Gemeenteopbouw (3)

1991-09-13
  • Jaargang 35
  • nummer 19
6. Huiskringen
Als een konkreet punt dat in een beleidsplan kan passen om de opbouw van de gemeente te bevorderen, noem ik het punt huiskringen (ook wel gemeentekringen genoemd). Veel van wat ik hieronder daarover zeg heb ik ontleend aan het boekje 'Gemeentekringen' van ds. F.H. Veenhuizen.
Ik zie de vorming van huis- of gemeentekringen als een goede mogelijkheid om met name (niet alleen!) het onderling pastoraat gestalte te geven. Prof.
Dr. J.P. Versteeg schreef in zijn verhelderende studie 'Oog voor elkaar': De kerk heeft wel een structuur waarin bijzondere ambten tot hun recht komen.
Maar nauwelijks goede organisatievormen waarbinnen de roeping t.o.v. elkaar (het in alle opzichten oogvoor-
elkaar-hebben) vervuld kan worden.
Nu, het vormen van huiskringen is daarvoor een goed middel. Het is een konkrete vorm waarin de wederkerigheid in de gemeente verwezenlijkt kan worden, d.w.z. het elkaar vermanen en vertroosten, elkaar opbouwen en terechtwijzen, elkaar aansporen en aanvuren, elkaar liefhebben en dienen. Dit alles natuurlijk vanuit de persoonlijke relatie die ieder heeft en onderhoudt met God door Jezus Christus. En juist vanuit het onderlinge kontakt kan de persoonlijke verhouding weer worden verdiept en geïntensiveerd.
Tegelijk kan het vormen van huiskringen een middel zijn om onze roeping t.o.v. de wereld te realiseren. In de huiskring kunnen de gelovigen, gevoed vanuit de zondagse eredienst, aan echte godsdienst-oefening doen.
D.w.z. men kan zich in de huiskring daadwerkelijk oefenen in de dienst aan God. N.B. Het is absoluut niet de bedoeling, dat de huiskring komt in plaats van de eredienst!
Uiteraard moeten de leden van zo'n huiskring een grote mate van vrijheid hebben om zelf in te vullen hoe hun kring goed funktioneert. Evenals ze zelf het beste de frekwentie van samenkomen kunnen bepalen. Een richtlijn zou rn.l. kunnen zijn: niet vaker dan één keer in de drie weken, maar ook beslist niet minder dan één keer per twee maanden. Dit laatste misschien ook alleen maar voor een beginperiode.
Wat de agenda van een huiskringavond betreft pleit ik ervoor, dat men komt tot een zo groot mogelijke samenhang van elementen die behoren tot het gemeentezijn (eredienst, pastoraat, diakonaat, apostolaat). Zo'n agenda zou er als volgt uit kunnen zien:

6.1 Zingen
Door lofprijzing en aanbidding kan de avond letterlijk en figuurlijk worden getoonzet. Hoeveel doen we dat nog in onze gezinnen of als we als familie en vrienden of gemeenteleden bij elkaar zijn? God is het waard om door ons geprezen te worden. En er is geen godsdienst, die zoveel prachtige liederen kent om onze God te loven en te prijzen.

6.2 Bijbelgesprek
Een dergelijk gesprek zou zoveel mogelijk moeten worden afgestemd op de praktijk van het dagelijkse leven.
D.w.z. dat het besproken bijbelgedeelte moet worden gezien als huiswerk.
Je moet er wat mee kûnnen! En daarbij zouden de leden elkaar kunnen helpen.
Ik zou een (misschien wat kunstmatig aandoend) onderscheid willen maken tussen het gesprek op zo'n huiskring en dat op een studievereniging of bijbelkring.
Ook het laatst bedoelde gesprek zal, als het goed is, veelal een praktische spits hebben. Maar het accent kan toch wat meer liggen op het element van studie en onderwijs.
In de praktijk blijkt, dat niet iedereen daar een hoofd voor heeft. M.L kan de bijbelkring daarom naast zo'n huiskring gehandhaafd blijven voor wie daar wel plezier in vindt. De huiskring zal dan meer toegankelijk moeten worden gehouden' voor hen, die minder 'intellektueel' en meer 'praktisch' zijn ingesteld.

6.3 Onderling meeleven
Verder moet er gelegenheid zijn om persoonlijke ervaringen door te geven, mededeling te doen van zorgen en moeiten, te vragen om voorbede of om konkrete steun voor anderen of voor zichzelf.
Ik ben me er van bewust, dat er enige tijd mee gemoeid kan zijn, voordat dit onderdeel een wezenlijke plaats heeft gekregen op het programma van de huiskring-avond. De leden van de kring zullen elkaar eerst goed moeten leren kennen en zich bij elkaar thuis moeten voelen om zo met elkaar om te kunnen gaan. Maar is dat toch niet wat de apostelen bedoelen met hun onophoudelijke vermaning tot de gelovigen om elkaar te bemoedigen en te vertroosten en voor elkaar te bidden en elkaars lasten te dragen?

6.4 Dienstbetoon
Hier gaat het om christelijk geloof in de praktijk. Niet alleen samen praten, ook samen d6en schept een band. En er zijn mogelijkheden genoeg.
Om een aantal voorbeelden te noemen: Het kan gaan om hulpverlening aan de leden van de kring onderling.
De kring kan één of meer bejaarde en/of chronisch zieke gemeenteleden adopteren om er met vaste regelmaat zorg aan te verlenen. Men kan samen financieel een hulpverleningsprojekt adopteren van één of andere christelijke instelling van barmhartigheid in binnen- of buitenland en daar dan ook aan de hand van konkrete berichtgeving heel doelgericht voor bidden.
Men kan met elkaar hulp verlenen aan mensen in de buurt, die geen lid van de gemeente zijn. Men kan als kring medewerking geven aan bepaalde diakonale aktiviteiten.
Godsdienst is omzien naar weduwen en wezen (Jak. 1, 27), d.w.z. omzien naar hulpbehoevenden.

6.5 Evangelisatie
De huiskring kan zich ook in dienst stellen van het werk van de evangelieverkondiging.
Daarvoor zie ik drie mogelijkheden:
- Met elkaar praten over evangelisatie, d.w.z. onderling ervaringen uitwisselen hoe je in je dagelijkse kontakten met vrienden, kollega's, buren e.d. het evangelie ter sprake kan brengen of metterdaad kunt tonen.
- Gezamenlijk als kring, in overleg met de evangelisatiecommissie, deelnemen aan evangelisatie-aktiviteiten in gebeden en/of in daden.
- De kring zelf kan ook worden gebruikt als een evangelisatie-middel.
Je neemt misschien een buitenstaander, met wie een bepaald kontakt is ontstaan, in eerster instantie gemakkelijker mee naar de wat kleinere huiskring, dan naar de kerk. Zo zou de kring kunnen fungeren als opstapje naar de kerkdienst.

7. Bezwaren
Ik zou me kunnen voorstellen, dat bij het lezen van al het bovenstaande bij deze of gene enkele bezwaren opkomen.
Laat ik er twee noemen.

7.1 Bedreiging van spontaneïteit
Waarom moet het zo georganiseerd worden?
Nu zijn er altijd mensen die organiseren maar niks vinden. Je moet het gewoon doén, zeggen ze.
Maar in de kerk vind je die mensen misschien nog wel meer dan daarbuiten.
En ze lijken ook nog een extra argument te hebben. Want in de kerk gaat het toch om het werk van God?
Dat kun je toch niet eventjes organiseren!
Op zichzelf is dat volkomen terecht.
We organiseren niet zomaar eventjes een met de Heilige Geest vervulde gemeente. Maar anderzijds sluit de vervulling met en de werkzaamheid van de Geest het menselijk organisatietalent niet uit, maar het schakelt dat juist in.
Trouwens, vinden we in de Bijbel zelf ook niet veel organisatie-verhalen?
Denk aan Mozes met zijn indeling van het volk in de woestijn in groepen, aan Salomo met zijn tempelbouw en de verdeling van het volk in gouwen, aan Nehemia bij de herbouw van Jeruzalem, aan Jezus en de spijziging van de 5000, aan Petrus en de zorg voor de weduwen in Jeruzalem.
Het is in de kerk en in het Koninkrijk van God geen schande iets te organiseren.
Dat is juist broodnodig. Als de organisatie de spontaneïniteit maar niet dooddrukt. Maar elk feest verloopt toch juist plezierig als er een goed programma is? En binnen de kaders van het programma is er, als het goed is, voldoende ruimte voor spontaneïteit.

7.2 Bedreiging van vrijheid
Een tweede bezwaar dat kan worden opgeworpen, is de vraag of door een dergelijke organisatie de persoonlijke vrijheid van ieder gemeentelid niet wordt bedreigd?
Voorop staat dat ieders eigen verantwoordelijkheid onaangetast blijft. Maar wel moet worden bedacht, dat het bij de opbouw van de gemeente gaat om het gestalte geven aan de roeping jegens elkaar en onze wereld in liefde en dienstbetoon. En kan liefde werkelijk bedreigend zijn?
Inderdaad wordt er meer van de mensen gevraagd. Maar belijdt een christen met antw. 54 HC ook niet, dat hij/zij van de gemeente van Christus een levend lid is en zal blijven? Levend, d.i. toch aktief! En dat betekent zijn/ haar gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken (antw. 55 HC)! Daarom kan geen lid van de gemeente om de vraag heen, hoe hij zich aktief binnen de gemeente en in dienst van Gods Koninkrijk zal kunnen en mogen opstellen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief