo vaak er woorden van U kwamen, at ik ze op". (Vgl. ook Ez. 3, 1-3 en Op. 10,8-10.) En dan volgt als parallelle uitspraak: "uw woord was mij tot vreugde en blijdschap des harten".
De profeet zegt hier dus in twee onderling parallelle typeringen - en nu probeer ik de gesignaleerde beeldspraak met een nederlandse wending vast te houden - : Uw woorden, Heer, gingen er bij mij in als koek; in wat U mij zei, had ik toch zo'n intens plezier!
Wel, zo is het ook Jezus een groot 'genoegen' geweest de opdracht van zijn Vader uit te voeren, ondanks de pijn daaraan verbonden. (En die was nog aanzienlijk erger dan bij Jeremia!) Die opdracht uit te voeren, nl. aan de waarheid getuigenis te geven (Jh. 18, 37), was zijn hoogst verlangen. En wat Hij aan zijn leerlingen had gezegd, was erop gericht - zo lezen we hier in 15, 11- dat zij diezelfde wens zouden gaan koesteren die bij Hem leefde. Dat is m.i. de betekenis van de woorden "opdat mijn blijdschap in u zij". Hij heeft door zijn onderwijs in hen het verlangen willen wekken, in navolging van hun Meester zich volledig te geven aan 'het getuigenis voor de waarheid'.
En wanneer Hij daaraan toevoegt "en (opdat) uw blijdschap vervuld worde" , dan betekent dat: Hij heeft als doel voor ogen, dat zijn Vader die wens van zijn discipelen (Hem te dienen in het getuigenis voor de waarheid) zal vervuilen; dat de Vader hen dus als getuigen zal aanvaarden.
En waaruit zou dat laatste (die aanvaarding als getuigen door God) dan moeten blijken? Wel, dát komt, als ik me niet vergis, naar voren uit de context van 17,13.
De bewuste tekst, luidt als volgt: "Maar nu kom Ik tot U; en Ik spreek dit in de wereld - d.w.z. nu Ik nog in de wereld, dus bij mijn leerlingen, benopdat zij mijn blijdschap vervuld in zich mogen hebben". Het valt onmiddellijk op, hoeveel gelijkenis deze tekst vertoont met 15,11. Maar nu staat ónze tekst in de context van hoofdstuk 17, waar Jezus zijn Vader bidt, dat zijn leerlingen één mogen worden met den Vader, precies zo, als Hij zélf één is met den Vader. Dat betekent: dat zijn Vader in hen gaat wonen met zijn Géést. Het was immers om die door God Hem opgedragen taak uit te voeren ("de woorden Gods te spreken") dat de Vader Hem "niet zuinig" den Geest had geschonken (Jh. 3, 34). Nu, hier in Jh. 17 draagt Jezus zijn leerlingen bij den Vader voor als zijn opvolgers. En daarom vraagt Hij voor hen, dat de Vader ook in hén met zijn Geest zal wonen. Als dát gebeurt, zo zegt Jezus hier, dan 'hebben ze mijn blijdschap vervuld in zich'. D.w:z. dan is de in hen levende begeerte, die ze van Mij hebben overgenomen, (nI. Gods getuigen in deze wereld te zijn) door den Vader gehonoreerd.
Het is het Pinksterfeest dat de 'vervuiling' van die 'blijdschap' brengt. (Vgl. ook 15, 26.27 en Hd. 5, 32.)

Noten
1 Met dank aan mijn zoon, drs. K. Holwerda, voor zijn informatie betreffende enkele plaatsen uit het Oude Testament.
2 Vgl. 2 Cor. 2,3 ..... hen over wie ik mij moest verblijden".
3 Prof. dr. Joh. de Groot, 11Samuël (in de reeks 'Tekst en uitleg'). Groningen/Batavia, 1935.
4 G.Ch. Aalders, Het boek De Prediker vertaald en verklaard (in de reeks Commentaar op het Oude Testament onder redactie van G.Ch. Aalders, W.H. Gispen en J. Ridderbos), Kampen, 1948, die niet expres bij deze kwestie stilstaat, vertaalt weliswaar ..noch hield ik mijn hart terug van eenige vreugde" (p. 48), maar schrijft in zijn commentaar: ..wat het hart maar kon begeren" (p. 54).
Onduidelijk blijft, hoe de woorden ..met de vreugde van zijn hart" in Pred. 5, 19 zijn bedoeld, zolang niet vaststaat, in welke zin het daar gebezigde werkwoord is te verstaan.
Aalders vat de hiphil causatief op en vertaalt: ..want God laat hem zich bezighouden me!... ..
(p. 124). De Stat.-Ver!. heeft: ..verhoort hem".
(Vgl. de italiaanse vertaling van Diodati: ..Iddio gli rispanda".) Mocht dát juist zijn, dan zou men geneigd zijn te denken, dat ook hier met de 'de vreugde van zijn har!' bedoeld is 'zijn hartewens' .
5 Ik denk, dat z6 het 'staan' en het 'horen' hier bedoeld zijn. 'Staan' in de zin van 'dienst doen' vindt men b.v. in Hd. 22, 25, waar NBG spreekt van ..den hoofdman, die er bij stond", maar Groot Nieuws terecht vertaalt: "de dienstdoende officier". Voor 'horen' in de betekenis 'gehoorzamen' vgl. het woordenboek van Liddell-Scott-Jones, s.v. 112.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief